Blog waarop veel voorkomende vragen die protestanten hebben over het rooms katholieke geloof beantwoord worden. Met veel bekeringsverhalen. En uitleg over hoe je katholiek wordt.
Posts tonen met het label wonderen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wonderen. Alle posts tonen
zaterdag 25 april 2020
zaterdag 2 december 2017
§ 59. Kan de Katholieke Kerk tegenwoordig nog steeds met trots wijzen op wonderen?
Dat kan zij ongetwijfeld. Men is absoluut niet verplicht meteen elk wonder te geloven wat door de eerste de beste wordt verteld; Integendeel, we moeten daarbij, zoals het gezond verstand vereist, heel voorzichtig te werk gaan.
Maar, ook al moet men hiermee voorzichtig handelen, is het ook zo dat het kinderachtig en belachelijk is om gewoon alle wonderen te bestempelen als onnozele verzinsels, of zoals ook wel eens gezegd wordt: ik geloof niet in wonderen als ik het zelf niet heb gezien. Zo spreken is gewoon bespottelijk. Waarom? Omdat er veel wonderen zijn, waarvan de waarheid op z’n grondigst is onderzocht en door de meest geloofwaardige getuigen onder eed is bevestigd; om dan te zeggen: ik geloof het niet omdat ik het niet gezien heb, is hetzelfde als wanneer iemand zeggen zou: ik geloof niet dat Napoleon de slag bij Waterloo heeft verloren want ik ben er zelf niet bij geweest, ik heb het zelf niet gezien. Dat is kinderachtig.
Stelt u zich eens voor, u, A, heeft met eigen ogen een wonder gezien, dus u gelooft het. Dat kan, maar B heeft het niet gezien en C net zo goed niet, enz. Wat moet men dan, als zij ook niet geloven zonder het gezien te hebben. Kortom, waar moest het heen als men geen waarde hechtte aan het goed gewaarborgd getuigenis van anderen? Wat zou er overblijven van de hele geschiedenis, als men alleen datgene zou geloven wat men zelf gezien had? Er gebeuren namelijk voortdurend miljoenen dingen, waarvan men (vooral ’s nachts) heel weinig zelf te zien krijgt. Is het nu gepast en mogelijk om dat allemaal te loochenen of te betwijfelen? In veel gevallen moeten wij dus wel bouwen op andermans getuigenis; en net zoals het gepast is op dit getuigenis te steunen als het inderdaad geloofwaardig is, net zo onzinnig is het in hetzelfde geval zo’n getuigenis te verwerpen.
Ik wil het volgende opmerken om te bewijzen dat er in de Katholieke Kerk door de eeuwen heen ware wonderen zijn gebeurd, en nog steeds gebeuren: U weet dat de Katholieke Kerk duizenden Heiligen heeft, en dit wordt steeds meer. Er gaat geen jaar voorbij of er wordt door de Kerk wel één of meer van haar kinderen heilig verklaard, en hiermee dus voor de gelovigen ter verering wordt voorgesteld. Welnu, er wordt, volgens de eeuwenoude wetten en gebruiken, niemand heilig verklaard zonder dat zijn heiligheid is bevestigd door verschillende wonderen. En hoe gaat de Kerk te werk bij het onderzoeken van zulke wonderen? Zo voorzichtig en streng, dat het de scherpste kritiek te schande zet. Ik verzeker u dat er geen enkel gerechtshof in de wereld is, dat om zeker van zijn beslissing te zijn, zoveel voorzorgsmaatregelen neemt als de Kerk doet bij haar onderzoek naar de authenticiteit van deze wonderen. Dit onderzoeken gebeurt altijd door de meest bekwame en geleerde mannen. Hun beslissing wordt opnieuw voorgelegd aan het oordeel van andere geleerden. En dan wordt er ook nog altijd iemand aangesteld om alle moeilijkheden uit te denken en op te werpen, die tegen de echtheid van die wonderen zouden kunnen worden ingebracht. Hiermee duurt zo’n onderzoek vaak niet alleen dagen en weken, maar vaak vele jaren.
Het volgende mag voor u een voorbeeld zijn dat de Kerk bij het beoordelen van wonderen met de uiterste zorg te werk gaat:
Kardinaal Lambertini (later Paus Benedictus XIV) ontving eens een bezoek van een geleerde Engelse Protestant. Dit was net op het moment dat men in Rome bezig was met de voorbereidingen van een heiligverklaring. De wonderen, waarop deze heiligverklaring moest steunen, waren goed onderzocht en in een groot boek uiteengezet.
