zondag 9 april 2017

§ 44. Heeft Christus ooit gezegd dat wij onze zonden moeten biechten?

Christus heeft, zoals wij uit de H. Schrift weten, dan wel niet letterlijk gezegd: ‘Mensen, Ik wil dat gij uw zonden aan de priester belijdt.’, maar toch heeft Christus ons die verplichting opgelegd. Hoe dan? Door aan Zijn Kerk een macht te schenken die zij, wanneer de mensen hun zonden niet biechten, onmogelijk goed kunnen uitoefenen; dit is dus een macht die de verplichting om zijn zonden te belijden, noodzakelijk in zich sluit.

Heeft Christus niet tot Zijn Apostelen gezegd: ‘Ontvangt de H. Geest! Wiens zonden u zult vergeven, die zijn ze vergeven; wiens zonden u houdt, die zijn ze gehouden.’ (Joh. 20, 22-23) Met deze woorden ontvingen de Apostelen en hun wettige opvolgers dus de macht - niet om in alle voorkomende gevallen de zonden te vergeven, ook niet om altijd de zonde te behouden, maar om één van beide te doen: vergeven of behouden, d.i. niet te vergeven. Mogen de Apostelen of hun opvolgers, de priesters, bij het uitoefenen van deze macht blindelings te werk gaan? Zou het Christus’ bedoeling geweest zijn, dat de verheven macht die Hij hier aan Zijn Kerk schonk, door de bedienaren van de Kerk zonder oordeel en naar willekeur zou worden uitgeoefend?

Stelt u zich eens voor, lezer, dat H. M. de Koningin u de macht zou geven om in uw woonplaats iedereen die de wet overtreedt, hun verdiende straf kwijt te schelden of dit juist niet te doen, met de belofte, dat uw beslissing door haar koninklijk gezag zal worden bekrachtigd. Denkt u dan dat u het recht hebt ontvangen om naar willekeur de één alles kwijt te schelden en de ander niet, zonder te weten wat zij fout hadden gedaan en hoe zij nu gestemd waren, zonder de zaak nader te onderzoeken? Denkt u echt dat een verstandig vorst het zal maken, om zo’n lichtvaardig vonnis met zijn oppergezag te bekrachtigen? Dat zou pas dwaas zijn. Het spreekt namelijk voor zich, dat u bij de uitoefening van die macht, ook al heeft de vorstin dit niet uitdrukkelijk bevolen, rechtvaardig en met onderscheid te werk moet gaan, en dat u daarom voordat u een beslissing neemt, eerst op de hoogte moet zijn van wat de verschillende personen misdreven hebben, en of zij bereid zijn de wetten voortaan beter te onderhouden of niet?

Welnu, Christus gaf aan Zijn Apostelen de macht, om in Zijn naam en op Zijn gezag de zonden te vergeven of te behouden, met de belofte dat hun beslissing in de hemel zou worden bekrachtigd. Alleen al de verhevenheid van deze macht eist dat zij door de bedienaren van de Kerk moet worden uitgeoefend met de nodige voorzichtigheid, oordeel en onderscheid en dus niet blindelings en naar willekeur. Maar hoe kan de priester, de bedienaar van de Kerk, bij het uitoefenen van deze macht, met beleid te werk gaan als hij niet eens weet wat hij wel en wat hij niet moet vergeven?

Om dit nog duidelijker te maken, geven we een voorbeeld. Honderd gelovigen komen bij een priester om, volgens de macht die Christus aan Zijn Kerk gegeven heeft, vergeving van zonden te ontvangen. Allen zeggen ze eenparig: ‘wij hebben gezondigd en hebben daarover berouw’; maar zonder dat iemand zegt wat hij verkeerd heeft gedaan. Wat moet een priester in zo’n geval doen? Zonder verder te onderzoeken, aan iedereen vergeving schenken? Of die kortweg aan iedereen weigeren? of de ene helft vergeven en de ander niet? Zou dat een waardig gebruik zijn van de macht die Christus aan Zijn Kerk heeft geschonken? Is het denkbaar dat God zo’n ondoordachte uitspraak in de hemel zou bekrachtigen? Nee, de priester moet de zonden vergeven of behouden, maar hij moet wel weten waarom, hij moet voor zichzelf en voor God verantwoording kunnen afleggen van zijn beslissing; hij moet daarom daarbij met het nodige onderscheid, verstand en oordeel handelen. Het is duidelijk dat hij dit niet kan als hij niet weet wat de zondaar misdaan heeft, en dus niet weet wat er vergeven moet worden. Kortom, de priester moet oordelen, hij is de door Christus aangestelde rechter, en moet daarom, net als elke andere rechter, beginnen met de zaak waarover hij een uitspraak moet doen, te onderzoeken.

Het biechten of de verplichting om zijn zonden aan de priester te belijden is dus niet een kerkelijke, maar een goddelijke instelling, omdat die verplichting onmiddellijk voortvloeit uit de macht, (die Christus zelf aan Zijn Kerk geschonken heeft) om zonden te vergeven of te behouden. Het Protestantisme heeft het biechten uit de rij met verplichtingen geschrapt. Dat is makkelijk, maar, lezer, is dit heilzaam?

Geen opmerkingen: