Posts tonen met het label FAQ. Alle posts tonen
Posts tonen met het label FAQ. Alle posts tonen

zondag 28 april 2013

Is de Maria-verering pas in de vijfde eeuw begonnen?

Citaat uit het Katholiek Nieuwsblad:

Wat in het bijzonder indruk op me heeft gemaakt: hoe volgens uw boek Maria en de tempel van Herodes naar elkaar verwijzen en historisch intens met elkaar verstrengeld zijn…
Ja, het is fascinerend hoe we voor de legendarische gegevens van de Maria-verhalen en het het Nieuwe Testament bevestiging kunnen vinden. Neem de ster van Bethlehem. Dat is de supernova in de maand maart van 5 voor Christus geweest: een historisch feit. Vanuit dat chronologisch houvast ontsluit en zich nieuwe inzichten. Bijvoorbeeld: de Joden leefden in de verwachting dat de bouw van de Derde Tempel de komst van de Messias zou inluiden. Ook al spreken de Joden nog altijd van de Tweede Tempel, het ‘herstel’ daarvan door Herodes was in feite de Derde: het was nagenoeg nieuwbouw. Die nieuwe tempel werd precies in het jaar van Maria’s verwekking (20 voor Christus – hr) aangekondigd en in het jaar van haar geboorte gebouwd. Het allerheiligste van de Tempel was leeg, want de Ark des Verbonds was al eeuwen zoek. Terwijl die genadeplaats verdwenen was, bouwde God een nieuwe in de baarmoeder van deze Maagd, de ware nieuwe Tempel. Maria is de Moeder der Kerk, het allerheiligste waaruit Christus geboren zou worden. Dankzij haar is de menswording pas werkelijkheid geworden. ‘Zalig zullen mij alle geslachten prijzen’, zegt zij in het Magnificat. Het belangrijkste nu wat ik bij de research voor mijn boek ontdekt heb, is dat je bij alle theologen kunt lezen dat de Maria-verering in de vijfde eeuw begonnen is, nadat het concilie van Efeze (431), haar tot Moeder God had uitgeroepen. Dat is onjuist. Al in de catacomben van de tweede eeuw en derde eeuw vinden wij Maria duidelijk herkenbaar afgebeeld. In een vroege graffiti in Nazareth vinden wij al het bekende Maria-gebed ‘Onder uw bescherming’. Maria is vanaf het begin bij ons geweest, net zoals wij bij haar.“
Meer lezen? Lees het boek van Michael Hesemann: Michael Hesemann, "Maria von Nazareth"

maandag 10 september 2012

Plaatsen Katholieken niet iemand (heiligen etc.) tussen God en mensen in, waardoor het rechtstreeks contact met God belemmerd wordt?


Het is juist essentieel dat er Iemand tussen God en mensen geplaatst wordt, we kunnen niet rechtstreeks voor God verschijnen, vanwege onze zonde. Zodra Israel God rechtstreeks mocht ontmoeten wilden ze niet (op de berg Horeb), vanwege Gods heerlijkheid en majesteit die zo groot was dat ze dat niet konden verdragen. Liever hadden ze dat Mozes ertussen kwam staan. Uiteindelijk heeft God zijn eigen Zoon gestuurd om tussen ons en God in te gaan staan. Maar ook Nieuw-Testamentisch laat God mensen tussen ons en Hem in staan, Hij spreekt immers tot ons door de mond van profeten en apostelen, en niet rechtstreeks. We leren het geloof niet van Hemzelf, maar via zijn Kerk en via onze ouders. Zo staan er steeds mensen tussen God en ons, maar niet om in de weg te staan, maar om ons nader tot Hem te brengen.
Tegelijk mogen we rechtstreeks tot God komen, vanwege het zoenoffer van zijn Zoon. Katholieken mogen zo dicht bij hem leven dat Hij (Jezus) zelf letterlijk tot ons komt in de H. Communie (Avondmaal) daarin wil hij letterlijk in ons wonen. En dan kunnen we heel intiem met Hem spreken. En we bidden heel vaak het Onze Vader, en gebed rechtstreeks tot de Vader.

vrijdag 17 augustus 2012

Wat moet je belijden/geloven om Katholiek te mogen worden?

Om katholiek te worden moet je de hele katholieke leer geloven en belijden. En die katholieke leer omvat in ieder geval de zogenaamde dogma's. De kerk heeft in de loop van de eeuwen vastgelegd welke zaken voor ons geloof essentieel zijn. Voorbeelden van deze dogma's zijn dat God Drie-enig is, dat Maria ten hemel opgenomen is en dat het brood bij de H. Mis werkelijk Christus lichaam wordt en de wijn zijn Bloed. Maar ook de onfeilbaarheid van de paus is als dogma afgekondigd (dit dogma betekent niet dat de paus geen zonden doet en ook niet dat alles wat de paus zegt onfeilbaar is, meer hierover in dit artikel). Er is echter geen lijstje met dogma's of geloofspunten die verplicht zijn en 'vrijblijvende' punten.

