Joan Lindhout - 22 mei 2026
In een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 16 mei schreef Johan Mouthaan in reactie op mijn boek dat “de kerkvaders een letterlijke opvatting van de instellingswoorden ‘Dit is Mijn lichaam’ verworpen hebben”. Ter onderbouwing deelde hij op LinkedIn een lange lijst met citaten van kerkvaders waarin gesproken wordt over “tekens”, “symbolen” en “geestelijk eten”. Zo’n lange lijst ziet er indrukwekkend uit, totdat je gaat kijken wat die kerkvaders daadwerkelijk bedoelden. Hieronder volgt mijn reactie.
De aangehaalde citaten tonen niet aan dat de kerkvaders de Eucharistie zagen als louter symbolisch, zonder werkelijke tegenwoordigheid van Christus. Wat het vooral laat zien, is dat de vroege Kerk nog niet de latere scholastieke taal van de transsubstantiatie gebruikte. Mouthaans conclusie lijkt te zijn dat zodra een kerkvader symbolische taal gebruikt, daarmee automatisch bewezen is dat brood en wijn slechts symbolen zijn. Maar juist in de vroege Kerk gaan symbool en werkelijkheid samen. De Eucharistie is een mysterie waarin brood en wijn tegelijk sacramentele tekenen én het werkelijke lichaam en bloed van Christus zijn.
Dat laatste is essentieel om te begrijpen. Katholieken geloven namelijk niet dat de Eucharistie “geen symbool” is. Dat is een misverstand dat vaak terugkomt in protestantse kritiek. Toegegeven, katholieke polemiek kan aan dit misverstand bijdragen indien er op gehamerd wordt dat het hier niet (alleen) om een symbool gaat, maar om de Werkelijke Tegenwoordigheid. De Eucharistie heeft echter daadwerkelijk een rijke symbolische betekenis. Brood en wijn verwijzen naar voedsel, gemeenschap, offer, eenheid en geestelijke voeding. Het probleem ontstaat pas wanneer “symbool” wordt opgevat als: louter symbolisch.
De Amerikaanse bisschoppenconferentie formuleerde dit treffend in een document over de Eucharistie uit 2001. Daarin wordt uitgelegd dat het geconsacreerde brood en de wijn niet “louter symbolen” zijn, omdat zij werkelijk het lichaam en bloed van Christus zijn. Ik citeer de betreffende alinea hier integraal:
Zijn het geconsacreerde brood en wijn ‘louter symbolen’?
In de alledaagse taal noemen we iets een “symbool” dat wijst voorbij zichzelf naar iets anders, vaak naar verschillende andere realiteiten tegelijk. De getransformeerde brood en wijn die het Lichaam en Bloed van Christus zijn, zijn niet louter symbolen, omdat ze werkelijk het Lichaam en Bloed van Christus zijn. Zoals de H. Johannes Damascenus schreef: “Het brood en de wijn zijn niet een voorafbeelding van het Lichaam en Bloed van Christus, - volstrekt niet! – maar het vergoddelijkte Lichaam van de Heer, want de Heer zelf heeft gezegd: ‘Dit is mijn Lichaam’; niet, de voorafbeelding van mijn lichaam’, maar ‘mijn lichaam’, en niet ‘een voorafbeelding van mijn bloed’, maar ‘mijn bloed’” . Tegelijkertijd echter is het belangrijk te erkennen dat het Lichaam en het Bloed van Christus in de Eucharistie in een sacramentele vorm tot ons komt. Met andere woorden, Christus is tegenwoordig onder de gedaanten van brood en wijn, niet in zijn eigenlijke vorm. We kunnen niet veronderstellen alle redenen van Gods handelingen te weten. God gebruikte echter de symboliek gelijk aan het eten van brood en het drinken van wijn op natuurlijk niveau om de bedoeling te verhelderen van wat door Jezus Christus in de Eucharistie is volbracht. Er zijn verschillende wegen waarin de symboliek van het eten van brood en drinken van wijn de betekenis van de Eucharistie ontsluiten. Bijvoorbeeld, evenals gewoon voedsel voeding geeft aan het lichaam, geeft het Eucharistisch voedsel geestelijke voeding. Ook ontstaat door het delen van een gewoon maal een zekere gemeenschap tussen de mensen die dit delen; in de Eucharistie deelt Gods volk een maal dat hen niet alleen in gemeenschap met elkaar brengt, maar ook met de Vader, Zoon en Heilige Geest. Evenzo, zoals de H. Paulus ons vertelt, is het ene brood dat in de Eucharistie met velen wordt gedeeld een verwijzing naar de eenheid van hen die gezamenlijk geroepen zijn door de Heilige Geest tot één lichaam, het Lichaam van Christus . Om een ander voorbeeld te nemen, de afzonderlijke graankorrels en druiven moeten geoogst worden en een proces ondergaan van malen of persen, voordat zij als brood en als wijn een eenheid vormen. Daarom verwijzen brood en wijn zowel naar de eenheid van velen die plaatsnemen in het Lichaam van Christus en het lijden ondergaan door Christus, een lijden dat ook door zijn volgelingen aanvaard moet worden. Er kan nog veel meer gezegd worden over de vele wijzen waarop het eten van brood en drinken van wijn symboliseren wat God voor ons doet door Christus, daar symbolen veelvoudige bedoelingen en betekenissen in zich dragen.
Bron: Comité van Geloofsleer van de Nationale Conferentie van Katholieke Bisschoppen van de Verenigde Staten, De werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het Sacrament van de Eucharistie: 15 fundamentele vragen en antwoorden (12 juni 2001), vert. uit het Engels, geraadpleegd via https://rkdocumenten.nl/toondocument/3989-de-werkelijke-tegenwoordigheid-van-jezus-christus-in-het-sacrament-nl/?systeemnum=3989-8.
Daarom is het ook misleidend om kerkvaders telkens te citeren alsof woorden als “teken”, “beeld” of “symbool” automatisch een ontkenning van de werkelijke tegenwoordigheid betekenen. In de sacramentele taal van de vroege Kerk werkt het juist andersom: een sacrament is een zichtbaar teken dat de ontvanger deelachtig maakt aan de werkelijkheid waarnaar het verwijst.
De lange lijst citaten van Mouthaan beantwoord ik niet door eenzelfde lange lijst te sturen die de katholieke leer onderbouwen. Dan dreigt het een ‘data-dumping’ loopgravenoorlog te worden. Wat ik wel wil doen is een belangrijk citaat uitdiepen van St. Ignatius van Antiochië (leerling van de heilige apostel Johannes), die al rond het jaar 107 schrijft over ketters die zich onthouden van de Eucharistie “omdat zij niet belijden dat de Eucharistie het vlees is van onze Verlosser Jezus Christus: het Lichaam dat heeft geleden voor onze zonden en dat de Vader in Zijn goedheid heeft doen opstaan”. Het is onmogelijk dit louter symbolisch op te vatten. Voor de liefhebbers is hier een uitleg van dr. John Bergsma die aantoont dat het in dit citaat ook echt gaat om ‘het vlees dat heeft geleden’ en niet simpelweg ‘de mens Jezus’:
Ook St. Irenaeus zegt dat het brood, nadat er de aanroeping van God over is uitgesproken, “niet langer gewoon brood” is, maar bestaat uit een aardse en hemelse werkelijkheid. Zulke uitspraken passen veel beter bij een sacramenteel realisme dan bij de gedachte dat het Avondmaal slechts een herinneringsmaaltijd zou zijn.
Een groot deel van Mouthaans lijst bestaat bovendien uit citaten waarin kerkvaders waarschuwen tegen een vleselijke of grove uitleg van Christus’ woorden in Johannes 6. Maar katholieken geloven zelf ook niet dat de Eucharistie een vorm van kannibalisme is. Wanneer Augustinus zegt dat Christus “geestelijk” gegeten moet worden, bedoelt hij niet dat Christus afwezig is. Hij bedoelt dat men de Eucharistie met geloof en geestelijk begrip moet ontvangen.
Hetzelfde geldt voor Origenes en Chrysostomus. Wanneer zij waarschuwen tegen een puur letterlijke of aardse interpretatie, bestrijden zij een materialistische misvatting, niet de werkelijke tegenwoordigheid van Christus. Chrysostomus zegt zelfs expliciet dat Christus’ vlees werkelijk vlees is en dat men met “innerlijke ogen” tot het mysterie moet doordringen.
Daarnaast moet men voorzichtig zijn om latere technische definities rechtstreeks terug te projecteren op de eerste eeuwen van de Kerk. De term “transsubstantiatie” werd pas in de middeleeuwen uitgewerkt met behulp van aristotelische filosofische begrippen zoals substantie en accidenten. Dat betekent echter niet dat de onderliggende geloofsovertuiging nieuw was. Ook de Drie-eenheid werd pas later nauwkeurig geformuleerd, terwijl christenen al vanaf het begin in Vader, Zoon en Heilige Geest geloofden.
Precies daarom is het belangrijk onderscheid te maken tussen de ontwikkeling van terminologie en de inhoud van het geloof zelf. Wat Mouthaan aantoont, is hooguit dat de vroege Kerk nog niet de scholastieke taal van Trente gebruikte. Wat hij niet aantoont, is dat de kerkvaders geloofden dat brood en wijn slechts symbolen waren.
Sterker nog: veel van zijn eigen citaten wijzen juist in de tegenovergestelde richting. Waarom waarschuwen kerkvaders zo ernstig tegen onwaardige communie als het slechts om symbolen gaat? Waarom spreken zij over aanbidding, heiligheid en deelname aan het lichaam en bloed van Christus? Waarom zegt Irenaeus dat het brood “niet langer gewoon brood” is? Waarom zegt Cyrillus van Jeruzalem dat men niet moet vertrouwen op de lichamelijke smaak, maar moet geloven dat men het lichaam en bloed van Christus ontvangt? St. Augustinus, ook in hoog aanzien bij protestanten, zegt dat het een zonde is als je de Eucharistie niet aanbidt in zijn commentaar op Psalm 98:
“Nemo autem illam carnem manducat, nisi prius adoraverit; peccemus non adorando.” (Maar niemand eet dat vlees, tenzij hij eerst heeft aanbeden; wij zouden zondigen door het niet te aanbidden.)
En dan dit in zijn commentaar op Psalm 33:
“Want Christus werd gedragen in zijn eigen handen toen Hij zijn lichaam overhandigde en zei: 'Dit is mijn lichaam'. Want Hij hield datzelfde lichaam in zijn handen terwijl Hij sprak.”
Hiermee laat ik zien dat Augustinus zowel symbolisch kan spreken over de Eucharistie én als zijnde het Lichaam van Christus. En ik laat zien dat dit al in de eerste eeuwen werd geloofd, door nota bene de leerling van de geliefde apostel te citeren en de kerkvader Augustinus die protestanten graag lezen maar die door en door katholiek is.
De fundamentele overtuiging dat Christus werkelijk aanwezig is in de Eucharistie loopt als een rode draad door de vroege christelijke traditie heen. Zoals de heilige Thomas van Aquino later opmerkte: Christus zei niet: “Dit brood is mijn lichaam”, maar eenvoudig: “Dit is mijn lichaam.” Juist daarom heeft de Kerk altijd geloofd dat de Eucharistie méér is dan een herinnering of een symbool alleen. Het is een sacrament waarin teken en werkelijkheid samenkomen. Niet of/of, maar en/en.
Joan Lindhout - 22 mei 2026
Bovenstaand artikel is een reactie op deze Linkedin post.
Uitspraken van de kerkvaders over de eucharistie
Johan Mouthaan
21 mei 2026 (Linkedin)
1. Heinrich Bullinger, Der Ursprung des Irglaubens (1539) in: Schriften 1, 259-415.
2. Joannes Anastasius Veluanus, Wegwijzer voor gewone gelovigen (1554), 127-154
3. Guido de Bres, Het wapen van het Christelijk geloof, (1565), 215-234
4. Calvijn, Institutie, boek 4, hoofdstuk 17 en 18.
5. Heinrich Bullinger, Decades, decade 5, sermo 6-7, 9
6. Zacharias Ursinus, Commentary on the Heidelberg Catechism, 403-406
7. Turretini, Institutes of Elenctic Theology, 3:477-480
1. Brood en wijn zijn niet letterlijk lichaam en bloed van Christus
Tatianus
1. ‘O Grieken? Waarom haten jullie degenen die het woord van God volgen, alsof zij het laagste van de mensheid zijn? Wij zijn het niet die mensenvlees eten.’[1]
Theophilus van Antiochië
2. ‘Anders zou u zich niet door onverstandige mensen hebben laten overhalen om toe te geven aan loze woorden en geloof te hechten aan het wijdverbreide gerucht waarmee goddeloze lippen ons, die God aanbidden en christenen worden genoemd, valselijk beschuldigen, door te beweren dat de vrouwen van ons allen gemeenschappelijk bezit zijn en promiscue worden gebruikt; en dat wij zelfs incest plegen met onze eigen zussen, en, wat het meest goddeloos en barbaars van alles is, dat wij mensenvlees eten.’[2]
Irenaeus
3. ‘Maar onze opvatting is in overeenstemming met de eucharistie, en de eucharistie bevestigt op haar beurt onze opvatting. En wij offeren Hem de dingen die van Hem zijn, waarmee wij onze gemeenschap en eenheid tonen en een opstanding van vlees en geest belijden: namelijk dat, zoals brood uit de aarde, dat de oproep van God ontvangt, niet langer gewoon brood is, maar een eucharistie die bestaat uit twee dingen, zowel iets aards als iets hemels; zo zijn ook onze lichamen, die deelnemen aan de eucharistie, niet langer vergankelijk, omdat zij de hoop op de eeuwige opstanding hebben (Iren., Adv. Haer. 4.18.5).’[3]
4. ‘Toen de Grieken de slaven van christelijke catechumenen hadden gearresteerd en vervolgens geweld tegen hen gebruikten om hen te dwingen iets geheimzinnigs te onthullen dat onder christenen [in praktijk] werd gebracht, hadden deze slaven niets te zeggen dat aan de wensen van hun beulen voldeed, behalve dat zij van hun meesters hadden gehoord dat de heilige communie het lichaam en bloed van Christus was, en omdat zij dachten dat het daadwerkelijk vlees en bloed was, gaven zij hun ondervragers een antwoord in die zin.’[4]
Clemens van Alexandrië
5. ‘Elders heeft de Heere dit in het Evangelie volgens Johannes door middel van symbolen tot uitdrukking gebracht, toen Hij zei: “Eet mijn vlees en drink mijn bloed;” waarmee Hij door middel van een metafoor duidelijk de drinkbare eigenschappen van het geloof en de belofte beschreef, waardoor de Kerk, als een mens die uit vele leden bestaat, wordt verkwikt en groeit, en door beide – het geloof, dat het lichaam is, en de hoop, die de ziel is – wordt samengesmeed en verenigt; zoals ook de Heere van vlees en bloed. Want in werkelijkheid is het bloed van het geloof de hoop, waarin het geloof wordt vastgehouden als door een levenskracht.’[5]
Origenes
6. ‘Want zelfs in de evangeliën is het „de letter“ die „doodt“. Niet alleen in het Oude Testament komt „de letter die doodt“ voor; ook in het Nieuwe Testament is er „de letter die doodt“ voor wie niet geestelijk begrijpt wat er wordt gezegd. Want als je je letterlijk houdt aan wat er wordt gezegd: „tenzij je mijn vlees eet en mijn bloed drinkt“, dan „doodt deze letter“.[6]
Athanasius
7. ‘Ook de Verlosser, die het symbolische door het geestelijke verving, beloofde hun dat zij niet langer het vlees van een lam zouden eten, maar het Zijne, door te zeggen: „Neemt, eet en drinkt; dit is Mijn lichaam en Mijn bloed.“ Wanneer wij aldus door deze dingen worden gevoed, zullen ook wij, mijn geliefden, het paasfeest werkelijk vieren.’[7]
Augustinus
8. ‘Omdat zij het zichtbare voedsel geestelijk begrepen, geestelijk hongerden, geestelijk proefden, opdat zij geestelijk verzadigd zouden worden. Want ook wij ontvangen vandaag de dag zichtbaar voedsel; maar het sacrament is één ding, de kracht van het sacrament iets anders. Hoevelen ontvangen aan het altaar en sterven, en sterven inderdaad door het ontvangen? Vandaar dat de apostel zegt: „Hij eet en drinkt zichzelf een oordeel.” Want het was niet de hap die de Heere hem gaf die het gif voor Judas was. En toch nam hij die; en toen hij die nam, drong de vijand in hem binnen: niet omdat hij iets kwaads ontving, maar omdat hij, die kwaad was, iets goeds op een slechte manier ontving. Ziet dan, broeders, dat gij het hemelse brood in geestelijke zin eet; brengt onschuld naar het altaar.’[8]