Dat boek lag voor de Kardinaal op tafel en hij bood het de Engelsman aan, om, als hij wilde, er eens in te kijken. Deze nam het mee naar huis en las het heel aandachtig door. Toen hij het aan de Kardinaal teruggaf, vroeg deze hem: ‘Wat denkt u over de wonderen waarover u in het boek gelezen hebt?’ ‘Nou’ zei de Engelsman, ‘als alle wonderen die de Katholieke kerk erkent, zo goed onderzocht en zo duidelijk bewezen worden als deze, dan kunnen we ze gerust aannemen en dan heeft niemand het recht om met de wonderen in de Katholieke Kerk te spotten.’ Daarop zei de Kardinaal: ‘Dan moet ik u zeggen, dat de Katholieke Kerk in haar beoordeling veel strenger te werk gaat dan u, want van alle wonderen in dit boek, is er geen één die door de Kerkelijke rechtbank als ‘voldoende bewezen’ wordt beschouwd. Zij vond ze allemaal te twijfelachtig en als er dus geen duidelijkere wonderen gebeuren, zal diegene op wie zij betrekking hebben, nooit door de Kerk worden heiligverklaard.’ De geleerde was hierdoor volkomen verslagen en bekende eerlijk dat hij alleen uit louter vooroordeel, tot nu toe had getwijfeld aan de authenticiteit van de door de Katholieke Kerk erkende wonderen.
De Katholieke Kerk (en zij alleen) heeft dus ware wonderen, waaronder er duizenden zijn waarvan de authenticiteit door zulke harde bewijzen wordt aangetoond, dat men ze niet in twijfel kan trekken zonder zichzelf belachelijk te maken. We hebben dus gezien dat God geen wonderen kan doen in het voordeel van een valse godsdienst; want dan zouden de mensen door God zelf worden aangespoord tot het aanhangen van een valse godsdienst en dus door God zelf worden bedrogen. Daarom bewijzen die wonderen, die in het voordeel van de Katholieke Kerk gebeurden en nog gebeuren, dat die Kerk de ware Kerk is, door Christus, de Zoon van God, gesticht.
SLOTWOORD
En nu, lezer, wil ik nog één keer herhalen wat ik aan het begin van het boekje heb gezegd: Heeft u werkelijk de zaligheid van uw onsterfelijke ziel lief, bewandel dan de weg die u daarheen leidt. Die weg is het leven in de ware Kerk van Christus. Heeft u gegronde redenen om te twijfelen of u zich in die ware Kerk bevindt, onderzoek dan oprecht, ernstig en volhardend, totdat u over dit allesbeslissende punt, absolute zekerheid hebt ontvangen. Combineer dit onderzoeken met nederig en volhardend te bidden, dat God uw verstand zal verlichten om de waarheid te kennen; Hij uw wil sterk maakt om de gevonden waarheid te omhelzen, te belijden en tot richtsnoer van uw leven te maken. Zo zult u die rust vinden, die u alleen door het bezitten van de waarheid kunt ervaren, zowel hier als in het hiernamaals.
Maar, ook al moet men hiermee voorzichtig handelen, is het ook zo dat het kinderachtig en belachelijk is om gewoon alle wonderen te bestempelen als onnozele verzinsels, of zoals ook wel eens gezegd wordt: ik geloof niet in wonderen als ik het zelf niet heb gezien. Zo spreken is gewoon bespottelijk. Waarom? Omdat er veel wonderen zijn, waarvan de waarheid op z’n grondigst is onderzocht en door de meest geloofwaardige getuigen onder eed is bevestigd; om dan te zeggen: ik geloof het niet omdat ik het niet gezien heb, is hetzelfde als wanneer iemand zeggen zou: ik geloof niet dat Napoleon de slag bij Waterloo heeft verloren want ik ben er zelf niet bij geweest, ik heb het zelf niet gezien. Dat is kinderachtig.
Stelt u zich eens voor, u, A, heeft met eigen ogen een wonder gezien, dus u gelooft het. Dat kan, maar B heeft het niet gezien en C net zo goed niet, enz. Wat moet men dan, als zij ook niet geloven zonder het gezien te hebben. Kortom, waar moest het heen als men geen waarde hechtte aan het goed gewaarborgd getuigenis van anderen? Wat zou er overblijven van de hele geschiedenis, als men alleen datgene zou geloven wat men zelf gezien had? Er gebeuren namelijk voortdurend miljoenen dingen, waarvan men (vooral ’s nachts) heel weinig zelf te zien krijgt. Is het nu gepast en mogelijk om dat allemaal te loochenen of te betwijfelen? In veel gevallen moeten wij dus wel bouwen op andermans getuigenis; en net zoals het gepast is op dit getuigenis te steunen als het inderdaad geloofwaardig is, net zo onzinnig is het in hetzelfde geval zo’n getuigenis te verwerpen.
Ik wil het volgende opmerken om te bewijzen dat er in de Katholieke Kerk door de eeuwen heen ware wonderen zijn gebeurd, en nog steeds gebeuren: U weet dat de Katholieke Kerk duizenden Heiligen heeft, en dit wordt steeds meer. Er gaat geen jaar voorbij of er wordt door de Kerk wel één of meer van haar kinderen heilig verklaard, en hiermee dus voor de gelovigen ter verering wordt voorgesteld. Welnu, er wordt, volgens de eeuwenoude wetten en gebruiken, niemand heilig verklaard zonder dat zijn heiligheid is bevestigd door verschillende wonderen. En hoe gaat de Kerk te werk bij het onderzoeken van zulke wonderen? Zo voorzichtig en streng, dat het de scherpste kritiek te schande zet. Ik verzeker u dat er geen enkel gerechtshof in de wereld is, dat om zeker van zijn beslissing te zijn, zoveel voorzorgsmaatregelen neemt als de Kerk doet bij haar onderzoek naar de authenticiteit van deze wonderen. Dit onderzoeken gebeurt altijd door de meest bekwame en geleerde mannen. Hun beslissing wordt opnieuw voorgelegd aan het oordeel van andere geleerden. En dan wordt er ook nog altijd iemand aangesteld om alle moeilijkheden uit te denken en op te werpen, die tegen de echtheid van die wonderen zouden kunnen worden ingebracht. Hiermee duurt zo’n onderzoek vaak niet alleen dagen en weken, maar vaak vele jaren.
Het volgende mag voor u een voorbeeld zijn dat de Kerk bij het beoordelen van wonderen met de uiterste zorg te werk gaat:
Kardinaal Lambertini (later Paus Benedictus XIV) ontving eens een bezoek van een geleerde Engelse Protestant. Dit was net op het moment dat men in Rome bezig was met de voorbereidingen van een heiligverklaring. De wonderen, waarop deze heiligverklaring moest steunen, waren goed onderzocht en in een groot boek uiteengezet.
Dat boek lag voor de Kardinaal op tafel en hij bood het de Engelsman aan, om, als hij wilde, er eens in te kijken. Deze nam het mee naar huis en las het heel aandachtig door. Toen hij het aan de Kardinaal teruggaf, vroeg deze hem: ‘Wat denkt u over de wonderen waarover u in het boek gelezen hebt?’ ‘Nou’ zei de Engelsman, ‘als alle wonderen die de Katholieke kerk erkent, zo goed onderzocht en zo duidelijk bewezen worden als deze, dan kunnen we ze gerust aannemen en dan heeft niemand het recht om met de wonderen in de Katholieke Kerk te spotten.’ Daarop zei de Kardinaal: ‘Dan moet ik u zeggen, dat de Katholieke Kerk in haar beoordeling veel strenger te werk gaat dan u, want van alle wonderen in dit boek, is er geen één die door de Kerkelijke rechtbank als ‘voldoende bewezen’ wordt beschouwd. Zij vond ze allemaal te twijfelachtig en als er dus geen duidelijkere wonderen gebeuren, zal diegene op wie zij betrekking hebben, nooit door de Kerk worden heiligverklaard.’ De geleerde was hierdoor volkomen verslagen en bekende eerlijk dat hij alleen uit louter vooroordeel, tot nu toe had getwijfeld aan de authenticiteit van de door de Katholieke Kerk erkende wonderen.
De Katholieke Kerk (en zij alleen) heeft dus ware wonderen, waaronder er duizenden zijn waarvan de authenticiteit door zulke harde bewijzen wordt aangetoond, dat men ze niet in twijfel kan trekken zonder zichzelf belachelijk te maken. We hebben dus gezien dat God geen wonderen kan doen in het voordeel van een valse godsdienst; want dan zouden de mensen door God zelf worden aangespoord tot het aanhangen van een valse godsdienst en dus door God zelf worden bedrogen. Daarom bewijzen die wonderen, die in het voordeel van de Katholieke Kerk gebeurden en nog gebeuren, dat die Kerk de ware Kerk is, door Christus, de Zoon van God, gesticht.
SLOTWOORD
En nu, lezer, wil ik nog één keer herhalen wat ik aan het begin van het boekje heb gezegd: Heeft u werkelijk de zaligheid van uw onsterfelijke ziel lief, bewandel dan de weg die u daarheen leidt. Die weg is het leven in de ware Kerk van Christus. Heeft u gegronde redenen om te twijfelen of u zich in die ware Kerk bevindt, onderzoek dan oprecht, ernstig en volhardend, totdat u over dit allesbeslissende punt, absolute zekerheid hebt ontvangen. Combineer dit onderzoeken met nederig en volhardend te bidden, dat God uw verstand zal verlichten om de waarheid te kennen; Hij uw wil sterk maakt om de gevonden waarheid te omhelzen, te belijden en tot richtsnoer van uw leven te maken. Zo zult u die rust vinden, die u alleen door het bezitten van de waarheid kunt ervaren, zowel hier als in het hiernamaals.
zondag 5 november 2017
§ 58. Waarom gebeurden er in de tijd van de Apostelen en in de eerste eeuwen van de Kerk, veel meer wonderen dan tegenwoordig?
Hiervoor bestaat een redelijke verklaring, namelijk dat die vele wonderen vroeger absoluut nodig waren, tegenwoordig niet.
De Apostelen begonnen, nadat ze op het Pinksterfeest de H. Geest hadden ontvangen, aan de verheven taak van de Evangelie-verkondiging, die Christus hen had toevertrouwd. Niet alleen in Judea, maar in alle omliggende en verafgelegen streken traden zij moedig op om overal te verkondigen dat die Jezus van Nazareth, die de Joden aan het kruis hadden genageld, werkelijk God was, en dat zij door Hem waren gezonden om Zijn goddelijke leer te prediken aan alle volken op aarde. Maar vooral die volken die ver weg woonden, hadden waarschijnlijk nog niets gemerkt van de wonderen waarmee Christus Zijn leer bevestigde; bovendien was de leer die de Apostelen als een goddelijke en verplichtende leer voorstelden, regelrecht in strijd met de heidense en zedeloze gebruiken van die diep bedorven maatschappij. Hoe zouden dus die verblinde en ver weggezonken heidenen, de leer van de Apostelen hebben kunnen geloven als God er niet voor gezorgd had, dat de waarheid van deze nieuwe leer met schitterende wonderen werd bevestigd? Vandaar dat Christus aan Zijn Apostelen de macht gaf om door het doen van wonderen te bewijzen dat zij werkelijk een goddelijke zending hadden ontvangen en dus ook hun leer als een goddelijke leer moest worden geloofd en eerbiedigt. Vandaar ook, dat de dood van de eerste Christen-martelaren vaak gepaard gingen met de grootste wonderen. Deze moesten, zoals zoveel stemmen van God, de heidenen toeroepen: de leer, door die Apostelen verkondigd, door die martelaren met bloed bezegeld, is de ware en alleen zaligmakende leer! Hier is de zichtbare vinger van God!
Maar is dat nu nog steeds nodig? Is het nodig dat God in onze dagen weer nieuwe wonderen doet, om de wereld van de goddelijke oorsprong van Zijn Kerk te overtuigen? Nee, absoluut niet; omdat het absoluut niet nodig is om één en dezelfde waarheid steeds opnieuw te bewijzen, als zij eenmaal duidelijk genoeg bewezen is. De vele wonderen, waarvan de wereld in de eerste tijden na Christus getuige mocht zijn, waren het onwankelbare bewijs, dat die Kerk in wiens midden God die wonderen deed, werkelijk de ware Kerk van Christus was, en aan die Kerk (om nog eens te herhalen) stond Petrus, en na hem zijn opvolgers, als Opperherder; die Kerk was de Katholieke Kerk. Maar waarom zou het dan nodig zijn dat God steeds opnieuw wonderen zou doen om de waarheid van die Kerk opnieuw te bevestigen? Nu het voortbestaan van die Kerk, ondanks alle hevige vervolgingen, een voortdurend wonder mag genoemd worden; nu iedereen, die de ogen wil openen voor de schoonheid en de glans van die algemeen verspreide Kerk, met een beetje goede wil makkelijk zal toegeven dat God haar stichter is?
Het is dus makkelijk te verklaren dat de wonderen in onze dagen niet zo vaak voorkomen dat in de tijd van de Apostelen en in de eerste eeuwen na Christus.
De H. Gregorius zegt: ‘men geeft water aan een jonge, pas geplante stek, maar niet meer aan volwassen bomen’.
De Apostelen begonnen, nadat ze op het Pinksterfeest de H. Geest hadden ontvangen, aan de verheven taak van de Evangelie-verkondiging, die Christus hen had toevertrouwd. Niet alleen in Judea, maar in alle omliggende en verafgelegen streken traden zij moedig op om overal te verkondigen dat die Jezus van Nazareth, die de Joden aan het kruis hadden genageld, werkelijk God was, en dat zij door Hem waren gezonden om Zijn goddelijke leer te prediken aan alle volken op aarde. Maar vooral die volken die ver weg woonden, hadden waarschijnlijk nog niets gemerkt van de wonderen waarmee Christus Zijn leer bevestigde; bovendien was de leer die de Apostelen als een goddelijke en verplichtende leer voorstelden, regelrecht in strijd met de heidense en zedeloze gebruiken van die diep bedorven maatschappij. Hoe zouden dus die verblinde en ver weggezonken heidenen, de leer van de Apostelen hebben kunnen geloven als God er niet voor gezorgd had, dat de waarheid van deze nieuwe leer met schitterende wonderen werd bevestigd? Vandaar dat Christus aan Zijn Apostelen de macht gaf om door het doen van wonderen te bewijzen dat zij werkelijk een goddelijke zending hadden ontvangen en dus ook hun leer als een goddelijke leer moest worden geloofd en eerbiedigt. Vandaar ook, dat de dood van de eerste Christen-martelaren vaak gepaard gingen met de grootste wonderen. Deze moesten, zoals zoveel stemmen van God, de heidenen toeroepen: de leer, door die Apostelen verkondigd, door die martelaren met bloed bezegeld, is de ware en alleen zaligmakende leer! Hier is de zichtbare vinger van God!
Maar is dat nu nog steeds nodig? Is het nodig dat God in onze dagen weer nieuwe wonderen doet, om de wereld van de goddelijke oorsprong van Zijn Kerk te overtuigen? Nee, absoluut niet; omdat het absoluut niet nodig is om één en dezelfde waarheid steeds opnieuw te bewijzen, als zij eenmaal duidelijk genoeg bewezen is. De vele wonderen, waarvan de wereld in de eerste tijden na Christus getuige mocht zijn, waren het onwankelbare bewijs, dat die Kerk in wiens midden God die wonderen deed, werkelijk de ware Kerk van Christus was, en aan die Kerk (om nog eens te herhalen) stond Petrus, en na hem zijn opvolgers, als Opperherder; die Kerk was de Katholieke Kerk. Maar waarom zou het dan nodig zijn dat God steeds opnieuw wonderen zou doen om de waarheid van die Kerk opnieuw te bevestigen? Nu het voortbestaan van die Kerk, ondanks alle hevige vervolgingen, een voortdurend wonder mag genoemd worden; nu iedereen, die de ogen wil openen voor de schoonheid en de glans van die algemeen verspreide Kerk, met een beetje goede wil makkelijk zal toegeven dat God haar stichter is?