Maar wanneer iemand zegt deze waarheden te geloven wil dat natuurlijk niet zeggen dat ons gevoel het altijd helemaal eens is met die geloofsbelijdenis. De Kerk vraagt niet het onmogelijke, en iedere gelovige zal wel eens momenten kennen van twijfel of onbehagen. Maar we moeten de waarheid die de Katholieke Kerk leert wel aanvaarden als de waarheid die God ons door de Kerk heeft geopenbaard.

woensdag 18 juli 2012

Waarom noemen we een priester Pater, Father, Père, … ?

De Joden noemden sommige personen ‘vader’ om een geestelijke relatie aan te geven. We vinden hier een voorbeeld in het leven van de profeet Eliseus: “Toen Eliseus was aangetast door de ziekte, waaraan hij sterven zou, kwam koning Joasj van Israël hem bezoeken, en riep al wenende uit: Vader, vader, Israëls strijdwagens en ruiterij!” (2 Kg. 13:14).
Een bevestiging hiervan zien we in verschillende passages in het Nieuwe Testament. Lees hier verder.....

Waarom zou God rijk versierde kerken willen?

Waarom zou God rijk versierde kerken willen?

God kijkt naar het hart van mensen, niet naar het uiterlijk vertoon.

Het is volledig on-Bijbels om kerken níet te versieren. Waarom? Omdat de Bijbel ons zwart op wit het tegenovergestelde leert. In het Oude Testament beschrijft God aan Mozes hoe hij vereerd wil worden. Mozes werd opgedragen om een rijk versierde tabernakeltent te maken (Ex. 25-40). God is zeer specifiek in zijn beschrijving: Alléén de meest edele metalen en meest kostbare stoffen mochten gebruikt worden. In de zestien hoofdstukken, die het tabernakel beschrijven, komen de woorden goud en zilver maar liefst 87 en 23 keer voor! In hoofdstuk 25 alléén al komt het woord goud 18 keer voor op een totaal van 40 verzen. Lees hier verder.....

zaterdag 26 november 2011

Leiden al die beelden in de kerk niet af?

Veel protestanten vinden dat al die beelden in de kerk afleiden van Christus, afleiden van de essentie waar het om gaat. Een analogie kan hierbij verhelderend werken (analogie afkomstig van Patrick Madrid).
Ik bezocht eens een Koning:

Scenario 1: Ik ging naar een majestueus kasteel. De muren van het hof waren prachtig versierd en er liepen hovelingen in lange gewaden. De musici speelden prachtige muziek. Er stonden beelden van de grootse adellijken van het verleden. Vooraan in het hof stonden twee tronen. Een voor de Koning en een voor de koningin. Iedereen in het hof had grote eerbied voor de koningin. Ze knielden voor haar, kusten haar hand en tilden de sleep van haar jurk op wanneer ze liep. Maar ze wisten wie alle autoriteit toekwam. Namelijk de Koning. Wanneer ze hem zien toont iedereen diep respect. Ze willen Hem dienen. Ze weten dat Hij de Heer is die alle macht heeft. De prachtige koningin aan zijn zijde, de mooie versieringen aan de wand, de beelden en de muziek dienen slechts tot meerder eer en glorie van Hem. Al die schoonheid om hem heen maken Hem slechts verhevener (dit is het Katholieke beeld, een beeld van de hemel zoals dat in Openbaringen beschreven wordt).

Scenario 2: Daarna kwam ik in een lege zaal – een loods. De muren waren kaal. Je ziet er niemand. Vooraan zit de Koning alleen op een simpele stoel (dit is ongeveer het Protestantse model).

dinsdag 4 oktober 2011

Heeft Maria gezondigd in Lucas 2 vers 48?

"44 In de veronderstelling dat Hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze Hem gingen zoeken bij familie en kennissen. 45 Maar toen ze Hem niet vonden, keerden ze naar Jeruzalem terug om Hem daar te zoeken. 46 Pas na drie dagen vonden ze Hem in de tempel; Hij zat er midden tussen de rabbi’s, luisterde naar hen en stelde hun vragen. 47 Allen die Hem hoorden, stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. 48 Toen ze Hem daar zagen, waren ze zeer ontdaan. Zijn moeder zei: ‘Kind, hoe kon je ons dit aandoen? Wat waren je vader en ik ongerust toen we je kwijt waren.’ 49 Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bij mijn Vader moest zijn?’ 50 Maar zij begrepen deze uitspraak niet. 51 Hij ging met hen mee naar Nazaret, en schikte zich naar hen. Zijn moeder bewaarde alles in haar hart.” (Lucas 2)

Een moeder die haar kind drie dagen lang kwijt is is vanzelfsprekend heel erg bezorgd, daar is niets zondigs aan. Integendeel, wanneer zo’n moeder niet bezorgd zou zijn is dit zondige onverschilligheid. Maria vraag is dan ook heel logisch, Kind waarom heb je ons dit aangedaan, we waren verschrikkelijk bezorgd? Jezus vermaand haar dan ook niet, toen Hij zei: “Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bij mijn Vader moest zijn?” Jezus laat haar hiermee wel zien dat ze nog een stuk inzicht mist, maar ook dat is geen zonde. Zij was immers niet alwetend en wist dus ook niet waar Jezus was en moest nog groeien in inzicht in Zijn werk en roeping. Maria bewaarde al deze woorden in haar hart (vers 50). En Jezus gehoorzaamde zijn ouders en schikte zich naar hen (vers 50), dat kon Hij toch niet wanneer Maria gezondigd zou hebben met haar woord aan Hem gericht.
Er is in dit gedeelte dus geen sprake van zonde bij Jezus (vanzelfsprekend), maar ook niet aan de kant van Maria. Maria is hier een liefdevolle en zorgzame moeder die de woorden van haar Zoon in haar hart bewaard.

vrijdag 23 september 2011

Kunnen Katholieken hier op aarde zeker zijn van hun zaligheid?

Deze tekst is geschreven naar aanleiding van een vraag van een lezer.

Protestanten menen over het algemeen dat je als Christen zeker kan zijn van je zaligheid. Ze baseren dit op onder andere de volgende teksten. Rom. 5, 9: "Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door hem behouden worden van de toorn". Op zich behoeft dit geen zekerheid te betekenen, maar het kan ook een groot vertrouwen betekenen. Aangezien het vooral teksten van St. Paulus zijn, die doen zien, dat men de heiligmakende genade en daardoor het recht op de hemel kan verliezen, kán het ook alleen maar een groot vertrouwen betekenen. St. Paulus drukte zich wel meer zo uit. In 2 Tim. 4, 7-8 lijkt hij wel zeker te zijn van zijn zaligheid: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Here, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal." Toch is dat slechts een groot vertrouwen, want in 1 Cor. 4, 4 zegt hij: "Want ik ben mijzelve van geen ding bewust, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar die mij oordeelt is de Here." 1 Joh. 3, 9 zou die zekerheid óók leren: "Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren." Hier lijkt geleerd te worden, dat als men de genade eenmaal heeft ontvangen, deze niet meer door een doodzonde verloren kan gaan. Niettemin zagen we verschillende teksten, die zeggen, dat het wel kan. Ja, zelfs even tevoren zegt Johannes zelf in Joh. 2, 28: "En nu kinderkens, blijft in hem". Men kan dus de gemeenschap met God van de heiligmakende genade verliezen, want anders behoefde deze aansporing niet gedaan te worden. We kunnen bovenstaande tekst daarom als volgt verklaren: Zolang men de heiligmakende genade bezit, doet men geen doodzonde, want zodra men een doodzonde doet, gaat zij op hetzelfde ogenblik verloren.

vrijdag 8 april 2011

Onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren...

De tekst uit Hand. 17 over de mensen van Berea wordt vaak misbruikt.
Natuurlijk kunnen en mogen we ook zelf de Schriften nagaan, Katholiek zijn houdt niet in dat je je verstand uitschakeld. Integendeel.
Maar de mensen van Berea waren edeler dan die van Thessaloníca, niet omdat die van Thessaloníca automatisch accepteerden wat H. Paulus zei, terwijl de mensen Berea eerst kritisch onderzochten of het wel waar was wat H. Paulus zei. Dat is niet de tegenstelling die hier gemaakt wordt. Lees maar eens het hele stuks door. Maar de mensen van Berea waren edeler omdat ze niet zo'n onrust stookten, zoals die van Thessaloníca wel deden, zie vers 1-9.
Verder staat er in vers 11 dat ze het woord van Paulus met alle toegenegenheid en bereidwilligheid aanvaarden. Niet pas nadat ze gecontroleerd hadden of het wel zo in de H. Schrift staat. De eerste geloofsverkondigers betoogden steeds tegenover de Joden, dat de voorspellingen uit het Oude Testament aangaande de Verlosser in Christus vervuld waren. Het was heel verstandig, om deze voorspellingen dan eens na te slaan, wat de mensen uit Berea dan ook deden. Veel van de verkondiging van de H. Paulus konden ze echter niet in de Schriften nagaan, bijvoorbeeld dat ze in de Nieuwe Bedeling niet meer besneden hoefden te worden en wel varkensvlees mochten eten. Dat de vrouw het hoofd in de kerk moet bedekken etc.
Samengevat: Hand. 17 is geen bewijsplaats voor het principe van Solo Scriptura.

donderdag 23 september 2010

Waarom gaat een Katholiek naar een priester om zijn zonden te biechten, in plaats van zich direct tot God te richten?

Welnu, het korte antwoord is omdat dit de weg is zoals God wil dat we het doen. In Jakobus 5:16, in de Heilige Schrift leert God ons "belijdt elkander de misdaden, en bidt voorelkander". Aantekening, de Schrift zegt niet dat we onze zonden direct tot God en enkel en alleen tot God moeten belijden… het zegt dat we onze zonden aan elkaar moeten belijden.

In Mattheüs 9:6 verteld Jezus ons dat Hem het gezag op aarde was gegeven om zonden te vergeven. En vervolgens in vers 8 vertelt de Schrift ons dat dit gezag is doorgegeven aan "den mensen"… in meervoud.

Wat is het eerste dat Jezus aan de aanwezige discipelen zegt op de avond van Zijn Opstanding (Johannes 20:21-23)? "Vrede’, zei Jezus nogmaals. "gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden." Hoe heeft de Vader Jezus gezonden? Welnu, we zagen in Mattheüs 9 dat de Vader Jezus gezonden heeft met het gezag om zonden te vergeven. Jezus zendt zijn discipelen uit zoals de Vader Hem uitgezonden heeft… dus, met welk gezag zendt Jezus zijn discipelen uit? Het gezag om op aarde zonden te vergeven. En, in het geval ze het niet begrepen, zeggen de verzen 22-23 het volgende, "En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest. Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden."

Waarom zou Jezus de Apostelen het vermogen geven om zonden te vergeven of niet te vergeven als Hij niet verwachtte dat mensen hun zonden bij hen zouden belijden? En hoe zouden zij zonden wel of niet kunnen vergeven wanneer niemand zijn zonden bij hen zou belijden?

De Bijbel leert ons om onze zonden aan elkaar te belijden. Het vertelt ons ook dat God de mens het gezag gegeven heeft om zonden te vergeven. Wanneer Katholieken hun zonden belijden aan een priester, volgen we eenvoudig het plan welke is uitgevouwen door Jezus Christus. Hij vergeeft zonden door de priester… het is Gods Kracht, maar Hij kanaliseert die kracht door de tussenkomst van de priester.

zondag 12 september 2010

Heeft de Inquisitie zeer veel mensen ter dood gebracht?

Vele slachtoffers zijn inderdaad gevallen, hoewel het aantal veelal zeer overdreven wordt. Niet alles, wat op naam van de Inquisitie staat, komt ook voor rekening van de Katholieke Kerk. Dikwijls werd er door de politiek misbruik van gemaakt, om tegenstanders uit de weg te ruimen. Dit was o.a. het geval met Jeanne d'Arc, die tijdens de honderdjarige oorlog in Frankrijk door de Engelsen ter dood werd gebracht, maar die later door de paus nog wel heilig verklaard werd. Dit was vooral het geval in Spanje. Daardoor was ook in de Nederlanden de invloed van de politiek op de kerkelijke Inquisitie groot. De Bloedraad van Alva was geheel een staatsinstelling. Onder de slachtoffers der Inquisitie waren echter ook vele Wederdopers, die, als staatsgevaarlijke revolutionaire elementen, ook door de andere Protestanten ter dood gebracht werden.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

Volgens schattingen van de Britse historicus Henry Kamen is het aantal slachtoffers dat door de inquisitie terechtgesteld is in europa over een periode van 350 jaar tweeduizend. Dat zijn er ongeveer 6 per jaar. (Bron: Dinesh D' Souza, 'Het Christendom is zo gek nog niet')

donderdag 9 september 2010

Hebben de Jezuïeten geen enkel laag middel ontzien om de Hervorming te bestrijden en de macht van Rome te versterken?

Met het Concilie van Trente is de ware hervorming ingezet, ook wel Contrareformatie genoemd, die vooral onder de leiding van de Jezuïeten stond, op wie de vijanden der Kerk dan ook zeer gebeten zijn en over wie allerlei gruwelen de ronde doen.

De lasteringen tegen de Jezuïeten worden vooral geput uit de boeken "Monita Secreta" van een afgevallen Jezuïet, de "Lettres provinciales" van Pascal, en "De Rege" van Mariana. Het eerstgenoemde geeft zich uit voor geheime richtlijnen door de generaal der orde, Aquaviva, aan enkele ingewijde leden der orde gegeven, betreffende allerlei middelen om in macht toe te nemen. Het heette naar een oorspronkelijke uitgave in het Spaans te zijn samengesteld. Deze uitgave heeft men echter nooit kunnen ontdekken. De inhoud van het boek is ook zó overdreven, dat het zichzelf weerlegt. Wat de "Lettres provinciales" van Pascal betreft, kan volstaan worden met te zeggen, dat zelfs een Voltaire in zijn "Siècle de Louis XIV" ze "onsterfelijke leugens" heeft genoemd. Mariana, een Jezuïet, leerde in "De Rege" de geoorloofdheid der tirannenmoord. Het boek werd door de generaal der orde verboden en de uitgave gestaakt. Het was echter reeds in handen van Protestanten gekomen, en is sindsdien door hen ijverig herdrukt, als afzichtelijk voorbeeld van de Jezuïtische moraal.

Men wrijft de moraal der Jezuïeten vooral het beginsel "het doel heiligt de middelen" aan. Algemeen wordt dit door de Protestanten beweerd, maar men heeft het nog nooit uit geschriften van de Jezuïeten kunnen bewijzen. Ook de zgn. "kadavergehoorzaamheid" der Jezuïeten is een bron van lasteringen, terwijl het toch de allergrootste zelfverloochening is. Volgens de Constitutiones van de stichter der orde, St. Ignatius van Loyola, moet de Jezuïet aan zijn oversten gehoorzamen als een lijk, "perinde ac cadaver", dus met algehele verloochening van eigen wil. De Jezuïetenorde ontleende daaraan haar grote weerbaarheid. De Constitutiones verplichten hiertoe "onder zonde". Haar belagers hebben hiervan gemaakt "tot zonde".

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

woensdag 8 september 2010

Zijn er verschillende slechte pausen geweest?

Zelfs bij de pauskeuze ging de politiek een rol spelen, de paus was immers ook bestuurder van de Kerkelijke Staat. De vorsten van Frankrijk en Duitsland en adellijke geslachten oefenden daarom op de pauskeuze vaak invloed uit. Daardoor zijn er wel eens tegenpausen geweest, en ontstond tijdelijk het Westerse Schisma, omdat men niet goed meer wist, wie nu eigenlijk paus was. Dergelijke pausen hadden dikwijls meer belangstelling voor de kunst der Renaissance en voor politiek, dan om de zo nodige hervorming der kerkelijke tucht door te voeren. Toch moet men erkennen, dat God zijn Kerk wonderbaar heeft bijgestaan. Er zijn onwaardige pausen geweest, maar geen dezer heeft de kerk in dwaling gebracht, zoals wij in dit geschrift betogen.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

Was de Kerk bij de Hervorming in sterk verval?

De tucht wel, de leer niet. Dit verval is niet te verontschuldigen, maar wel verklaarbaar. De Kerk had veel goeds gedaan door de kerstening van onbeschaafde volken. De keerzijde was echter, dat zij nu in de politiek betrokken werd. De vorsten vertrouwden zózeer op de geestelijkheid, dat zij hun wereldlijke gebieden te besturen gaven. Goed bedoeld, werd zo het ambt van bisschop en abt van een klooster een begerenswaardige positie voor onwaardigen. Jongere zonen van adellijke heren wisten zich hiertoe bij de vorsten in te dringen. Het bestuur van bisdom en klooster in geestelijke zaken lieten dezen vaak aan ondergeschikten over, ontvingen dikwijls niet eens de bisschopswijding en lieten zich dan alleen met politieke zaken, zelfs oorlog, in.

Het slechte voorbeeld der hogere geestelijkheid werkte aanstekelijk op de lagere rangen. Ook daar had men eenzelfde verschijnsel, doordat rijke heren kerken lieten bouwen, waaraan zij rijke inkomsten verbonden, maar zich dan ook het benoemingsrecht der geestelijkheid voorbehielden. Toch moet men erkennen, dat aan de geestelijkheid niet zozeer zedeloosheid als wel onwetendheid ten laste gelegd kan worden.
De Kerk heeft aan heel deze toestand een einde gemaakt door op het Concilie van Trente de oprichting van priesterseminaries te gelasten. De toekomstige geestelijkheid wordt daar geoefend in deugd en wetenschap en onwaardigen worden afgewezen. Daardoor is de hervorming gebracht, n.l. van de tucht. De zg. Hervorming bracht echter een hervorming van de leer. Het verval der geestelijkheid was hiertoe aanleiding, men verwierp alle tussenkomst van mensen, om zich alleen te beroepen op Gods genade. De Hervorming was daardoor een misvorming.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

Waren de Middeleeuwen donker en vol bijgeloof?

