donderdag 29 september 2016

§18. Maar die verschillende katholieke voorschriften en gebruiken dan?

Het klopt, in verschillende katholieke landen zijn er verschillende katholieke gebruiken: op de ene plaats is een bepaalde dag een Heiligendag of vastendag, op een andere plaats niet. Is dat niet in strijd met de eenheid van de katholieke leer? Absoluut niet.

Om dit goed te begrijpen, moet men goed onderscheid maken tussen de geloofswaarheden en tussen de wetten van de Katholieke Kerk. De geloofswaarheden zijn overal en voor alle personen hetzelfde: en zo ook met de wetten die de Kerk ontvangen heeft van God zelf, en daarom ook goddelijke wetten worden genoemd. Maar in de Katholieke Kerk vindt men ook wetten en voorschriften, die de Kerk uit kracht van haar eigen gezag heeft afgekondigd, bijv. aangaande het houden van feestdagen of vastendagen, of over de uiterlijke plechtigheden bij het toedienen van de H.H. Sacramenten. Deze zuiver kerkelijke wetten zijn niet overal en voor iedereen hetzelfde, en kunnen dit ook niet zijn. Waarom niet? Omdat de Kerk, net zo als elke goed georganiseerde Staat, bij het maken van haar wetten en voorschriften rekening moet houden met plaatselijke en persoonlijke omstandigheden. Een voorschrift, dat eenvoudig onderhouden kan worden op de ene plaats, kan namelijk soms heel moeilijk, soms zelfs helemaal niet onderhouden worden op een andere plaats.

Geven we een paar voorbeelden. Sinds lange tijd heeft de Katholieke Kerk haar kinderen voorgeschreven, uit versterving elke vrijdag en zaterdag geen vlees te eten. Dat voorschrift is voor de plekken waar veel water en dus ook veel vis is, veel minder bezwaarlijk, dan op de plekken, waar de vis voor het grootste deel moet worden geïmporteerd en dus veel duurder is. Dit is één van de redenen, waarom dat voorschrift voor ons waterrijk Nederland nog steeds geldt, terwijl het, tenminste wat de zaterdag betreft, op verschillende andere plekken, op aanvraag van de bisschoppen, door de Paus is gewijzigd of afgeschaft .

Zo zijn er ook verschillende feestdagen, die bijv. in Noord-Brabant gevierd moeten worden als zondag, terwijl de Katholieken in de rest van het land volop mogen werken. Waarom dit? Omdat de katholieken in de rest van het land, vaak bij protestanten in dienst zijn, en zich dus niet zo makkelijk van werken kunnen onthouden als in Noord-Brabant, waar bijna iedereen katholiek is en er dus door de werkgevers geen werk wordt opgelegd. In het katholieke Limburg daarentegen zijn, om weer andere redenen, maar een paar hoogfeestdagen die als zondag gevierd moeten worden enz.

U ziet dus, dat de Katholieke Kerk erg verstandig en voorzichtig handelt, door niet overal aan al haar kinderen dezelfde wetten voor te schrijven, omdat de omstandigheden niet overal hetzelfde zijn. Maar omdat de katholieken niet overal, wat de uiterlijke discipline betreft, hetzelfde moet doen of laten, kan men daarom zeggen, dat zij een verschillend geloof belijden of een verschillende zedenleer volgen? Nee; want dan zou men net zo goed kunnen beweren, dat alle katholieken, die 21 jaar zijn, een ander geloof hebben, dan zij, die nog niet zo oud zijn; want, de eersten moeten, volgens de wetten van de Kerk, op sommige dagen vasten, de laatsten niet.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§17. Onder de katholieke godgeleerden zijn er toch ook wel godsdienstige verschillen?

Zeker, lezer, die zijn er en die zullen er ook altijd blijven. Maar waarover gaan die verschillen? Over het wel of niet aannemen van geloofspunten? Nee, absoluut niet.

Alle Katholieken zijn er innig van overtuigd, dat hun Kerk, die Kerk is, tot welke Christus eens gezegd heeft: “Gaat en verkondigt mijn leer aan alle volken. Ik zal u mijn Geest, de Geest van waarheid zenden, opdat Hij met u blijft in eeuwigheid, en ook Ik zal met u zijn tot het einde der eeuwen. Die u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij” (Vgl. Math. 28, 19-20; Joh. 14, 16-17; Luc 10, 16)

Wanneer dus de Katholieke Kerk sommige waarheden, als door Christus geleerd of geopenbaard voorstelt, dan begrijpt iedere Katholiek, dat hij naar geweten verplicht is die waarheden voor zeker aan te nemen. Of deze waarheden, die men geloofspunten of geloofswaarheden noemt, wel of niet worden geloofd, bestaat dus onder de Katholieken niet de minste strijd, niet het minste verschil.

Wanneer daarom katholieke godgeleerden op godsdienstig gebied het niet met elkaar eens zijn, dan gaat het er niet over of men één van de waarheden die de Kerk als te geloven voorstelt, moet aannemen of verwerpen; ook niet of die waarheid inderdaad door God geopenbaard is of niet; zulke verschillen kunnen voorafgaan aan de geloofsbeslissing van de kerk, maar houden op zodra het kerkelijk leergezag zijn onfeilbare uitspraak heeft gedaan. Zij kunnen nooit gaan over iets, dat al een geloofswaarheid is, maar wel over conclusies uit geloofswaarheden of over de vraag, of de één of andere waarheid, die nog niet door de Kerk als dusdanig wordt voorgesteld, wel of niet in de goddelijke Openbaring is vervat.

Een voorbeeld. God werkt door zijn genade in onze harten, om ons tot het goede op te wekken: dit is nu een geloofspunt, omdat het door de Kerk als een door God geopenbaarde waarheid wordt voorgesteld. Maar over de manier waarop die genade in ons hart werkt, heeft de H. Kerk nog weinig beslist, wat dus geen geloofspunt is en waarover de godgeleerden veilig met elkaar van gedachte mogen verschillen.

Een ander voorbeeld. Ieder mens is vrij, zodat hij het goede of het kwade kan doen, als hij wil, en toch is het net zo zeker, dat hij nooit iets anders zal doen, dan datgene wat God van alle eeuwigheid heeft voorzien. Dit zijn nu twee geloofspunten, die door alle Katholieken voor zeker worden aangenomen, omdat zij door de Katholieke Kerk als twee, door God geopenbaarde waarheden worden voorgesteld. Maar hoe of op welke manier deze twee waarheden met elkaar moeten worden overeengebracht, m.a.w. Hoe het kan, dat God onfeilbaar alles voorziet wat de mens zal doen, en de mens toch helemaal vrij blijft handelen, daarvan heeft de H. Kerk geen uitleg gegeven, en daarin zijn de godgeleerden dus vrij, om die uitleg aan te nemen die hun het redelijkst lijkt. En al zouden hun gedachten, wat dit betreft, nog zover uiteenlopen, u zult het nu makkelijker begrijpen, dat doet aan de eenheid van het katholieke geloof niets af, omdat alle waarheden, die door de Katholieke Kerk als geloofspunten worden voorgehouden, ook door alle Katholieken wereldwijd als zodanig worden aangenomen en geloofd.

Verschil van mening kan dus bestaan vóór de uitspraak van de Kerk; maar is de uitspraak eenmaal gedaan, dan houdt alle verschil van mening op, dan omhelzen en belijden alle Katholieken deze waarheid, en wie die waarheid zou verwerpen, zou daardoor ophouden Katholiek te zijn.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 25 september 2016

Het bekeringsverhaal van Dr. Peter Kreeft (ENGELS)


§16. Kan men zeggen, dat de Katholieke Kerk in elk geloofspunt maar één leer volgt, m.a.w. dat zij overal dezelfde leer verkondigt?

Zonder twijfel kan men dit; en voor bewijzen hoeft men niet ver te zoeken. In de grotere steden van ons land, bijv. in Amsterdam, zijn er veel protestantse kerken. Vraag daar nu eens aan een protestant waarom hij naar die en niet naar een andere protestantse kerk gaat. Hij zal u antwoorden: “omdat ik het niet eens ben met de leer die die protestantse kerk verkondigt; ik ben niet van dat geloof, en ik bezoek dus deze kerk, omdat de leer, die hier wordt verkondigd, overeenstemt met mijn gevoelens.”

Maar kijk, in diezelfde stad zijn er ook veel katholieke kerken, die zelfs door de meest verschillende geestelijken worden bediend. Er zijn in Amsterdam, behalve wereldpriesters, Dominicanen, Franciscanen, Augustijnen, Redemptoristen en Jezuïeten. Deze verschillende priesters verkondigen daar allemaal de leer van de Katholieke Kerk. Stel nu een katholieke Amsterdammer ook de vraag waarom hij naar die Katholieke kerk gaat en niet naar die ander. Hij zal u antwoorden: “omdat dit mij parochiekerk is”; of “omdat hij dichter bij, mooier of groter is”; of misschien: “omdat door deze priester wat mooier gepreekt wordt”; maar nooit zal hij als reden aangeven, dat er in de andere katholieke kerken een ander geloof, een andere leer wordt verkondigd. De ene preker kan hem soms beter bevallen, hem meer treffen dan een ander om de wijze waarop hij Gods woord verkondigt, maar allen preken één en dezelfde waarheid, de éne, onveranderlijke, katholieke leer; daar is iedere katholiek in merg en been van overtuigd. Daar kan iedereen van overtuigd zijn, als hij maar wil luisteren. Maar is dat niet erg opmerkelijk en zou dat eenvoudige feit niet meer aandacht verdienen, dan er meestal aan gegeven wordt?

Om u zelf van de eenheid van de katholieke geloofsleer nog beter te overtuigen, neem alle Catechismusboekjes die voor het onderwijs van de katholieke jeugd in de verschillende bisdommen van ons land worden gebruikt, vergelijk die goed met elkaar, en ik weet zeker dat u niet de minste tegenspraak zult ontdekken. Of spreekt u misschien meerdere talen, koop dan in alle talen, die u kent, een katholieke Catechismus en u zult ontdekken dat er nooit een Catechismus is die een andere Catechismus tegenspreekt.  De éne zal op z'n meest wat uitvoeriger zijn dan de ander, omdat zij bedoeld is voor meer ontwikkelde kinderen. U ontvangt misschien ook wel eens brieven van uw vrienden en bekenden in het buitenland, zij wisten u van alles te vertellen, maar heeft u ooit van hen gehoord dat de katholieke priester daar iets anders leert, of dat de katholieken daar iets ander leren dan hier? Sommige kerkelijke gebruiken of plechtigheden mogen anders zijn dan de onze; maar de leer van de Katholieke Kerk is en blijft over de hele wereld hetzelfde.

Ik denk dan ook te moeten zeggen, dat voor iemand, die niet ziende blind wil zijn, de eenheid van geloofsleer in de katholieke Kerk net zo duidelijk is als de verdeeldheid en de verwarring in het Protestantisme. Maar wat zou nu het kenteken van de waarheid zijn: eenheid of verwarring?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§15. Maar wat de belangrijkste geloofspunten betreft, geloven de verschillende protestantse sekten toch hetzelfde?

Dat zegt men soms; maar zou het waar zijn? Laten we zien.

Luther leerde, dat men in het avondmaal Christus werkelijk met zijn godheid en mensheid ontvangt. Calvijn beweerde juist het tegenovergestelde en hield vast, dat men eigenlijk niets anders ontvangt dan brood en dat dit brood eenvoudig een afbeelding is van Christus' lichaam. Dat zijn dus al twee hoofden van het Protestantisme lijnrecht tegenover elkaar, en dat in een heel belangrijk punt. Of zou het geloven in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de H. Communie of het “avondmaal” een minder belangrijk punt zijn, waar we het niet zo nauw mee hoeven te nemen?

Een ander voorbeeld. Luther leerde, dat het geloof alleen, zonder de goede werken, genoeg is om zalig te worden. Vandaar dat hij de brief van de H. Jacobus, waarin de noodzakelijkheid van goede werken wordt aangetoond, een “strooien brief” noemde en als leugenachtig wegwierp. Of er nog veel Protestanten zijn die deze dwaze leer van Luther nog steeds geloven, weet ik niet. Wel durf ik te zeggen, dat ik veel Protestanten gesproken heb, die mij ronduit verklaren het in dit punt met Luther absoluut niet eens te zijn. Maar zou dit nu ook een punt van minder belang zijn, of men de noodzakelijkheid van goede werken wel of niet gelooft?

En wat zien we tegenwoordig wat het doopsel betreft? Het klopt dat veel protestanten, net zoals de katholieken, nog geloven dat in het H. Doopsel de mens van de vlek van de erfzonde wordt gezuiverd; maar het is ook overbekend, dat onder de protestanten veel voorgangers aan het doopsel weinig waarde hechten en het alleen zien als een ceremonie of, zoals zij zich soms uitdrukken, een “formaliteit”.

Dat in het algemeen de “vrijzinnige” protestanten openlijk de spot drijven met die geloofspunten, die door de orthodoxen als heilig worden beschouwd en geëerbiedigd, zal wel geen bewijs meer nodig hebben.

Maar het is absoluut niet zo dat de volgelingen van Christus' Kerk alleen in de belangrijke geloofspunten en  grondwaarheden met elkaar overeen moeten stemmen, en over de rest naar hartenlust kunnen twisten.

Het klopt dat er geloofswaarheden zijn die men grondwaarheden zou kunnen noemen, omdat zij dieper dan anderen ingrijpen in het leven van een mens, bijv. dat er een God is, dat er voor ons na de dood nog een ander, een eeuwig leven zal volgen enz. Maar daaruit mag men niet besluiten, dat alleen zulke hoofdwaarheden door iedereen moeten geloofd worden en de rest naar willekeur verworpen mag worden.

Nee, wij hebben absoluut niet het recht, één enkele waarheid te verwerpen die ons door God geopenbaard is, en of deze geopenbaarde waarheid dieper of minder diep ingrijpt, doet er in dit opzicht niets toe.

Al wat God zegt is namelijk waar; al wat Hij openbaart, moet geloofd worden, omdat Hij, als oneindige Waarheid, zich zelf niet bedriegen kan en als oneindige Goedheid, ons niet bedriegen kan. En wij bovendien aan zijn goddelijk woord de diepste eerbied en de volmaaktste onderwerping schuldig zijn.

Hierbij komt nog iets anders, namelijk: hoeveel waarheden zijn er, die als hoofdwaarheden moeten worden gezien? 3 of 5 of 8 of 10? Waarom niet meer of minder? Hoe kan men dat weten? Wie moet dat beslissen? Dat zal in de meeste gevallen afhangen van ieders persoonlijke opvatting.

Als het dus, om een godsdienstleer te belijden, genoeg is dat men alleen aangaande de hoofdwaarheden met elkaar overeenstemt, dan kan men alle godsdienstige gezindten van de wereld wel tot één godsdienst samensmelten. Daarmee wordt namelijk de hele godsdienst aan ieders willekeur overlaten, omdat A deze en B een andere waarheid als een grondwaarheid ziet, en er al snel geen grondwaarheid meer zal overblijven.

Stel u eens voor dat iemand alleen de volgende waarheden als grondwaarheden ziet: dat er één God is, dat er drie goddelijke Personen zijn, dat de tweede persoon van de H. Drievuldigheid voor ons is mens geworden en gestorven en dat er na dit leven nog een eeuwigheid volgt, waar het goede beloond en het kwade gestraft zal worden. Volgens deze opvatting zou men dan kunnen zeggen, dat alle, nog enigszins gelovige Protestanten, alle Jansenisten en katholieken, kortom alle Christenen één en dezelfde  godsdienstleer belijden; want wat deze enkele hoofdpunten betreft, zijn ze het allemaal met elkaar eens. Dat zou echt een vreemde mengelmoes zijn! Het zou nog eenvoudiger zijn om er maar twee grondwaarheden op na te houden, bijv. dat er een God is die door ons gediend moet worden en dat er een eeuwigheid bestaat, waar de mens straf of beloning te wachten staat naarmate hij die God gediend heeft.
Dat gelooft iedereen die ten minste nog een beetje godsdienstig is, en zo zou men niet alleen alle Protestanten, Katholieken en Jansenisten, maar ook nog alle Joden en Moslims, zelfs nog de meeste heidenen kunnen zien als belijders van één en dezelfde godsdienstleer. Maar dan was alle Christendom verdwenen, ja zelfs elk gezond begrip van ware godsdienst, omdat de waarheid onmogelijk allerlei tegenstrijdigheden kan bezitten, en God onmogelijk op twee tegenovergestelde manieren gediend wil zijn.

Ik denk dat ik nu genoeg heb laten zien, dat de eenheid van geloofsleer, die de ware Kerk van Christus moet bezitten om zich te onderscheiden, niet bij de protestanten te vinden is, ook al stemmen hun verschillende sekten in sommige hoofdpunten soms met elkaar overeen.

Maar hoe is dit met de Katholieke kerk?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

donderdag 22 september 2016

§14. Is in het Protestantisme die noodzakelijke eenheid van leer te vinden?

Och lezer, kunt u die vraag wel serieus menen? Het Protestantisme is nog maar drie eeuwen oud, en het is al in meer dan honderd verschillende sekten uiteengespat, die er, ieder voor zich, een bijzondere geloofsleer op nahouden.

En dat was te voorzien, dat kon niet anders. Had Luther het recht om, zonder zich aan een hoog kerkelijk leergezag te storen, met de Bijbel in de hand te bepalen, wat men op godsdienstig gebied wel of niet moest geloven, dan had Calvijn net zo goed dat recht. Luther nu zag de woorden van de Bijbel zo, - Calvijn zag het weer heel anders. Wat door Luther, op gezag van de Bijbel, als geloofspunt werd geleerd, werd op gezag van dezelfde Bijbel, door Calvijn als leugen verworpen. En natuurlijk, hierbij bleef het niet. Wat Luther en Calvijn deden, dat deden met het zelfde recht hun volgelingen ook. Iedereen verstond en verklaarde de Bijbel naar eigen opvatting en inzicht. En waarom niet? Als hoofdbeginsel van het Protestantisme geldt namelijk vrijheid van onderzoek. Maar wat kon daar anders uit voortkomen dan de grootste wanorde en godsdienstige verdeeldheid? De meest uiteenlopende sekten sproten dan ook bij tientallen uit de grond op. Wat door de éne werd opgebouwd, werd door de ander afgebroken. En is het nu niet zover dat men in iedere grote stad een aantal Protestantse sekten vindt, waarvan ieder een afzonderlijke en op zichzelf staande richting volgt, ja, dat soms in één gezin, de man dit, de vrouw weer iets anders, en de kinderen soms weer iets anders geloven?

Kunnen we dit nu eenheid van geloof noemen? Is dit nu eenheid van godsdienstleer? Nee, dit is verdeeldheid en verwarring zonder einde.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§13. De ware Kerk moet één zijn, wat haar Leer betreft.

Dat wil zeggen, dat de Kerk in datgene, wat zij voorhoudt te geloven, overal en altijd dezelfde leer moet belijden; m.a.w. dat de leerstukken, die zij als geloofspunten voorhoudt, overal hetzelfde moeten zijn, en nooit elkaar mogen tegenspreken.

Waarom? Omdat Christus Zijn Kerk de last heeft opgelegd, niet om menselijke leerstellingen en meningen, niet om hier dit en ergens anders iets anders te verkondigen, maar om dat te preken wat Hij zelf had geleerd, ‘Gaat,’  sprak Christus, ‘en onderwijst alle volken, leert hen onderhouden, al wat Ik u bevolen heb.’ (Matth. 18, 19) ‘Predikt’ – niet wat u kiest, maar – ‘het Evangelie aan elk schepsel’. (Mark. 16, 15)

Als nu de ware Kerk van Christus alleen die leer mag verkondigen, die Christus verkondigd heeft, en dus alleen die waarheden mag voorhouden te geloven, die door Christus zijn geopenbaard, dan volgt daaruit duidelijk, dat zij nergens en nooit kan voorhouden tegenstrijdige waarheden te geloven. Twee tegenstrijdige leringen kunnen namelijk niet tegelijk waar zijn, en dus ook niet allebei door Christus geopenbaard zijn. Is de éne zeker door Christus geopenbaard, dan is de andere, die daarmee in strijd is, net zo zeker een dwaling en een leugen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 18 september 2016

§12. Heeft de Katholieke Kerk een zichtbaar Opperhoofd en is dat Opperhoofd werkelijk de wettige opvolger van Petrus?

Ik denk, lezer, dat ik op die vraag geen antwoord meer hoef te geven. Iedereen weet toch, dat alle Katholieken, zoveel miljoen als er zijn, onder de gehoorzaamheid staan van de Paus van Rome, en hem als zichtbaar Opperhoofd en als stadhouder van Christus op aarde zien en eerbiedigen.

En of de Paus, de Bisschop van Rome, ook de wettige opvolger van de H. Petrus is? Welk verstandig mens kan daaraan twijfelen? Neem de geschiedenis in de hand, ga die lange rij van bisschoppen van Rome na, aan wie wij de naam van Paus, d.i. Vader geven, tel van de laatste steeds terug, en u zult uitkomen aan de voeten van Petrus, die het eerst door Christus zelf als zichtbaar hoofd werd aangesteld. Overigens, welke andere bisschop dan de bisschop van Rome, heeft in vroegere of latere tijd, er ooit aanspraak op gemaakt de opvolger van Petrus als hoofd van de Kerk te zijn?

En is het niet opmerkelijk, en toont zich hier niet de vinger van de goddelijke Voorzienigheid: de machtigste koninkrijken en keizerrijken werden door de tijd heen omvergeworpen en vernietigd, de beroemdste vorstenhuizen stierven uit en lieten geen spoor van zichzelf achter; alles viel en verdween van het toneel van deze wereld, alleen Petrus bleef. Hij aan wie Christus het bestuur van Zijn Kerk had toevertrouwd, hij bleef voortleven in zijn opvolgers. De geschiedenis leert ons, hoe de Pausen steeds het doel waren van de felste vervolging; op hen hadden het ongeloof en de zedeloosheid hun giftigste pijlen gericht; ruw geweld, boze list en gemene laster, alles werd aangewend om de Pausen het voortbestaan onmogelijk te maken, en toch…. zij bleven. Zij alleen hebben de stormen van eeuwen ontworsteld, en zie, na 19 eeuwen, ontvangt de tegenwoordig  regerende Paus Pius X van zijn miljoenen kinderen dezelfde blijk van eerbied, liefde en onderwerping, die de H. Petrus ontving van de eerste kinderen van de Kerk. Wat denkt u, lezer, zou het nu overmoedig zijn, in zo’n wonderlijk feit de bijzondere leiding van de goddelijke Voorzienigheid te zien?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§11. In het Protestantisme vinden we zo’n zichtbaar opperhoofd niet.

Waar zou men bij de Protestanten dat zichtbaar opperhoofd ook moeten zoeken? Waar is diegene, die op godsdienstig gebied alle Protestanten van Nederland, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Amerika, kortom van de hele wereld, gehoorzaamheid betonen of schuldig denken te zijn?

Of wil men het Protestantisme in zijn verschillende sekten bekijken: Waar is het kerkelijk opperhoofd van alle Calvinisten? Waar is het kerkelijk opperhoofd van alle Lutheranen? Enz. Nergens; zo’n opperhoofd hebben zij niet; en toch, zoals we net duidelijk hebben laten zien, de Kerk, Die door Christus werd gesticht, moet zo’n zichtbaar opperhoofd hebben. Maar hoe kunnen dan de Protestanten, of zij zich nu Lutheranen, Calvinisten of nog iets anders noemen, hoe kunnen zij beweren, de ware kerk van Christus te zijn?

Toen ik eens een gemoedelijke Protestant dit belangrijke punt benoemde, antwoordde hij: ‘Wij Protestanten zijn er beter aan toe dan de Katholieken; want zij hebben een mens, namelijk de Paus, tot Opperhoofd; maar ons opperhoofd is niemand anders dan onze Heer Jezus Christus.’

Wel aardig gezegd. Maar ten eerste was dat geen antwoord op mijn opmerking die luidde: ‘Jezus Christus heeft als zijn plaatsvervanger op aarde, aan Zijn Kerk een zichtbaar Opperhoofd gegeven; jullie hebben geen zichtbaar opperhoofd; daarom zijn jullie de ware Kerk van Christus niet. Ten tweede: de Katholieke Kerk erkent de Paus alleen als haar Opperhoofd, omdat en in zover hij de zichtbare plaatsbekleder is van haar onzichtbaar Opperhoofd, Jezus Christus. Men kan dus niet zeggen: de Protestanten hebben Jezus Christus als Opperhoofd en de Katholieken alleen de Paus; nee, de Katholieken, net zoals de strenggelovige Protestanten, erkennen Jezus Christus als het Opperhoofd van hun Kerk, alleen met het verschil, dat de Katholieken geloven en belijden, dat Jezus Christus in de persoon van de Paus hen Zijn zichtbare plaatsbekleder heeft geschonken, om de zichtbare Kerk op aarde in Zijn naam te besturen; terwijl de Protestant, die denkt dat de Kerk onzichtbaar is, - wat wij in §6 weerlegd hebben –  natuurlijk ook niet van een zichtbaar Opperhoofd wil horen en zich daarom beroept op het onzichtbare Opperhoofd, Jezus Christus in de hemel, alleen. De Protestant is er dus, om eens de woorden van mijn gesprekspartner te gebruiken, niet beter, maar veel slechter aan toe dan de Katholiek: deze bezit, behalve de onzichtbare, ook de zichtbare leiding van Jezus Christus in de persoon van diegene tot wie Hij zelf gezegd heeft: ‘Weid Mijn lammeren, weid Mijn schapen,’ terwijl de Protestant deze uitwendige leiding helemaal mist.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 10 september 2016

§10. De H. Petrus moet, als zichtbaar Opperhoofd van de Kerk, noodzakelijk tot het einde van de tijden, wettige opvolgers hebben.

Petrus, zoals we hebben gezien, moest, natuurlijk niet als gewoon mens, maar als plaatsvervanger van Christus het fundament of de grondslag zijn, waarop Christus’ Kerk zou rusten. ‘Gij zijt Petrus’, had de Verlosser tot hem gezegd, ‘en op deze steenrots zal Ik Mijn Kerk bouwen.’

Die Kerk nu, zal blijven bestaan tot het einder der eeuwen, omdat Christus haar heeft gesticht met het doel om de mensen zalig te maken en zij zal daarom bestaan, zolang er mensen zalig moeten worden, d.i. zolang er mensen op aarde leven.

Bovendien heeft de Zoon van God haar uitdrukkelijk en plechtig beloofd, dat de poorten van de hel haar nooit zullen overweldigen. Moet dus de Kerk van Christus tot het einde van de eeuwen blijven bestaan, dan moet dus ook tot het einde van de eeuwen het fundament of de grondslag blijven, waarop zij door Christus gebouwd werd; een gebouw kan toch onmogelijk langer staan dan zijn fundament, een gebouw zonder fundament stort in. Was dus Petrus, als plaatsvervanger van Christus, het fundament, waarop de Kerk van Christus zou rusten, dan moet Petrus dus ook persé blijven voortleven. Omdat Petrus sterfelijk was, net zoals wij, moest hij blijven voortleven in anderen, d.i. in zijn wettige opvolgers.

Bovendien, Christus wilde Zijn kudde niet onbeheerd achterlaten. Hij gaf haar een algemeen herder, een Opperherder, door al Zijn schapen en al Zijn lammeren, zonder uitzondering, aan de zorg en leiding van Petrus toe te vertrouwen. Zij dus, die tot die schaapstal van Christus horen, moeten altijd naar de stem luisteren en de leiding volgen van die Opperherder, hen door Christus zelf aangewezen. Maar ook hieruit volgt al vanzelf, dat met de dood van Petrus het Opperherderschap niet mocht uitsterven, maar noodzakelijk op wettige opvolgers moest overgaan. Net zoals een gebouw zonder fundament haar ondergang tegemoet gaat, is een kudde zonder herder onbestaanbaar. Omdat dat geestelijke gebouw zowel als die geestelijke kudde een menselijke maatschappij uitmaken, die zichtbaar is, moet die maatschappij ook een zichtbaar Opperhoofd bezitten en blijven bezitten zolang zij bestaat.

Vandaar dan ook, dat bij de dood van Petrus, zoals de onwraakbaarste getuigenissen van de Kerkelijke geschiedenis bewijzen, de Kerk zich verplicht voelde Petrus op de stoel van Rome, en dus in zijn waardigheid als Opperherder, onmiddellijk door een ander te vervangen. In de plaats van Petrus koos zij Linus; na zijn dood werd Cletus en vervolgens Clemens gekozen, enz. enz.; en telkens werd de nieuwgekozene, niet minder dan Petrus, als het zichtbaar hoofd der Kerk en als plaatsvervanger van Christus aangezien en eerbiedigt.

Deze handelswijze van de Kerk in de eerste eeuwen van haar bestaan, verdient daarom vooral onze aandacht, omdat de niet-Katholieken, die beweren, dat de Kerk van Christus later van het ware pad zou zijn afgeweken, toch graag toegeven, dat zij tenminste in de eerste eeuwen helemaal aan de leer en de instellingen van het Evangelie trouw is gebleven. Als dan die Kerk, die zelfs volgens het getuigenis van niet-Katholieken, toen nog de ware Kerk van Christus was, door haar daden zo duidelijk haar overtuiging uitsprak, dat het Opperherderschap van Petrus noodzakelijk in zijn opvolgers moest blijven voortbestaan dan is het ook onbetwist zeker, dat zij, toen in dat belangrijkste punt zich niet heeft bedrogen.

De ware Kerk van Christus moet daarom een zichtbaar Opperhoofd hebben, en dat Opperhoofd kan geen ander zijn dan de wettige opvolger van het eerste Opperhoofd, de H. Petrus.