Het is dus makkelijk te verklaren dat de wonderen in onze dagen niet zo vaak voorkomen dat in de tijd van de Apostelen en in de eerste eeuwen na Christus.
De H. Gregorius zegt: ‘men geeft water aan een jonge, pas geplante stek, maar niet meer aan volwassen bomen’.
zondag 29 oktober 2017
§ 57. Zijn de Katholieken niet te haastig met het erkennen van wonderen?
Er wordt soms beweerd dat de Katholieken er natuurlijk baat bij hebben, om voor de waarheid van hun godsdienst zich te kunnen beroepen op wonderen, en ze daarom partijdig zijn bij het beoordelen van wonderen, en er altijd op uit zijn om al het wonderlijke wat er gebeurt, gelijk als een echt wonder uit te roepen.
Dat er werkelijk Katholieken zijn die te snel in wonderen geloven, geef ik toe. Lichtgelovigen vindt men overal; en ik moet zeggen dat er zelfs ongelovigen zijn die er op uit zijn om eenvoudige Katholieken te overtuigen van een bepaald wonder, met het doel, een paar dagen later diezelfde Katholieken om hun lichtgelovigheid te bespotten.
Maar, lezer, niet alle Katholieken zijn zo onnozel. De Katholieken die echt voorzichtig zijn, zullen er uit eerbied voor hun godsdienst echt niet op uit zijn om al het wonderlijke wat er in de Katholieke Kerk gebeurt, meteen als een wonder uit te bazuinen. De katholieken moeten er natuurlijk prijs op stellen, voor de waarheid van hun godsdienst op ware wonderen te kunnen wijzen; maar zij begrijpen ook heel goed dat zij zich belachelijk maken en hun godsdienst voor gek zetten wanneer zij zich beroepen op wonderen waarvan de authenticiteit met recht betwijfeld of betwist kan worden.
Een voorbeeld. Stelt u zich eens voor dat er ergens iets bijzonders is gebeurd, men zegt bijv. dat een Katholiek bij het ontvangen van de H. Communie plotseling van een absolute doofstomheid zou zijn genezen. Nadat er over dat feit veel gepraat en geschreven is, verzoeken mijn geestelijke overheden mij, de zaak zo grondig mogelijk te onderzoeken en verslag uit te brengen.
Goed, ik doe dat. Ik ga de genezene persoonlijk ondervragen over zijn vroegere doofstomheid, zijn genezing en over zijn huidige toestand. Ook ondervraag ik veel geloofwaardige mensen die hem vroeger goed hebben gekend en mensen die getuige waren van zijn genezing. Ik raadpleeg ook die artsen die mij hierover ongetwijfeld goed kunnen inlichten. Veronderstel dat ik hieruit het volgende kan concluderen: de man schijnt vroeger niet helemaal doofstom te zijn geweest en zijn genezing ook niet zo plotseling als men beweerde; oftewel: volgens de verklaring van betrouwbare en deskundige artsen, schijnt het niet onmogelijk dat zijn genezing ook een natuurlijke oorzaak kan hebben. In dit geval zou dus de aanwezigheid van een wonder bij mij niet duidelijk bewezen zijn. Nu vraag ik u: Wat voor baat kan ik er als Katholiek bij hebben om ondanks deze twijfels van de daken te schreeuwen dat er bij die man echt een wonder is gebeurd? Daar zou ik persoonlijk echt niet om geëerd worden, want elk verstandig mens zou mijn oordeel minstens heel voorbarig noemen en bij nader onderzoek zou het wel eens kunnen blijken, dat ik lelijk in de valstrik ben gelopen. Zou ik misschien denken hiermee de Katholieke Kerk een dienst te bewijzen? Welnee, ik ben er namelijk achter gekomen dat de zaak erg twijfelachtig is; het is dus mogelijk dat men in de toekomst duidelijk zal kunnen aantonen dat hier geen sprake is van een authentiek wonder. En dan? Dan zullen de niet-Katholieken ons er eens flink over uitlachen en de Katholieke Kerk verwijten dat deze door zulke schijnwonderen verdedigd moet worden. En de Katholieken zelf zullen er niet door gesticht worden en sommigen zelfs door geërgerd worden.
Dat is dus de reden waarom een Katholiek, die de eer van de Kerk hoog wil houden, zich verplicht voelt om, bij het onderzoeken van zulke buitengewone gevallen, uiterst voorzichtig, onpartijdig en zonder vooroordeel te werk te gaan. En daarvoor hoeft hij zich echt niet voor schut te zetten. Iedereen ziet in dat de Katholieke Kerk er absoluut niet aan ten onder zal gaan, wanneer er met een bepaald iemand geen wonder is gebeurd; net zo goed dat zij er niet onder lijdt dat er met u en mij geen wonder is gebeurd.
Als er bij het beoordelen van wonderen sprake kan zijn van partijdigheid, dan is die eerder te zoeken bij de vijanden van de Katholieke Kerk, bij diegenen voor wie het allang vast staat dat de Katholieke Kerk niet de ware Kerk van Christus kan, of liever, mag, zijn. Want om hieraan trouw te blijven moeten zij, of ze willen of niet, elk wonder dat God verricht in het voordeel van de Katholieke Kerk (ook al zou het door honderd geloofwaardige getuigen onder eed worden bevestigd) halsstarrig als onwaarheid verwerpen. En dat doen zij dan ook trouw, ook al slaan ze zo de geschiedenis in het gezicht.
Dat er werkelijk Katholieken zijn die te snel in wonderen geloven, geef ik toe. Lichtgelovigen vindt men overal; en ik moet zeggen dat er zelfs ongelovigen zijn die er op uit zijn om eenvoudige Katholieken te overtuigen van een bepaald wonder, met het doel, een paar dagen later diezelfde Katholieken om hun lichtgelovigheid te bespotten.
Maar, lezer, niet alle Katholieken zijn zo onnozel. De Katholieken die echt voorzichtig zijn, zullen er uit eerbied voor hun godsdienst echt niet op uit zijn om al het wonderlijke wat er in de Katholieke Kerk gebeurt, meteen als een wonder uit te bazuinen. De katholieken moeten er natuurlijk prijs op stellen, voor de waarheid van hun godsdienst op ware wonderen te kunnen wijzen; maar zij begrijpen ook heel goed dat zij zich belachelijk maken en hun godsdienst voor gek zetten wanneer zij zich beroepen op wonderen waarvan de authenticiteit met recht betwijfeld of betwist kan worden.
Een voorbeeld. Stelt u zich eens voor dat er ergens iets bijzonders is gebeurd, men zegt bijv. dat een Katholiek bij het ontvangen van de H. Communie plotseling van een absolute doofstomheid zou zijn genezen. Nadat er over dat feit veel gepraat en geschreven is, verzoeken mijn geestelijke overheden mij, de zaak zo grondig mogelijk te onderzoeken en verslag uit te brengen.
Goed, ik doe dat. Ik ga de genezene persoonlijk ondervragen over zijn vroegere doofstomheid, zijn genezing en over zijn huidige toestand. Ook ondervraag ik veel geloofwaardige mensen die hem vroeger goed hebben gekend en mensen die getuige waren van zijn genezing. Ik raadpleeg ook die artsen die mij hierover ongetwijfeld goed kunnen inlichten. Veronderstel dat ik hieruit het volgende kan concluderen: de man schijnt vroeger niet helemaal doofstom te zijn geweest en zijn genezing ook niet zo plotseling als men beweerde; oftewel: volgens de verklaring van betrouwbare en deskundige artsen, schijnt het niet onmogelijk dat zijn genezing ook een natuurlijke oorzaak kan hebben. In dit geval zou dus de aanwezigheid van een wonder bij mij niet duidelijk bewezen zijn. Nu vraag ik u: Wat voor baat kan ik er als Katholiek bij hebben om ondanks deze twijfels van de daken te schreeuwen dat er bij die man echt een wonder is gebeurd? Daar zou ik persoonlijk echt niet om geëerd worden, want elk verstandig mens zou mijn oordeel minstens heel voorbarig noemen en bij nader onderzoek zou het wel eens kunnen blijken, dat ik lelijk in de valstrik ben gelopen. Zou ik misschien denken hiermee de Katholieke Kerk een dienst te bewijzen? Welnee, ik ben er namelijk achter gekomen dat de zaak erg twijfelachtig is; het is dus mogelijk dat men in de toekomst duidelijk zal kunnen aantonen dat hier geen sprake is van een authentiek wonder. En dan? Dan zullen de niet-Katholieken ons er eens flink over uitlachen en de Katholieke Kerk verwijten dat deze door zulke schijnwonderen verdedigd moet worden. En de Katholieken zelf zullen er niet door gesticht worden en sommigen zelfs door geërgerd worden.
Dat is dus de reden waarom een Katholiek, die de eer van de Kerk hoog wil houden, zich verplicht voelt om, bij het onderzoeken van zulke buitengewone gevallen, uiterst voorzichtig, onpartijdig en zonder vooroordeel te werk te gaan. En daarvoor hoeft hij zich echt niet voor schut te zetten. Iedereen ziet in dat de Katholieke Kerk er absoluut niet aan ten onder zal gaan, wanneer er met een bepaald iemand geen wonder is gebeurd; net zo goed dat zij er niet onder lijdt dat er met u en mij geen wonder is gebeurd.