De toestand der Kerk vóór de Hervorming wordt door de Protestanten zo donker mogelijk gekleurd, om daardoor des te helderder het licht van de Hervorming te doen schijnen. Van de Middeleeuwen wordt daarom het goede verzwegen en het kwade overdreven.

In de Middeleeuwen was er echter veel goeds. Alle mensen waren katholiek, waardoor men ook in het maatschappelijk leven één was van beginsel, en niet de verdeeldheid kende van thans. Het maatschappelijk samenwerken was gebaseerd op de gilden. Slechts bekwaamheid werd daarin geteld, zodat ieder zich kon opwerken van leerling tot gezel en meester. De productie geschiedde in overleg, zodat oneerlijke concurrentie van buitengesloten. Handel en nijverheid waren locaal, thans internationaal. Daarom kunnen de gilden nu niet zonder meer overgenomen worden, maar het beginsel daarvan is het ideaal van een nieuwe, corporatieve maatschappij, waarin de beroepen die elkander nodig hebben samenwerken en alle medewerkenden medezeggenschap hebben.
Ook in de kunst stonden de Middeleeuwen zeer hoog. Uit die tijd dateren de prachtige gothische kathedralen, die wij thans nog bewonderen, zoals te Parijs, Reims, Rouen, Breda, 's-Hertogenbosch. Het is een tijd van grote schilders, als Frankrijk Angelico, Gebr. Van Eyck. De monniken schreven de boeken, o.a. de Bijbel, over en verluchtten deze met hun miniaturen. Het is de tijd van grote dichters, als Dante. Het is de tijd van de mysteriespelen, waardoor de geheimen der feestdagen nader tot het volk werden gebracht.

In deze tijd bloeide ook de kerkelijke wetenschap als in geen latere eeuw. In die tijd leefden de grootste theologen in de Katholieke Kerk, zoals St. Thomas van Aquino, de H. Bonaventura, de H. Albertus Magnus. Er waren beroemde universiteiten, als die te Padua, Bologna, Parijs.

Als schaduwzijde van de Middeleeuwen wordt het bijgeloof zeer overdreven. Men vergeet te licht, dat de heidense volkeren van Europa toen nog slechts kort tot het Christendom bekeerd waren. De zeden waren daardoor nog wat ruw. De Middeleeuwer kon zwaar zondigen, maar ook zwaar boete doen. Zo mag het ook niet verwonderen, dat na vele eeuwen van louter heidendom, de neiging tot bijgeloof niet ineens uitgerukt kon worden, al trad de Kerk daarentegen streng op, als thans, na zovele eeuwen Christendom, wanneer het ongeloof kwijnt, aanstonds het bijgeloof het hoofd weer opsteekt. Dat laatste zien we nu voor onze ogen gebeuren.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

vrijdag 3 september 2010

Waarom houdt de Katholieke Kerk processies?


Een processie is vanouds een plechtige omgang van geestelijken en gelovigen binnen of buiten het kerkgebouw. Men zingt liederen en hymnen en bidt litanieën en andere gebeden. In dit artikel Bijbelse achtergronden voor dit gebruik, maar ook een blik terug in de Traditie van de Kerk.

We beginnen bij de Joodse traditie, het Loofhuttenfeest. Bij het Loofhuttenfeest wordt aan de doortocht van het bevrijde volk door de woestijn gedacht. Daarom moet men tijdens dit feest zeven dagen in een hut van bladeren wonen. Bij dit feest wordt een palmtak in de hand gehouden (Lev. 23: 40) tijdens de dagelijkse rondgangen om het spreekgestoelte en tijdens het reciteren van de Hallel (de lofpsalmen 113-118). Vóór de verwoesting van de Tempel, vond de dagelijkse rondgang plaats om het brandofferaltaar. De laatste dag liep men dan zevenmaal om het altaar. Er werden op die dag veel offers gebracht, Levitische gezangen gezongen en overal werd het plechtige geschal van de zilveren trompetten van de priesters gehoord. 's Avonds werd het indrukwekkende schouwspel van de Tempel, met zijn drommen pelgrims, schitterend verlicht door de grote kandelaars in de voorhof der vrouwen en door de gloed van talloze fakkels die rondom in de voorhoven van de Tempel waren geplaatst. Daarmee was het Loofhuttenfeest ook een echt lichtfeest. In later tijden is in Jeruzalem een uitbundig 'waterschepfeest' aan het Loofhuttenfeest toegevoegd. In een plechtige processie werd water, dat uit de Siloam-bron geschept was, naar het tempelplein gebracht om daar uitgegoten te worden. Dat ging gepaard met zeer grote vreugde. In de gebeden werd God gevraagd om Zijn zegen en om regen in het nieuwe seizoen.

donderdag 2 september 2010

Liet de paus na de Bartholomeusnacht een "Te Deum" zingen?

In 1572 trad de leider van de Hugenoten in het huwelijk met de zuster van de koning van Frankrijk. Dit geschiedde onder invloed van de Coligny, die oorlog met Spanje wilde, om de Nederlanden te helpen. De regentes wilde aan deze invloed op de jonge koning een einde maken, door tijdens de bruiloft de Guises, die de dood van hun vader wilden wreken, een aanslag op de Coligny te laten plegen, die echter mislukte. 4000 gewapenden van de Hugenootse adel waren op de bruiloft aanwezig. Een nieuwe burgeroorlog dreigde. Ten einde raad werden toen enige dagen na het huwelijk de Coligny en vele aanhangers vermoord. Dit geschiedde in de nacht van de feestdag van St. Bartholomeus. Daarom spreekt men van de St. Bartholomeusnacht, ook wel Parijse Bloedbruiloft genoemd. Ook het gepeupel raakte in beweging. In Parijs vielen 2000 slachtoffers, buiten Parijs 5000. Het was werkelijk afschuwelijk. Uit schaamte maakte men toen de paus wijs, dat een samenzwering van de Protestanten tijdig ontdekt en gestraft was, zonder te vermelden wat men zelf gedaan had. De paus liet toen het gebruikelijke danklied "Te Deum" zingen.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

woensdag 1 september 2010

Was Calvijn aansprakelijk voor het schrikbewind te Genève?

Het is waar, dat dit bewind werd uitgeoefend door de Raad van Genève. Calvijn gaf hiervoor echter de richtlijnen, ten gevolge waarvan meer dan de helft van de oorspronkelijke bevolking de stad verliet. Calvijn's invloed op de Raad was zeer groot, al stribbelde hij wel eens tegen. Wanneer hij het niet met die gestrengheid eens was, had hij al zijn invloed moeten aanwenden om dat te voorkomen. Maar hij was het er wel mee eens, want hij schreef zelfs in zijn brieven, dat hij het jammer vond, dat de Raad zo langzaam was in zijn processen en zo bedachtzaam met vonnissen. Michaël Servet liet hij als ketter verbranden, hoewel niet eens een inwoner van Genève. Naar aanleiding daarvan schreef hij een boek, getiteld: "Verdediging van het orthodoxe geloof over de H.Drievuldigheid , tegen de monsterachtige dwalingen van de Spanjaard Michaël Servet, waarin aangetoond wordt, dat de ketters met het zwaard bedwongen moeten worden." Aldus ook Luther. Hoewel hij zei: "Men moet de ketters met de H. Schriften, niet met het vuur winnen", spoorde hij bijv. toch keurvorst Johan van Saksen aan, dat hij "de afgodendienaars zal aangrijpen"(1526).

Ook uit het optreden der Protestanten blijkt dus, dat veel van het harde optreden tegen andersdenkenden door de tijdsomstandigheden verklaard moet worden. Wel zijn er veel minder Protestanten dan Katholieken ter dood gebracht, maar de Katholieke Kerk was dan ook de algemeen gevestigde leer, die zich te verdedigen had.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

zaterdag 28 augustus 2010

Hoe zou men verdienen, terwijl men door de erfzonde "onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad" is?

Volgens de Protestanten kan men nog wel burgerlijk goed verrichten, maar op God kan men zijn daden zó weinig richten, dat dit aanstonds weer door het kwaad in de mens te niet gedaan wordt. Door Gods genade gaat het echter beter. Het goede is daardoor alleen het werk van God.

Dit steunt op de mening, dat de geneigdheid tot het kwaad op zich zondig is, en dat er geen verschil van wezen, maar slechts in graad, is tussen doodzonden en dagelijkse zonden, wat wij bestrijden. Als dat waar was, zou er inderdaad geen ogenblik zijn, dat men geen zonde doet. De H. Schrift leert wel, dat de mensen zeer veel zonden doen. Dit is begrijpelijk, door de geneigdheid tot het kwaad. Men is echter nog bekwaam om in vrijheid met Gods genade mee te werken, waardoor Hij ons bijstaat om het goede te doen. Zonder genade, wanneer men deze nl. weigert, is het echter uiterst moeilijk lang in het goede te volharden.

Nergens leert de H. Schrift volstrekte onbekwaamheid tot het goede. Ps. 14:1-3: "De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God; en zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk, daar is niemand die goed doet. De Here heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht: zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden, daar is niemand die goed doet, ook niet één". Het Joodse volk valt hier echter niet onder, blijkens vers 4: "Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten alsof zij brood aten?" In Rom. 3:10-12 past Paulus vers 1-3 juist toe op de Joden. Zo blijkt dat men deze woorden niet zo ernstig moet nemen als zij klinken. Gen. 6:5-9: "En de Here zag dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was..... Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijne geslachten." Het slaat dus niet op alle mensen. Ps. 51:7: "Zie, ik ben in ongerechtigheden geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen". David kan hier met "zonde" de geneigdheid tot het kwaad bedoelen, omdat die een gevolg is van de erfzonde en tot zonde leidt. Waarschijnlijker is echter, dat hij zijn eigen zonden bedoelt, daar de psalm een schuldbekentenis is. Hij geeft dan in zijn droefheid in overdreven bewoordingen te kennen, dat hij reeds van kindsbeen af gezondigd heeft. Uit al deze teksten blijkt dus geen volstrekte onbekwaamheid tot het goede, maar wel, dat het zonder de genade uiterst moeilijk is.

Door de heiligmakende genade staan wij in verbinding met Christus. Hij is de wijnstok, wij zijn de ranken. Wij putten uit Hem levensappen, de hulp van zijn genade, waardoor het goddelijk leven steeds meer in ons groeit. Daardoor neemt ook in ons het vermogen in kracht toe om God in de hemel te kennen en lief te hebben. Wij kunnen daaraan vrij meewerken. Daarom spoort de H. Schrift ons aan, deze genade niet te verliezen, maar ze toe te doen nemen. Bijv. 2 Petr. 3:17-18: "Gij dan, geliefden, wacht u dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid; maar wast op in de genade en kennis onzes Heren en Zaligmakers Jezus Christus."

Alleen goede werken die wij door Gods genade kunnen verrichten zijn daarom van waarde. In deze geest moet men derhalve de volgende teksten zien, niet van onbekwaamheid om vrijwillig mede te werken: Joh. 15:4-5: "Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in de wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, en gij de ranken: die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder mij kunt gij niets doen." Filipp. 2:12-13: "Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen." 2 Cor. 3-5: "Niet dat wij van onszelve bekwaam zijn iets te denken als uit onszelve, maar onze bekwaamheid is uit God."

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

Zijn we door het geloof zeker van onze zaligheid?

St. Paulus zegt in Rom. 5:9: "Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door hem behouden worden van de toorn". Op zich behoeft dit geen zekerheid, maar kan het een groot vertrouwen betekenen. Aangezien het juist vooral teksten van St. Paulus zijn, die doen zien, dat men de heiligmakende genade en daardoor het recht op de hemel kan verliezen (antw. 12), kán het ook alleen maar een groot vertrouwen betekenen. St. Paulus drukte zich wel meer zo uit. In 2 Tim. 4:7-8 lijkt hij wel zeker te zijn van zijn zaligheid: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Here, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal." Toch is dat slechts een groot vertrouwen, want in 1 Kor. 4:4 zegt hij: "Want ik ben mijzelve van geen ding bewust, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar die mij oordeelt is de Here."

1 Joh. 3:9 zou die zekerheid óók leren: "Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren." Hier lijkt geleerd te worden, dat als men de genade eenmaal heeft ontvangen, deze niet meer door een doodzonde verloren kan gaan. Niettemin zagen we verschillende teksten, die zeggen, dat het wel kan. Ja, zelfs even tevoren zegt Johannes zelf in Joh. 2:28: "En nu kinderkens, blijft in hem". Men kan dus de gemeenschap met God van de heiligmakende genade verliezen, want anders behoefde deze aansporing niet gedaan te worden. We kunnen bovenstaande tekst daarom als volgt verklaren: "Zolang men de heiligmakende genade bezit, doet men geen doodzonde, want zodra men een doodzonde doet, gaat zij op hetzelfde ogenblik verloren.

Christus zelf leerde deze zekerheid, want hij zei: "Mijne schapen horen mijne stem, en ik ken ze, en zij volgen mij, en ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken. Mijn Vader die ze gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders." (Joh. 10:27-29). Hier wordt gezegd, dat er uitverkorenen zijn tot het eeuwige leven. Van eeuwigheid is door God vastgesteld, wie dat zijn, en daarom aan Hem bekend. Of het aan de uitverkorenen zelf bekend is, wordt niet gezegd. Daar de zekerheid van de zaligheid niet voortvloeit uit het bezit van de genade, welke men door het geloof deelachtig wordt, zoals de Protestanten leren, maar wel aan God bekend is, kan men het slechts door een bijzondere openbaring van God te weten komen, zoals bijv. aan de goede moordenaar.

Deze onzekerheid doet geen afbreuk aan de blijdschap van het evangelie, zoals men wel beweert. Al verlangt God medewerking met de genade, behoeven de goede werken toch niet op te wegen tegen het loon, wat ook niet kan, en helpt Hij daarbij krachtig. Aldus kan medewerking met de genade juist een zeer groot vertrouwen verschaffen van te zullen volharden.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)