9. ‘Hij had gezegd: „Tenzij iemand Mijn vlees eet, zal hij geen leven in zich hebben.” Sommige van Zijn discipelen, ongeveer zeventig, namen hier aanstoot aan en zeiden: „Dit is een harde uitspraak; wie kan dit aanhoren?” En zij keerden terug en wandelden niet meer met Hem. Het leek hen hard dat Hij zei: “Tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet, hebt gij geen leven in u.” Zij vatten het dwaas op, zij dachten er vleselijk over na en stelden zich voor dat de Heere delen van Zijn lichaam zou afsnijden en aan hen zou geven; en zij zeiden: “Dit is een harde uitspraak.” Zij waren het die hard waren, niet de woorden; want als zij niet hard waren geweest, en niet zachtmoedig, zouden zij tegen zichzelf hebben gezegd: Hij zegt dit niet zonder reden, maar hier moet een verborgen mysterie in schuilgaan. Zij zouden bij Hem zijn gebleven, verzacht, niet hard; en zij zouden van Hem hebben geleerd wat degenen die bleven, toen de anderen vertrokken, leerden. Want toen twaalf discipelen bij Hem waren gebleven, suggereerden deze achtergebleven volgelingen bij hun vertrek aan Hem, alsof zij rouwden om de dood van de eersten, dat zij aanstoot hadden genomen aan Zijn woorden en waren teruggekeerd. Maar Hij onderwees hen en zei tot hen: “Het is de Geest die levend maakt, maar het vlees baat niets; de woorden die Ik tot u gesproken heb, die zijn geest, en die zijn leven.” Begrijp in geestelijke zin wat Ik heb gezegd; gij zult dit lichaam dat gij ziet niet eten, noch dat bloed drinken dat zij die Mij zullen kruisigen, zullen vergieten. Ik heb u een bepaald mysterie toevertrouwd; in geestelijke zin begrepen, zal het leven geven. Hoewel het noodzakelijk is dat dit zichtbaar wordt gevierd, moet het toch in geestelijke zin worden begrepen.’[9]
Chrysostomus
10. ‘Wat dan? Is Zijn vlees dan geen vlees? Natuurlijk is dat wel zo. Hoe kon Hij dan zeggen: ‘Het vlees heeft geen nut’? Hij sprak niet over Zijn eigen vlees – God verhoede het! – maar over degenen die Zijn woorden met een aardse geest aanhoren. En wat wordt er bedoeld met ze ‘vleselijk’ begrijpen? Dat is louter naar de letterlijke betekenis kijken en niet dieper doordringen in de betekenis. Dit is inderdaad ‘vleselijk’, want men mag niet op deze manier tot een conclusie komen op basis van wat voor de ogen ligt, maar moet met innerlijke ogen doordringen tot onder alle mysteries. Dit is in waarheid ‘geestelijk’. Als dus degene die Zijn vlees niet eet en Zijn bloed niet drinkt geen leven in zich heeft, hoe kan het vlees dan niets baten, aangezien het zonder dat niet mogelijk is te leven? Begrijpt u dat de woorden ‘Het vlees baat niets’ niet over Zijn vlees worden gezegd, maar over het vleselijk naar Hem luisteren?’[10]
11. ‘Net zoals het brood vóór de consecratie brood wordt genoemd, maar wanneer de goddelijke genade het door toedoen van de priester heiligt, het de benaming ‘brood’ verliest en waardig wordt geacht de benaming ‘het Lichaam van de Heer’ te dragen, hoewel de aard van het brood erin blijft bestaan, en wij niet spreken van twee lichamen, maar van één lichaam van de Zoon: zo vormen hier de goddelijke natuur, die in het menselijk lichaam zetelt, en de twee samen slechts één Zoon – één Persoon.’[11]
Theodoretus van Cyrus
12. ‘Eran.—Je hebt het onderwerp van de goddelijke mysteries op het juiste moment ter sprake gebracht, want aan de hand daarvan zal ik je kunnen laten zien hoe het lichaam van de Heere in een andere natuur verandert. Beantwoord nu mijn vragen.
Orth.—Ik zal antwoorden.
Eran.—Hoe noem je de offergave die vóór de priesterlijke aanroeping wordt aangeboden?
Orth.—Het zou verkeerd zijn om dat openlijk te zeggen; er zijn misschien oningewijden aanwezig.
Eran.—Laat je antwoord dan raadselachtig zijn.
Orth.—Voedsel van graan van die soort.
Eran.—En hoe noemen we het andere symbool?
Orth.—Ook deze naam is algemeen en duidt op een soort drank.
Eran.—En hoe noem je deze na de consecratie?
Orth.—Het lichaam van Christus en het bloed van Christus.
Eran.—En geloof je dat je deel hebt aan het lichaam en bloed van Christus?
Orth.—Ja.
Eran.—Zoals de symbolen van het lichaam en bloed van de Heer vóór de priesterlijke aanroeping één ding zijn, en na de aanroeping veranderen en iets anders worden; zo wordt het lichaam van de Heere na de tenhemelopneming omgevormd tot de goddelijke substantie.
Orth.—Je bent verstrikt in het net dat je zelf hebt geweven. Want zelfs na de consecratie worden de mystieke symbolen (sumbola) niet van hun eigen aard beroofd; ze blijven in hun vroegere substantie, gedaante en vorm; ze zijn zichtbaar en tastbaar zoals ze voorheen waren. Maar ze worden beschouwd als wat ze zijn geworden, en men gelooft dat ze dat zijn, en ze worden aanbeden als zijnde wat men gelooft dat ze zijn. Vergelijk dan het beeld met het archetype (archetypoi ten eikona), en je zult de gelijkenis zien, want het type moet op de werkelijkheid lijken. Want dat lichaam behoudt zijn vroegere vorm, gestalte en begrenzing en kortom de substantie van het lichaam; maar na de opstanding is het onsterfelijk geworden en verheven boven het verderf; het is een plaats aan de rechterhand waardig geworden; het wordt door elk schepsel aanbeden als het natuurlijke lichaam van de Heere.’[12]
Gelasius I
12. ‘Zeker, de sacramenten die wij ontvangen zijn een goddelijke werkelijkheid van het lichaam en bloed van Christus; daarom worden wij ook door dezelfde deelgenoten van de goddelijke natuur. En toch houdt de substantie of natuur (substantia vel natura) van brood en wijn niet op te bestaan. En inderdaad worden beeld en gelijkenis (imago et similitudo) van het lichaam en bloed van Christus gevierd in de bediening van de mysteriën.’[13]
Facundus
12. ‘Evenzo noemen wij het sacrament van Zijn lichaam en bloed, dat in het gewijde brood en de beker aanwezig is, Zijn lichaam en bloed — niet omdat het brood eigenlijk Zijn lichaam zou zijn en de beker Zijn bloed, maar omdat zij het mysterie van Zijn lichaam en bloed in zich bevatten. Daarom heeft ook de Heere Zelf het gezegende brood en de beker die Hij aan de discipelen gaf, Zijn lichaam en bloed genoemd.’[14]
2. Avondmaal vieren is geestelijk eten en drinken
Irenaeus