Als er bij het beoordelen van wonderen sprake kan zijn van partijdigheid, dan is die eerder te zoeken bij de vijanden van de Katholieke Kerk, bij diegenen voor wie het allang vast staat dat de Katholieke Kerk niet de ware Kerk van Christus kan, of liever, mag, zijn. Want om hieraan trouw te blijven moeten zij, of ze willen of niet, elk wonder dat God verricht in het voordeel van de Katholieke Kerk (ook al zou het door honderd geloofwaardige getuigen onder eed worden bevestigd) halsstarrig als onwaarheid verwerpen. En dat doen zij dan ook trouw, ook al slaan ze zo de geschiedenis in het gezicht.
vrijdag 20 oktober 2017
§ 56. Kan God wonderen doen in het voordeel van een valse godsdienst?
Nee, dat kan God niet, want hierdoor zou Hij de onwaarheid bevestigen; God zou daardoor de mensen in dwaling brengen, en dit is in strijd met zijn oneindige goedheid, wijsheid en heiligheid. Ik zeg: in het voordeel van een valse godsdienst; hieruit volgt dus niet dat God geen wonderen kan doen in het voordeel van een persoon die buiten de ware godsdienst leeft.
Zo wordt er bijv. verteld, dat er zelfs heidenen zijn geweest, die vals werden beschuldigd van een grote misdaad, en om hun onschuld te bewijzen met blote voeten en ongedeerd over gloeiende kolen zijn gelopen. Of dit nu echt is gebeurd, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar het is niet helemaal onmogelijk. Zo’n wonder hoeft niet in strijd te zijn met Gods wijsheid of heiligheid. God zou hierdoor namelijk niemand bedriegen of misleiden. De toeschouwers zouden daaruit alleen opmaken dat diegene onschuldig is aan de misdaad waarvan hij beschuldigd wordt; maar niemand zou in zo’n geval dit wonder zien als het bewijs voor de waarheid van de heidense godsdienst, omdat het niet een getuigenis is voor de godsdienst, maar voor de onschuld van die heiden.
Het wordt een ander verhaal wanneer een wonder duidelijk in verband staat met een bepaalde godsdienst. Voorbeeld: De Katholieke Kerk leert, dat men de Heiligen (vooral de Moeder van Christus) moet eren en dat het goed en heilzaam is om hun voorspraak in te roepen. Stelt u zich eens voor dat een Katholiek die al jarenlang blind is, met een kinderlijk vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de H. Maagd, om door haar voorspraak weer te kunnen zien. Zou God dat gebed kunnen verhoren en die blinde door een wonder kunnen genezen? Als de leer van de Katholieke Kerk over de verering van Heiligen een ware leer is, zeker; maar anders absoluut niet.
Waarom niet? Omdat God door zo’n wonder iedereen zou kunnen overtuigen dat die Katholiek er goed aan heeft gedaan, de H. Maagd te eren en haar voorspraak in te roepen; maar u zult begrijpen dat God de mensen daarvan niet kon overtuigen als de Katholieke leer over de verering en aanroeping van Heiligen vals was, en in strijd met de leer van Christus. Met één woord: God kan alleen door een wonder de waarheid bevestigen. Als God dus wonderen doet in het voordeel van een bepaalde godsdienst, (d.w.z. als God een wonder doet onder die omstandigheden dat iedereen het wonder wel moet beschouwen als een bewijs voor de waarheid van die godsdienst) dan kan men ook zeker zijn dat die godsdienst de ware godsdienst is; anders zou God zelfs ons door zulke wonderen op een dwaalspoor kunnen brengen, en dat is onmogelijk; godslasterlijk zelfs.
Zo wordt er bijv. verteld, dat er zelfs heidenen zijn geweest, die vals werden beschuldigd van een grote misdaad, en om hun onschuld te bewijzen met blote voeten en ongedeerd over gloeiende kolen zijn gelopen. Of dit nu echt is gebeurd, kan ik niet met zekerheid zeggen, maar het is niet helemaal onmogelijk. Zo’n wonder hoeft niet in strijd te zijn met Gods wijsheid of heiligheid. God zou hierdoor namelijk niemand bedriegen of misleiden. De toeschouwers zouden daaruit alleen opmaken dat diegene onschuldig is aan de misdaad waarvan hij beschuldigd wordt; maar niemand zou in zo’n geval dit wonder zien als het bewijs voor de waarheid van de heidense godsdienst, omdat het niet een getuigenis is voor de godsdienst, maar voor de onschuld van die heiden.
Het wordt een ander verhaal wanneer een wonder duidelijk in verband staat met een bepaalde godsdienst. Voorbeeld: De Katholieke Kerk leert, dat men de Heiligen (vooral de Moeder van Christus) moet eren en dat het goed en heilzaam is om hun voorspraak in te roepen. Stelt u zich eens voor dat een Katholiek die al jarenlang blind is, met een kinderlijk vertrouwen zijn toevlucht neemt tot de H. Maagd, om door haar voorspraak weer te kunnen zien. Zou God dat gebed kunnen verhoren en die blinde door een wonder kunnen genezen? Als de leer van de Katholieke Kerk over de verering van Heiligen een ware leer is, zeker; maar anders absoluut niet.
Waarom niet? Omdat God door zo’n wonder iedereen zou kunnen overtuigen dat die Katholiek er goed aan heeft gedaan, de H. Maagd te eren en haar voorspraak in te roepen; maar u zult begrijpen dat God de mensen daarvan niet kon overtuigen als de Katholieke leer over de verering en aanroeping van Heiligen vals was, en in strijd met de leer van Christus. Met één woord: God kan alleen door een wonder de waarheid bevestigen. Als God dus wonderen doet in het voordeel van een bepaalde godsdienst, (d.w.z. als God een wonder doet onder die omstandigheden dat iedereen het wonder wel moet beschouwen als een bewijs voor de waarheid van die godsdienst) dan kan men ook zeker zijn dat die godsdienst de ware godsdienst is; anders zou God zelfs ons door zulke wonderen op een dwaalspoor kunnen brengen, en dat is onmogelijk; godslasterlijk zelfs.
woensdag 4 oktober 2017
§ 55. Wat is een wonder en waaraan kan, tenminste in sommige gevallen, de authenticiteit van een wonder worden herkend?
ZEVENDE HOOFDSTUK - Wonderen
§ 55. Wat is een wonder en waaraan kan, tenminste in sommige gevallen, de authenticiteit van een wonder worden herkend?
Onder een wonder verstaan we hier een buitengewoon feit, dat
de krachten van de natuur te boven gaat en wat alleen door de bijzondere
werking van God kan gebeuren. Deze twee voorwaarden moeten beiden absoluut
aanwezig zijn; want er kunnen soms wonderlijke dingen gebeuren, waar geen mens
of een natuurkracht toe in staat is, zonder dat er daarom sprake is van een
wonder. Als er bijv. iemand opeens een vreemde taal begint te spreken die hij
nooit geleerd heeft of in waarheid weet te vertellen wat er op het moment op
grote afstand gebeurt, dan is het zeker een feit, dat de krachten van de mens
te boven gaat, en langs de natuurlijke weg ook niet te verklaren valt, en toch
kan men niet gelijk zeggen dat zoiets werkelijk een wonder is. Waarom niet?
Omdat het heel goed kan gebeuren dat zoiets niet door de tussenkomst van God
gebeurt, maar door de tussenkomst van de duivel. De duivel is dan wel slecht,
maar hij is wel een engel gebleven; en daarom is zijn kracht en verstand veel
groter dan dat van ons. Bovendien kan hij, omdat hij een geest is, en dus geen
lichaam heeft, zich in een oogwenk van de ene plaats naar de andere begeven,
zonder ergens door te worden tegen gehouden. Het gevolg is dat de duivel, in
zover God het toelaat, iets vreemds of wonderlijks kan doen of bewerken, waartoe
een mens niet in staat is; maar dit is geen wonder, maar duivelswerk.
Maar hoe kan men nu onderscheiden, of een bepaald wonderlijk
feit, door de tussenkomst van God of van de duivel gebeurt? Hoe kan men nu
weten of zoiets werkelijk een wonder is, of alleen maar het werk van de duivel?
Dat is niet altijd even makkelijk, en daarom moet men bij het beoordelen van
zulke feiten altijd heel voorzichtig te werk gaan; maar toch zijn er veel
gevallen, waar de werking van God duidelijk en met zekerheid kan worden onderscheiden.
Ten eerste, wanneer er iets gebeurt, dat blijkbaar niet
alleen de krachten van de mens, maar ook de krachten van alle schepselen (dus
ook van de duivel) te boven gaat, dan is het duidelijk, dat zoiets gebeurt door
de bijzondere tussenkomst van God; bijv. iemand die uit de dood opstaat, dat
kan geen enkel schepsel, dat kan God alleen, de enige meester van leven en
dood. Als dus zoiets gebeurt, weten we zeker dat er sprake is van een echt
wonder.
Ten tweede, als de wonderlijke en bovennatuurlijke
gebeurtenissen die her en der gebeuren of gebeurd zijn, als gevolg hebben dat
daardoor de eer van God en de uitbreiding van de godsdienst worden bevorderd,
ook dan kan men er zeker van zijn dat zulke feiten niet gebeuren door de
tussenkomst van de duivel, maar door de tussenkomst van God. Om dit met een
voorbeeld te verduidelijken: stelt u zich eens voor dat (zoals vaak gebeurd is
en nog steeds gebeurt) een deugdzaam en heilig priester, die onder de heidenen
het geloof verkondigt, door het kruisteken of door het storten van een klein
gebed, veel zieken plotseling geneest, aan verschillende doven het gehoor en
aan blinden het zicht teruggeeft, en dat bij het zien van die wonderen de
heidenen bij honderden zich bekeren en afstand doen van hun zedeloze levensstijl
en zich met hart en ziel inzetten voor het geloof, de deugd en de reinheid. Men
zou het verstand verloren hebben wanneer men in zulke gevallen durft te beweren
dat die wonderlijke genezingen het werk zijn van de duivel. De duivel zal
namelijk geen moeite doen om zijn eigen rijk te vernietigen en de mensen aan te
sporen een godsdienstig en deugdzaam leven te leiden en daardoor in de hemel te
brengen. In zulke gevallen is het dus duidelijk dat men werkelijk te doen heeft
met wonderen.
Abonneren op:
Posts (Atom)