13. ‘En daarom is het offer van de eucharistie geen vleselijk, maar een geestelijk offer; en in dit opzicht is het zuiver. Want wij brengen God het brood en de beker van zegening als offer, en danken Hem dat Hij de aarde heeft geboden deze vruchten voort te brengen tot onze voeding. En wanneer wij het offer hebben voltooid, roepen wij de Heilige Geest aan, opdat Hij dit offer, zowel het brood als het lichaam van Christus, en de beker als het bloed van Christus, mag openbaren, opdat de ontvangers van deze antitypen vergeving van zonden en eeuwig leven mogen verkrijgen. Degenen die deze offers brengen ter nagedachtenis aan de Heere, sluiten zich dus niet aan bij joodse opvattingen, maar omdat zij de dienst op een geestelijke wijze verrichten, zullen zij zonen van de wijsheid worden genoemd.’[15]
Macarius
14. ‘Het was hun evenmin in het hart opgekomen dat er een doop met vuur en met de Heilige Geest zou zijn, en dat er in de kerk brood en wijn zouden worden aangeboden, als symbool van Zijn vlees en bloed, en dat degenen die het zichtbare brood nuttigen, geestelijk het vlees van de Heere eten.’[16]
Augustinus
15. ‘Begrijp in geestelijke zin wat Ik heb gezegd; gij zult dit lichaam dat gij ziet niet eten, noch dat bloed drinken dat zij die Mij zullen kruisigen, zullen vergieten. Ik heb u een bepaald mysterie toevertrouwd; in geestelijke zin begrepen, zal het leven geven. Hoewel het noodzakelijk is dat dit zichtbaar wordt gevierd, moet het toch in geestelijke zin worden begrepen.’[17]
16. ‘Zij [de elf discipelen] aten het Brood, de Heere; hij [Judas], het brood van de Heer tegen de Heere: zij, het Leven, hij, de straf.’[18]
3. Brood en wijn zijn symbolen
Justinus Martyr
17. ‘Het is nu duidelijk dat in deze profetie wordt verwezen naar het brood dat onze Christus ons te eten gaf, ter herinnering aan het feit dat Hij vlees werd ter wille van Zijn gelovigen, voor wie Hij ook leed; en naar de beker die Hij ons te drinken gaf, ter herinnering aan Zijn eigen bloed, onder dankzegging.’[19]
18. ‘En wanneer de voorzitter de dankgebeden heeft uitgesproken en alle aanwezigen hun instemming hebben betuigd, reiken degenen die wij diakenen noemen aan ieder van de aanwezigen het brood en de met water vermengde wijn aan, waarover de dankgebeden zijn uitgesproken, en voor de afwezigen nemen zij een deel mee (Justin, 1 Apol. 65).’[20]
Clemens van Alexandrië
19. ‘De Schrift heeft wijn dan ook tot symbool van het heilige bloed uitgeroepen.’[21]
Tertullianus
20. ‘Vervolgens nam Hij het brood, gaf het aan Zijn discipelen en maakte het tot Zijn eigen lichaam door te zeggen: „Dit is mijn lichaam“, dat wil zeggen: de afbeelding van mijn lichaam. Een afbeelding zou er echter niet kunnen zijn geweest, tenzij er eerst een werkelijk lichaam was geweest. Een leeg ding, of een schim, kan geen afbeelding vormen.’[22]
21. ‘Want zo heeft God in uw eigen evangelie de betekenis ervan zelfs geopenbaard, toen Hij Zijn lichaam brood noemde; opdat u in de toekomst zou begrijpen dat Hij aan Zijn lichaam de gedaante van brood heeft gegeven, welk lichaam de profeet van weleer figuurlijk in brood veranderde, terwijl de Heere Zelf van plan was om te zijner tijd een uitleg van het mysterie te geven.’[23]
Cyprianus
22. ‘Het kan onmogelijk als Zijn bloed in de kelk worden beschouwd als er geen wijn in de kelk zit. Het is door middel van deze wijn dat wij zijn verlost en tot leven zijn gewekt, omdat deze het bloed van Christus voorstelt (ostenditur). Dit is de sacramentele belofte die door het getuigenis van de gehele Schrift wordt verkondigd.’[24]
Eusebius van Caesarea
23. ‘Aangezien wij een herdenking hebben ontvangen van dit offer, dat wij aan de tafel vieren door middel van symbolen van Zijn Lichaam en Zijn verlossend Bloed, overeenkomstig de wetten van het nieuwe verbond …’ (Demonstratio evangelica 1.10).’[25]
Apostolische constituties
24. ‘En toen Hij ons de symbolische mysteries van Zijn kostbare lichaam en bloed had overgedragen – Judas was niet bij ons – begaf Hij Zich naar de Olijfberg, bij de beek Kidron, waar een tuin was; en wij waren bij Hem en zongen een lofzang, zoals de gewoonte was.’[26]
25. ‘…en de heilige eucharistie, de representatie van het koninklijke lichaam van Christus, te vieren.’[27]
26. ‘In plaats van een bloedoffer heeft Hij dat redelijke en onbloedige mystieke offer van Zijn lichaam en bloed ingesteld, dat wordt voltrokken om de dood van de Heere symbolisch weer te geven.’[28]
Ambrosius
27. ‘Wil je weten dat het door hemelse woorden is gewijd? Luister dan naar wat die woorden zijn. De priester spreekt. “Maak voor ons,” zegt hij, “dit offer goedgekeurd, bekrachtigd, redelijk, aanvaardbaar, aangezien het het beeld is van het lichaam en bloed van onze Heere Jezus Christus, die de dag voordat hij leed brood in zijn heilige handen nam, en opkeek naar de hemel naar u, heilige Vader, almachtige, eeuwige God, en dankzeggend zegende hij, brak het, en nadat hij het gebroken had, gaf hij het aan zijn apostelen en aan zijn discipelen, zeggende: Neemt dit en eet er allen van; want dit is mijn lichaam, dat voor velen gebroken zal worden.’[29]
Augustinus
28. ‘En in de geschiedenis van het Nieuwe Testament door die zo grote en zo wonderbaarlijke verdraagzaamheid van onze Heere; doordat Hij hem [Judas] zo lang verdroeg alsof hij goed was, terwijl Hij toch op de hoogte was van zijn gedachten; doordat Hij hem toeliet tot het Avondmaal, waarin Hij het symbool van Zijn Lichaam en Bloed aan Zijn discipelen toevertrouwde en overhandigde.’[30]
29. ‘Het woord wordt aan het element toegevoegd, en zo ontstaat het sacrament, alsof het zelf ook een soort zichtbaar woord is.’[31]
30. ‘Als de zin een gebod is, dat ofwel een misdaad of ondeugd verbiedt, ofwel een daad van voorzichtigheid of welwillendheid voorschrijft, dan is hij niet figuurlijk. Als hij echter een misdaad of ondeugd lijkt voor te schrijven, of een daad van voorzichtigheid of welwillendheid lijkt te verbieden, dan is hij figuurlijk. “Tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet,” zegt Christus, “en Zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in u.” Dit lijkt een misdaad of een ondeugd op te leggen; het is daarom een beeld, dat ons opdraagt deel te hebben aan het lijden van onze Heer, en dat wij een zoete en nuttige herinnering moeten bewaren aan het feit dat Zijn vlees voor ons gewond en gekruisigd werd (Aug., De doctr. christ. 3.16.24).’[32]
Theodorus van Mopsuestia
31. ‘Aangezien dit alles echter in symbolen en tekenen gebeurt, om aan te tonen dat wij niet alleen gebruik maken van ijdele tekenen, maar van werkelijkheden waarin wij geloven en die wij vurig begeren, zei hij: „Want als wij met Hem zijn verenigd in de gelijkenis van Zijn dood, zullen wij dat ook zijn (in de gelijkenis) van Zijn opstanding.“ Door de toekomende tijd te gebruiken, bevestigt hij de huidige gebeurtenis door de toekomstige werkelijkheid, en vanuit de grootsheid van de komende werkelijkheid toont hij de geloofwaardigheid van de grootsheid van de symbolen ervan aan, en het symbool van de komende werkelijkheden is de doop. Het werk van de Heilige Geest is dat u in de hoop op de toekomstige dingen de genade van de doop ontvangt, en dat u de gave van de doop nadert om met Christus te sterven en op te staan, zodat u wedergeboren kunt worden tot het nieuwe leven, en zo, nadat u door deze symbolen bent geleid tot deelname aan de werkelijkheden, zult u het symbool van die ware tweede geboorte verrichten.’[33]
32. ‘Ook onze Heere getuigt hiervan, want bij de instelling van het sacrament zei Hij: „Neemt, eet, dit is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt tot vergeving van zonden”, en: „Neemt, drinkt, dit is Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt tot vergeving van zonden.” Hij zei dit omdat Hij ons door Zijn dood de toekomende wereld heeft geschonken, waarin alle zonden zullen worden weggenomen. Wat ons betreft is het juist dat wij symbolisch de herdenking van Zijn dood verrichten door onze deelname aan het Sacrament, waaruit wij het bezit van de toekomstige voordelen en de afschaffing van zonden ontlenen. Het voedsel van het heilige Sacrament bezit een dergelijke kracht en past bij de geboorte van hen die het eten. Inderdaad, aangezien wij in deze wereld het geestelijk voedsel in tekenen en symbolen tot ons nemen, is het noodzakelijk dat de aard van deze tekenen en symbolen past bij onze huidige toestand waarin wij het symbolische voedsel tot ons nemen.’[34]
33. ‘Het is dan ook terecht dat Hij, toen Hij het brood uitdeelde, niet zei: „Dit is het teken van mijn lichaam”, maar: „Dit is mijn lichaam”; evenzo zei Hij, toen Hij de beker uitdeelde, niet: “Dit is het symbool van mijn bloed”, maar: “Dit is mijn bloed”, omdat Hij wilde dat wij deze (elementen) na de ontvangst van de genade en de komst van de Geest niet zouden beschouwen naar hun aard, maar zouden ontvangen alsof zij het lichaam en het bloed van onze Heer waren. Inderdaad, zelfs het lichaam van onze Heer bezit in zijn eigen natuur geen onsterfelijkheid en de kracht om onsterfelijkheid te schenken, aangezien dit hem door de Heilige Geest werd gegeven; en bij zijn opstanding uit de dood ontving het een nauwe vereniging met de goddelijke natuur en werd het onsterfelijk en een middel om onsterfelijkheid aan anderen te schenken.’[35]
Theodoretus van Cyrus
34. ‘Want zoals wij na de consecratie de mystieke vrucht van de wijnstok het bloed van de Heer noemen, zo moet het bloed van de ware wijnstok het bloed van de wijnstok worden genoemd.’[36]
35. ‘Orth.—Maar onze Verlosser heeft de namen omgedraaid en aan Zijn lichaam de naam van het symbool gegeven, en aan het symbool die van Zijn lichaam. Zo sprak Hij, nadat Hij Zichzelf een wijnstok had genoemd, over het symbool als bloed.’[37]
36. ‘Bovendien heeft de Heere Zelf beloofd om ten behoeve van het leven van de wereld niet Zijn onzichtbare wezen, maar Zijn lichaam te geven. „Want“, zegt Hij, „het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees, dat Ik zal geven voor het leven van de wereld“, en toen Hij het symbool van de goddelijke mysteriën nam, zei Hij: „Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt.“[38]
37. ‘…en over Zijn lichaam zegt Hij: „Het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees, dat Ik zal geven voor het leven van de wereld“, en toen Hij de goddelijke mysteriën overhandigde, het symbool brak en het uitdeelde, voegde Hij eraan toe: „Dit is Mijn lichaam, dat voor u wordt gebroken tot vergeving van zonden“.[39]
38. ‘Orth.—Vertel mij nu eens: de mystieke symbolen die aan God worden geofferd door hen die priesterlijke riten verrichten, waar staan die symbolen voor?
Eran.—Voor het lichaam en bloed van de Heer.
Orth.—Voor het werkelijke lichaam, of niet?
Eran.—Het werkelijke.
Orth.—Goed. Want er moet een archetype van het beeld zijn. Zo imiteren schilders de natuur en schilderen ze afbeeldingen van zichtbare objecten.
Eran.—Dat is waar.
Orth.—Als de goddelijke mysteriën dan antitypen zijn van het werkelijke lichaam, dan is het lichaam van de Heer ook nu nog een lichaam, niet veranderd in de natuur van de Godheid, maar vervuld van goddelijke glorie.’[40]
Cyrillus van Jeruzalem
39. ‘Daarna hoort u de zanger, die u met een heilige melodie uitnodigt tot de communie van de Heilige Mysteries, en zegt: Proeft en ziet dat de Heere goed is. Vertrouw niet op het oordeel van uw lichamelijke smaakzin, maar op een onwankelbaar geloof; want wanneer wij proeven, wordt ons gevraagd niet brood en wijn te proeven, maar het teken van het Lichaam en Bloed van Christus.’[41]
40. ‘Laten wij daarom vol vertrouwen deelnemen aan het Lichaam en Bloed van Christus; want in de gedaante van brood wordt u Zijn Lichaam geschonken, en in de gedaante van wijn Zijn Bloed; opdat u, door deel te hebben aan het Lichaam en Bloed van Christus, één lichaam en één bloed met Hem mag worden.’[42]
Gregorius van Nazianze
41. ‘…en verklaarde dat ze haar greep niet zou loslaten voordat ze genezen was; vervolgens bracht ze haar geneesmiddel aan op haar hele lichaam, namelijk dat deel van de antitypen van het Kostbare Lichaam en Bloed dat ze in haar hand koesterde, en vermengde daar haar tranen mee, en, o wonder, ze ging weg met het onmiddellijke gevoel dat ze gered was, en met de lichtheid van gezondheid in lichaam, ziel en geest, nadat ze, als beloning voor haar hoop, had ontvangen waar ze op hoopte, en lichamelijk had gewonnen door middel van geestelijke Kracht.’[43]
Leo de Grote
42. ‘Want hoewel Hij tegelijkertijd de Auteur is van het oude en het nieuwe, heeft Hij toch de symbolische riten die verband hielden met de beloften veranderd, omdat Hij de beloften vervulde en een einde maakte aan de aankondiging door de komst van de Aangekondigde. Maar wat de morele voorschriften betreft, worden geen verordeningen van het vroegere Testament verworpen, maar worden vele ervan door de evangelische leer uitgebreid: zodat de dingen die verlossing brengen volmaakter en duidelijker zijn dan die welke een Verlosser beloven.’[44]
Ratramnus
43. ‘En hoewel er één lichaam van de Heere is, waarin Hij eenmaal geleden heeft, en één bloed dat tot heil van de wereld vergoten is, hebben de sacramenten van die zaken toch hun namen ontvangen, zodat zij lichaam en bloed van Christus genoemd worden, hoewel zij zo genoemd worden vanwege de gelijkenis met de zaken die zij aanduiden. Zo worden ook Pasen en de Opstanding van de Heere jaarlijks gevierd, hoewel Hij slechts eenmaal in Zichzelf geleden heeft en is opgestaan, en die dagen niet kunnen terugkeren omdat zij voorbijgegaan zijn. Toch worden de dagen waarop de gedachtenis van het lijden of de opstanding van de Heere herdacht wordt, met hun namen aangeduid, omdat zij gelijkenis vertonen met die dagen waarop de Zaligmaker eenmaal geleden heeft en eenmaal is opgestaan.’[45]
[1] Tatian, “Address of Tatian to the Greeks”, in Fathers of the Second Century: Hermas, Tatian, Athenagoras, Theophilus, and Clement of Alexandria (Entire), onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vertaald door J. E. Ryland, vol. 2, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 76.
[2] Theophilus of Antioch, “Theophilus to Autolycus”, in Fathers of the Second Century: Hermas, Tatian, Athenagoras, Theophilus, and Clement of Alexandria (Entire), onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vertaald door Marcus Dods, vol. 2, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 112.
[3] S. Irenaeus Bishop of Lyons, Five Books of S. Irenaeus against Heresies, vertaald door John Keble, A Library of Fathers of the Holy Catholic Church (Oxford; London; Cambridge: James Parker and Co.; Rivingtons, 1872), 360–361.
[4] Irenaeus of Lyons, “Fragments from the Lost Writings of Irenæus”, in The Apostolic Fathers with Justin Martyr and Irenaeus, onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vol. 1, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 570.
[5] Clement of Alexandria, “The Instructor”, in Fathers of the Second Century: Hermas, Tatian, Athenagoras, Theophilus, and Clement of Alexandria (Entire), onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vol. 2, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 219.
[6] Origen, Homilies on Leviticus : 1-16 (Washington, D.C. : Catholic University of America Press, 1990), 146.
[7] Athanasius of Alexandria, “Festal Letters”, in St. Athanasius: Select Works and Letters, onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Henry Burgess en Jessie Smith Payne, vol. 4, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1892), 517.
[8] Augustine of Hippo, “Lectures or Tractates on the Gospel according to St. John”, in St. Augustin: Homilies on the Gospel of John, Homilies on the First Epistle of John, Soliloquies, onder redactie van Philip Schaff, vertaald door John Gibb en James Innes, vol. 7, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, First Series (New York: Christian Literature Company, 1888), 171.
[9] Augustine of Hippo, “Expositions on the Book of Psalms”, in Saint Augustin: Expositions on the Book of Psalms, onder redactie van Philip Schaff, vertaald door A. Cleveland Coxe, vol. 8, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, First Series (New York: Christian Literature Company, 1888), 485–486.
[10] John Chrysostom, Commentary on Saint John the Apostle and Evangelist: Homilies 1–47, vertaald door Thomas Aquinas Goggin, vol. 33, The Fathers of the Church (Washington, DC: The Catholic University of America Press, 1957), 477–478.
[11] J.P. Migne, red., Patrologiae cursus completus series Graeca (Parijs, 1857_66), 52:758.
[12] Theodoret of Cyrus, “Dialogues: The ‘Eranistes’ or ‘Polymorphus’ of the Blessed Theodoretus, Bishop of Cyrus”, in Theodoret, Jerome, Gennadius, Rufinus: Historial Writings, etc., onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Blomfield Jackson, vol. 3, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1892), 200–201.
[13] Andreas Thiel, Epistolae Romanorum Pontificum genuinae et quae ad eos scriptae sunt a S. Hilaro usque ad Pelagium II (Brunsbergae: Eduard Peter, 1868), 541, http://archive.org/details/epistolaeromanor01cath.
[14] J.P. Migne, red., Patrologiae cursus completus series Latina (Parijs, 1841_1865), 67:762-763.
[15] Irenaeus of Lyons, “Fragments from the Lost Writings of Irenæus”, in The Apostolic Fathers with Justin Martyr and Irenaeus, onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vol. 1, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 574–575.
[16] A. J. Mason, Fifty Spiritual Homilies of St. Macarius the Egyptian, Translations of Christian Literature: Series I: Greek Texts (London; New York: Society for Promoting Christian Knowledge; The Macmillan Company, 1921), 209.
[17] Augustine of Hippo, “Expositions on the Book of Psalms”, in Saint Augustin: Expositions on the Book of Psalms, onder redactie van Philip Schaff, vertaald door A. Cleveland Coxe, vol. 8, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, First Series (New York: Christian Literature Company, 1888), 485–486.
[18] S. Augustine, Homilies on the Gospel according to St. John, and His First Epistle: Hom. 1–124, S. John 1–21 and Hom. 1–10, 1 S. John, vol. 1 & 2, A Library of Fathers of the Holy Catholic Church, Anterior to the Division of the East and West: Translated by Members of the English Church (Oxford; London: John Henry Parker; F. and J. Rivington, 1848–1849), 737.
[19] Justin Martyr, “Dialogue of Justin with Trypho, a Jew”, in The Apostolic Fathers with Justin Martyr and Irenaeus, onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vol. 1, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 234.
[20] Justin Martyr, “The First Apology of Justin”, in The Apostolic Fathers with Justin Martyr and Irenaeus, onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vol. 1, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 185.
[21] Clement of Alexandria, “The Instructor”, in Fathers of the Second Century: Hermas, Tatian, Athenagoras, Theophilus, and Clement of Alexandria (Entire), onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vol. 2, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 245.
[22] Tertullian, “The Five Books against Marcion”, in Latin Christianity: Its Founder, Tertullian, onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vertaald door Peter Holmes, vol. 3, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 418.
[23] Tertullian, “The Five Books against Marcion”, in Latin Christianity: Its Founder, Tertullian, onder redactie van Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, vertaald door Peter Holmes, vol. 3, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1885), 337.
[24] Cyprian of Carthage, On the Church: Select Letters, onder redactie van John Behr, vertaald door Allen Brent, Popular Patristics Series, Number 33 (Crestwood, NY: St Vladimir’s Seminary Press, 2006), 174.
[25] Eusebius, The Proof of the Gospel, Being the Demonstratio Evangelica of Eusebius of Cæsarea ..., vertaald door William John Ferrar (London, New York: Society for promoting Christian knowledge; The Macmillan company, 1920), 1:60.
[26] Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, red., “Constitutions of the Holy Apostles”, in Fathers of the Third and Fourth Centuries: Lactantius, Venantius, Asterius, Victorinus, Dionysius, Apostolic Teaching and Constitutions, Homily, and Liturgies, vertaald door James Donaldson, vol. 7, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1886), 444.
[27] Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, red., “Constitutions of the Holy Apostles”, in Fathers of the Third and Fourth Centuries: Lactantius, Venantius, Asterius, Victorinus, Dionysius, Apostolic Teaching and Constitutions, Homily, and Liturgies, vertaald door James Donaldson, vol. 7, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1886), 464.
[28] Alexander Roberts, James Donaldson, en A. Cleveland Coxe, red., “Constitutions of the Holy Apostles”, in Fathers of the Third and Fourth Centuries: Lactantius, Venantius, Asterius, Victorinus, Dionysius, Apostolic Teaching and Constitutions, Homily, and Liturgies, vertaald door James Donaldson, vol. 7, The Ante-Nicene Fathers (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1886), 461.
[29] Ambrose of Milan, “On the Mysteries” and the Treatise “On the Sacraments”, onder redactie van J. H. Srawley en C. L. Feltoe, vertaald door T. Thompson, Translations of Christian Literature. Series III, Liturgical Texts (London; New York: Society for Promoting Christian Knowledge; The Macmillan Company, 1919), 113.
[30] Augustine of Hippo, “Expositions on the Book of Psalms”, in Saint Augustin: Expositions on the Book of Psalms, onder redactie van Philip Schaff, vertaald door A. Cleveland Coxe, vol. 8, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, First Series (New York: Christian Literature Company, 1888), 4–5.
[31] Augustine of Hippo, “Lectures or Tractates on the Gospel according to St. John”, in St. Augustin: Homilies on the Gospel of John, Homilies on the First Epistle of John, Soliloquies, onder redactie van Philip Schaff, vertaald door John Gibb en James Innes, vol. 7, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, First Series (New York: Christian Literature Company, 1888), 344.
[32] Augustine of Hippo, “On Christian Doctrine”, in St. Augustin’s City of God and Christian Doctrine, onder redactie van Philip Schaff, vertaald door J. F. Shaw, vol. 2, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, First Series (Buffalo, NY: Christian Literature Company, 1887), 563.
[33] Theodorus, Alphonse Mingana, en Selly Oak Colleges Library Mingana Syriac 0561, Commentary of Theodore of Mopsuestia on the Lord’s prayer and the sacraments of baptism and the Eucharist, Woodbrooke studies; v. 6; v. 6 (Cambridge: W. Heffer, 1933), 52.
[34] Ibid., 73.
[35] Ibid., 75.
[36] Theodoret of Cyrus, “Dialogues: The ‘Eranistes’ or ‘Polymorphus’ of the Blessed Theodoretus, Bishop of Cyrus”, in Theodoret, Jerome, Gennadius, Rufinus: Historial Writings, etc., onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Blomfield Jackson, vol. 3, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1892), 167–168.
[37] Theodoret of Cyrus, “Dialogues: The ‘Eranistes’ or ‘Polymorphus’ of the Blessed Theodoretus, Bishop of Cyrus”, in Theodoret, Jerome, Gennadius, Rufinus: Historial Writings, etc., onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Blomfield Jackson, vol. 3, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1892), 168.
[38] Theodoret of Cyrus, “Letters of the Blessed Theodoret, Bishop of Cyrus”, in Theodoret, Jerome, Gennadius, Rufinus: Historial Writings, etc., onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Blomfield Jackson, vol. 3, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1892), 303.
[39] Theodoret of Cyrus, “Letters of the Blessed Theodoret, Bishop of Cyrus”, in Theodoret, Jerome, Gennadius, Rufinus: Historial Writings, etc., onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Blomfield Jackson, vol. 3, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1892), 314.
[40] Theodoret of Cyrus, “Dialogues: The ‘Eranistes’ or ‘Polymorphus’ of the Blessed Theodoretus, Bishop of Cyrus”, in Theodoret, Jerome, Gennadius, Rufinus: Historial Writings, etc., onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Blomfield Jackson, vol. 3, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1892), 200.
[41] Cyril of Jerusalem, The Catechetical Lectures of S. Cyril (Oxford; London: John Henry Parker; J. G. and F. Rivington, 1838), 278.
[42] Cyril of Jerusalem, “Five”, in S. Cyril of Jerusalem, S. Gregory Nazianzen, onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door R. W. Church en Edwin Hamilton Gifford, vol. 7, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1894), 151.
[43] Gregory Nazianzen, “Select Orations of Saint Gregory Nazianzen”, in S. Cyril of Jerusalem, S. Gregory Nazianzen, onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Charles Gordon Browne en James Edward Swallow, vol. 7, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1894), 243.
[44] Leo the Great, “Sermons”, in Leo the Great, Gregory the Great, onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace, vertaald door Charles Lett Feltoe, vol. 12a, A Select Library of the Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, Second Series (New York: Christian Literature Company, 1895), 176.
[45] Migne, PL, 1841_1865, 121:143.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten