zaterdag 11 februari 2017

§37. Dat men alleen het woord van de Bijbel moet geloven, is in strijd met de waarheid. We moeten net zo goed de Apostolische Overleveringen geloven. Wat verstaat men hieronder?

De Apostelen moesten, zoals wij weten, de waarheden verkondigen die Christus hen of in eigen persoon had geleerd of hun later door de ingeving van de Heilige Geest duidelijker zou openbaren. ‘Ik zal Mijn Vader bidden, en Hij zal u een andere Vertrooster geven, de Geest van de waarheid. En als die Geest van de waarheid tot u gekomen zal zijn, zal hij u in alle waarheid leren.’ (Joh. 14, 17; 16, 13).

Dat wij dus alle waarheden, die de Apostelen verkondigden, moeten geloven, is voor iedereen helemaal duidelijk. Maar nu komt de vraag: hebben de Apostelen al die waarheden opgeschreven? Nee, en dit weten wij zowel van de H. Schrift als van de Kerkvaders en de gebruiken van de oorspronkelijke Kerk.

Of zegt Paulus niet tot de gelovigen van Thessalonika: ‘Onderhoudt de overleveringen die gij geleerd hebt, hetzij door ons woord, hetzij door ons schrijven’? (2 Thess. 2, 15). Blijkt niet uit de brieven van de Apostelen zelf en uit de Evangeliën, dat deze en met name de eerste, eigenlijk ‘gelegenheids-schriften’ waren en dus niet opgesteld met het doel om de hele leer van Christus te onderwijzen, maar slechts enkele, bijzondere punten, afhankelijk van de omstandigheden? Wij geven graag toe dat al de hoofdpunten van de Christelijke leer in het Nieuwe Testament zijn neergeschreven; maar waar leest men bijv. het voorschrift van de kinderdoop, die toch al gebruikelijk was in de eerste tijd van de Kerk? Waar vinden we het gebod om, in plaats van de sabbat de Zondag te vieren, zoals de christenen vanaf het begin hebben gedaan? Waar staat in de hele H. Schrift deze hoofdleer van het Protestantisme: De H. Schrift alleen is genoeg? Lezen we er niet juist het tegenovergestelde, bijv. in de bovengenoemde Bijbeltekst? En al volgt uit de woorden: ‘Gaat over de hele aarde en predikt het Evangelie aan alle schepselen’ (Mark. 16, 15) dan wel niet dat Christus niet heeft geboden Zijn leer op te schrijven, toch volgt uit die plechtige opdracht wel, dat prediken in de letterlijke zin het hoofdmiddel moest zijn om Christus’ leer te verspreiden; zoals dit duidelijk blijkt uit de krachtige woorden van Paulus tot de Romeinen (10, 13-15): ‘Ieder die  de naam van de Heer aanroept, zal zalig worden. Maar hoe zullen zij Diegene aanroepen, in wie zij niet geloven? Of hoe zullen zij geloven in Diegene van wie zij niet gehoord hebben? Maar hoe zullen zij horen zonder een prediker? En hoe kunnen zij prediken, als zij niet gezonden worden?’ En hoe is het te verklaren, dat als schrijven de hoofdtaak van de Apostelen was, maar net de helft van hen, en slechts naar aanleiding van bijzondere omstandigheden, die taak zou hebben volbracht?

Welnu, die waarheden die of door Christus zelf, of door de H. Geest aan de Apostelen zijn geopenbaard, en niet door hen, noch door de Evangelisten werden opgeschreven, maar eenvoudig door de Apostelen mondeling zijn gepredikt – die waarheden noemen wij Apostolische Overleveringen; en dat deze waarheden net zo goed door God zijn geopenbaard en daarom net zo goed geloofd moeten worden als diegenen die de Apostelen hebben opgeschreven, hoeft niet bewezen te worden. Of wordt de waarheid pas geloofwaardig als zij opgeschreven is?

Het is dus niet waar, dat men alleen datgene hoeft te geloven, wat in de Bijbel geschreven staat; want de Bijbel of H. Schrift is niet de enige bron, waarin we door God geopenbaarde waarheden vinden. Naast de H. Schrift staan de Apostolische Overleveringen, en deze laatste zijn voor ons in zeker opzicht zelfs belangrijker dan de H. Schrift zelf. Waarom? Omdat zoals zo meteen nog duidelijker zal blijken, de goddelijke ingeving van de hele H. Schrift en daarom de grondwaarheid dat dit Boek niets dan Gods woord bevat, alleen uit de Apostolische Overlevering kan worden bewezen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 5 februari 2017

§36. Uit de Bijbel alleen kunnen de Protestanten onmogelijk bewijzen dat de hele Bijbel, zoals zij die bezitten, Gods woord bevat. Hoe oordeelt de Katholieke Kerk over het lezen van de Bijbel?

Ongeveer vier jaar geleden ging ik op bezoek bij een goede, oude heer, in de veronderstelling dat hij katholiek was en wellicht mijn hulp kon gebruiken. Bij binnenkomst werd ik op een nette manier erop gewezen dat ik mij vergist had. Onze huisheer was protestant en zat met lofwaardige eerbied de Bijbel te lezen.

‘Zo,’ begon ik, ‘Om de tijd te verdrijven wat aan het lezen?’ ‘Excuus, mijnheer, ik lees de Bijbel, het woord van God, en zo iets leest men niet om de tijd te verdrijven, ik zoek en vind daarin voedsel voor mijn ziel.’ ‘Nu, in ieder geval, ik prijs uw eerbied voor het woord van God’.

‘Maar mijnheer, hoe kunt u dat zeggen? Ik dacht toch echt dat u een Katholiek priester was, en terwijl u mij prijst om mijn eerbied voor het woord van God, denkt u hetzelfde woord van God van uw gelovigen te moeten ontnemen. De Katholieken mogen de Bijbel toch niet lezen.’

‘Wel zeker mogen de Katholieken de Bijbel lezen, maar niet elke Bijbel die hen door de eerste de beste in de hand wordt gedrukt. Dat zou toch niet verstandig zijn. De minder ontwikkelde Katholieken kunnen namelijk niet onderscheiden of die Nederlandse, Franse of Duitse vertaling die zij voor zich hebben, trouw is of niet, en zouden dus gevaar lopen een valse Bijbel onder de ogen te krijgen. Maar is de vertaling goedgekeurd door de Paus, of onder goedkeuring van een Katholiek bisschop, voorzien van ophelderende aantekeningen, van Pausen of andere geleerde katholieke schrijvers overgenomen, dan mag zo’n vertaling door elke Katholiek worden gelezen. Die voorzorgen worden trouwens niet eens gevraagd van de meer ontwikkelde Katholieken, die in staat zijn de Bijbel in een kerkelijke of geleerde taal, zoals het Latijn of Grieks, te lezen.’

‘Kijk, dat wist ik echt niet, ik dacht echt dat het Bijbellezen voor de Katholieken eenvoudigweg verboden was. Maar nu begrijp ik nog minder dan eerst, waarom de Katholieken zo weinig gebruik maken van de Bijbel.’

‘Dat de Katholieken weinig gebruik maken van de Bijbel, geef ik absoluut niet zomaar toe. Bedoelt u met de ‘Katholieken’ de Katholieke Kerk in het algemeen, dan klop uw bewering absoluut niet. De Katholieke godgeleerdheid put namelijk al haar argumenten en opvattingen in de eerste plaats uit de H. Schrift; en door de Katholieken zijn hele bibliotheken over de H. Schrift en haar verklaringen vol geschreven; ook de officiële, zogenaamde liturgische gebeden en plechtigheden van de Katholieke Kerk zijn vol met aanhalingen uit de H. Schrift, niet minder dan de godsdienstige geschriften van haar kinderen, te beginnen met de Kerkvaders en te eindigen met de eenvoudigste boekjes van geestelijke stichting, die dagelijks onze pers verlaten.’

‘Nee, maar ik bedoel dat de gewone gelovigen van uw Kerk zo weinig de H. Schrift lezen en horen lezen.’ ‘Ook hier mag ik niet maar zo mee instemmen, want, (hier laten we onze priesters even buiten beschouwing omdat zij door het bidden van de getijden in een jaar in hoofdzaak de hele H. Schrift doorlopen) de gewone gelovigen die hun kerkelijke plichten vervullen, horen iedere Zon- en feestdag een gedeelte van het H. Evangelie, voorafgegaan door een Schriftgedeelte uit het Oude of Nieuwe Testament, voorlezen en daarna meestal in de preek uitleggen en toepassen. En het is zeker de wens van de Kerk, dat, rekening houdend met het bovengenoemde, haar kinderen goed en veel gebruik maken van het lezen van de H. Schrift – ruimer dan in de praktijk meestal gebeurt, helaas. Dit is daarentegen niet de schuld van de Kerk, maar van diegenen die haar wensen niet opvolgen.

‘Maar u zult toch niet ontkennen dat er bij de Protestanten veel meer werk wordt gemaakt van de Bijbel dan bij de Katholieken?’

‘Dat wil zeggen de orthodoxe Protestanten, die geen geloofsregel buiten de Bijbel kennen, zijn er natuurlijk op uit om het Boek dat voor hen alles is, zoveel mogelijk te lezen en te verspreiden. Daar ik toegeef dat daardoor bij hen het gebruik van de Bijbel algemener is, durf ik ook te beweren dat de manier van de Bijbel gebruiken bij de Katholieke Kerk veel beter en verstandiger is. Als een goede moeder zoekt zij voor haar kinderen het meest geschikte voedsel uit, en wil niet dat deze, om zo te zeggen, niet klaargemaakt door hen gebruikt worden; terwijl het Protestantisme de Bijbel, zonder verklaring, iedereen in de handen geeft, ook aan de minst ontwikkelden en onwetenden.

‘Maar de Bijbel zegt toch, dat alles wat daar geschreven staat, is geschreven om ons te onderrichten.

‘Zeker waar; maar datgene, wat voor onze onderrichting is geschreven, kan ophouden nuttig te zijn en zelfs heel gevaarlijk worden voor degenen die het niet begrijpen; of herinnert u zich niet meer dat Petrus in zijn tweede brief zegt dat er in de brieven van Paulus ‘sommige dingen voorkomen, die moeilijk te begrijpen zijn en daarom, net zoals de overige Schriften, door ongeleerde en lichtzinnige mensen verkeerd uitgelegd worden, tot hun eigen verderf?’ (2 Petr. 3, 16).

‘Dat is zo, en ik geef graag toe, dat veel plekken in de Bijbel voor gewone mensen niet makkelijk te begrijpen zijn; maar ondertussen blijven er nog genoeg plekken over die door iedereen makkelijk te begrijpen zijn, en daarom ook met vrucht gelezen kunnen worden, en ik denk dat dit genoeg reden is om het lezen van de Bijbel bij iedereen aan te bevelen als meest nuttig.’

‘Ik zou daar absoluut mee instemmen, als ik er maar zeker van was dat diegenen die de Bijbel in handen kregen, daarin niets anders lezen, dan wat zij begrijpen en wat zij menen te begrijpen zo begrijpen als het door de H. Geest bedoeld is. Maar dat dit niet gebeurt, weten we allemaal. Zo hoorde ik bijv. laatst iemand beweren dat alle kerkgebouwen afgebroken moesten worden, want de man had in zijn Bijbel gelezen dat we de Heer ‘moeten aanbidden in geest en waarheid’. De Katholieke Kerk probeert – en wel uit eerbied voor de H. Schrift – zulke misbruiken te voorkomen, zonder de nuttigste inhoud van de H. Schrift van haar kinderen te ontnemen. Met datzelfde doel heeft zij bijv. ook altijd ervoor gezorgd dat de verhalen en zedenlessen van de H. Schrift beknopter, en voor het gewone volk op een makkelijk begrijpbare manier, worden samengevat in een boek dat meestal ‘De Geschiedenis van de Bijbel’ of ‘Bijbelse Geschiedenis’ heet, zoals u deze ook heeft; wel een bekentenis, ook van uw kant, dat de Bijbel zoals hij daar ligt, niet door iedereen van jong en oud, geleerd en ongeleerd, met vrucht kan gelezen worden.’

‘Nu, ja, dat op dergelijke wijze het gevaar voor misverstand en dwaze toepassingen het best worden voorkomen, zal ik niet ontkennen. Maar, nu we toch over zulke zaken aan het praten zijn, wil ik u nog iets zeggen’ ‘En dat is?’ ‘Een poosje geleden was ik hier in gesprek met een Katholiek van naam. We kwamen al snel uit op een godsdienstig gesprek. Natuurlijk waren we het niet met elkaar eens. Maar toen ik om me te verdedigen een beroep deed op de Bijbel, het geschreven woord van God, had de man de moed mij ronduit te verklaren, dat wij, Protestanten, eigenlijk niet eens het recht hebben om onze Bijbel als het woord van God te beschouwen. Vindt u dat niet te ver gaan?’

‘De toon waarop u dat gezegd werd kan dan wel een beetje ongepast zijn, maar wat de zaak betreft, moet ik eerlijk bekennen, dat ik het eigenlijk met hem eens ben.’ ‘Maar, waarom dat?’

‘Het is namelijk een bekend feit dat Luther de Bijbel, zoals hij die uit de Katholieke Kerk meenam, op meer dan één plaats eigenmachtig heeft vervalst en nu geloof ik toch niet, dat u een brief, ook al was hij door uw eigen hand geschreven, nog als uw brief zou erkennen, als een ander dacht er goed aan te doen, daarin verschillende wijzigingen aan te brengen, hier iets weg te halen, daar iets toe te voegen enz. Maar ook dit belangrijk bezwaar terzijde gelaten, en dus ook verondersteld, dat uw Bijbel nergens vervalst zou zijn, dan nog blijft het waar, dat de Protestanten, als zij consistent willen blijven, onredelijk handelen door de Bijbel zoals zij die bezitten, zonder twijfel te beschouwen als het woord van God.’ ‘Maar is de Bijbel dan niet werkelijk door de ingeving van de Heilige Geest geschreven?’ ‘Ongetwijfeld; maar hoe kunt u, als Protestant, zeker zijn van die goddelijke ingeving over alle boeken van de Bijbel?’

‘Wel, uit de Bijbel zelf. Weet u dan niet, dat én Petrus én Paulus getuigen dat de Heilige Schriften geschreven zijn op ingeving van God? (Zie bijv. 2 Tim. 3, 16; 2 Petr. 1, 20-21).

‘Zeker, weet ik dat, en aangenomen dat hun getuigenis slaat op al die boeken van het Oude Testament, die in die tijd door het Joodse volk als heilige boeken werden geëerd, net zoals die boeken van het Nieuwe Testament die toen al waren geschreven en met hetzelfde gezag door de Apostelen aan de gelovigen werden meegedeeld, hoeveel en welke zijn dan die boeken die daarbij gerekend moeten worden? De Katholieken bijv. rekenen daaronder ook de twee boeken van de Makkabeeën; De Protestanten daarentegen niet. Kunt u dan, met alleen de Bijbel in de hand, bepalen wie van de twee er gelijk heeft? Bovendien, toen de H. Petrus en Paulus dat getuigenis gaven, waren nog niet alle boeken van het Nieuwe Testament, bijv. het Evangelie van Johannes, geschreven. Is bovenstaand getuigenis nu ook genoeg om te besluiten dat ook dit later geschreven boek werkelijk Gods woord is?’

‘Maar hoe kunt u, Katholieken dat dan zeker weten?’ ‘Dat weten wij onfeilbaar zeker, steunend op het gezag van de H. Kerk, die herhaaldelijk en uitdrukkelijk heeft verklaard, welke boeken tot de H. Schrift horen’ ‘Hoe kan uw Kerk dat weten? Kan haar uitspraak er soms voor zorgen dat het ene boek door God is ingegeven en het andere niet?’ ‘Dat weet de Kerk uit de Overlevering; en omdat u die verwerpt, verwerpt u ook het enige middel om met volle zekerheid te weten, wat tot de H. Schrift hoort en wat niet. De uitspraak van de Kerk zorgt niet, dat een boek door Gods ingeving geschreven is, maar maakt, dat wij zeker weten, welke boeken door Gods ingeving zijn geschreven: ziedaar een hemelsbreed verschil. Maar al zou zij ook helemaal zeker weten, welke boeken er in de H. Schrift horen, dan bleven er namelijk nog 2 punten over, waar u, als Protestant, nooit volkomen zeker over kunt zijn, namelijk 1º of uw vertaling de oorspronkelijke tekst juist weergeeft, en 2º wat op veel plaatsen de ware betekenis is van de H. Schrift.

‘Ja, maar wij hebben onze dominees, die wij bij twijfel kunnen raadplegen.’ ‘Zijn die onfeilbaar?’ ‘De hemel beware ons! Maar zij weten er toch zeker meer van dan de gewone burger.’ ‘En dat is genoeg om met onfeilbare zekerheid te weten, wat u op goddelijk gezag moet geloven, wat u moet doen en laten om zalig te worden?’

En om nu terug te keren tot ons uitgangspunt, een Protestant, die aan zijn beginsel trouw wil blijven, is volkomen in zijn recht wanneer hij zo redeneert: ‘Volgens mijn leer hoef ik op godsdienstig gebied niets te geloven, wat niet in de Bijbel staat: welnu, in de Bijbel staat niet dat alle boeken die hij bevat, door Gods ingeving zijn geschreven, dus hoef ik ook niet te geloven dat alles wat er in de Bijbel te lezen is, door Gods ingeving geschreven is; daarom geloof ik ook niet meer dat het woord van de Bijbel werkelijk het zuivere woord van God is.’ En zover is het dan ook al bij velen gekomen. Onder de moderne Protestanten zijn er zelfs velen, die er absoluut geen geheim van maken dat zij aan de goddelijke ingeving van de Bijbel niet meer geloven. Het is zeker droevig, en nog droeviger omdat dit verschijnsel een natuurlijk gevolg is van de Protestantse leer zelf.

De oude heer beloofde mij, dat hij eens op zijn gemak en ernstig over dat alles zou nadenken en wij scheidden als beste vrienden. Kort daarop vernam ik tot mijn spijt dat familieaangelegenheden hem genoodzaakt hadden ergens anders te gaan wonen.

Komen wij nu even op een paar punten van ons onderhoud terug.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 22 januari 2017

§35. De grondregel van de Protestanten, dat de Bijbel alleen genoeg is om te weten wat wij moeten geloven, valt om veel redenen niet te verdedigen.

DERDE GEDEELTE – Enkele hoofdpunten van het verschil tussen Katholieken en Protestanten.

Het is niet onze bedoeling hier alle punten te bespreken, waarin de leer van de Protestanten in het algemeen van de leer van de Katholieke Kerk afwijkt. Wie het vorige ernstig heeft overdacht, moet overtuigd zijn, dat onder alle kerken die zich christelijk noemen, de Katholieke Kerk de enige ware is, en men dus met onderwerping en liefde moet aannemen, alles wat God ons door middel van haar laat geloven: “Wie u hoort, hoort Mij, wie u versmaadt, versmaadt Mij!” (Luc. 10, 16)

Wij willen daarom alleen degene die al overtuigd zijn, krachtig bevestigen, of liever, sommige bezwaren wegnemen, die op bepaalde punten gemaakt kunnen worden; en het daarom kort hebben over meer algemeen bekende leerstukken en instellingen, om te laten zien, hoe redelijk de leer van de Katholieke Kerk is en hoe ongegrond daarentegen de leer van de Protestanten. Voor veel niet-katholieke lezers zal hierdoor ook de ware leer van de Kerk wat die leerstukken en gebruiken betreft, duidelijk worden.

Hier wat wij in het kort zullen bespreken:

1.            De Bijbel
2.            Het geloof en de goede werken   
3.            De Biecht en de Aflaten
4.            Het vagevuur
5.            Het H. Sacrament van het Altaar
6.            De verering van de Heiligendag
7.            De wonderen  

EERSTE HOOFDSTUK - DE BIJBEL

§35. De grondregel van de Protestanten, dat de Bijbel alleen genoeg is om te weten wat wij moeten geloven, valt om veel redenen niet te verdedigen.

De Hervormers verwierpen het leergezag van de Kerk en het gezag van de Apostolische Overlevering als bron van de geopenbaarde waarheid. En wat kwam daarvoor in de plaats? De Bijbel en het vrije onderzoek. Terwijl de Katholiek als geloofsregel het woord van God aanneemt in de H. Schrift, de Apostolische Overlevering en verkondigd door het onfeilbaar leergezag van de Kerk, d.i. het geschreven en ongeschreven woord van God zoals de onfeilbare Kerk dit voorstelt, verwerpt de Protestant het ongeschreven woord van God, zodat hij alleen de bijbel overhoudt, en stelt hij, i.p.v. het leergezag van de onfeilbare Kerk, ieders persoonlijke opvatting en rede als komende van de Heilige Geest.

Hij stelt dus het gezag van iedereen afzonderlijk in plaats van het gezag van de Kerk, en terwijl hij ontkent dat de Kerk door de H. Geest voor dwaling wordt behoed, wijst hij de bijstand van de H. Geest aan iedere gelovige bijbellezer toe, waardoor deze wel niet echt onfeilbaar wordt, maar toch het woord van God zo verstaat hoe het hem het beste lijkt.

Bij deze bijzondere bijstand van de H. Geest zullen wij niet lang stilstaan, maar ons beperken tot de eenvoudige opmerking dat deze niet bewezen wordt, niet noodzakelijk is en als hij bestond, aanleiding zou geven tot de meest tegenstrijdige meningen, zoals uit de geschiedenis van de Hervorming duidelijk blijkt. We zien dit namelijk al bij haar opkomst.

Uit dezelfde woorden van de H. Schrift, haalde  namelijk de één vaak de tegenovergestelde leer van die, die  een ander daarin dacht te vinden. Maar Gods Geest kan zich niet tegenspreken. De bewering dat iedere gelovige Bijbellezer bij zijn opvatting van de woorden van de H. Schrift door Gods Geest zou worden geleid, is dus zeker in strijd met de waarheid.

Maar laten we nu eens even de volgende grondregel uitdiepen: De Bijbel, de Bijbel alleen, is genoeg om de mens te leren wat hij op Gods gezag wel of niet moet geloven.

Wat zou hier vanzelfsprekend op volgen? Zoals ik net al zei, werd de Bijbel, die op veel plekken onduidelijk is, al snel, zelfs waar het om de belangrijkste waarheden ging, door de één zo en door de ander in tegenovergestelde zin verstaan en uitgelegd. Iedereen die goed kon praten of schrijven, kreeg aanhangers voor zijn denkwijze en vormde een sekte, en wat de één verdedigde, werd straks door een ander ontkend. Wie bezat nu de waarheid? Iedereen tegelijk? Dat kon niet. Door wie en hoe moest dan de zaak opgelost worden en die onderlinge geschillen uit de weg geruimd? Door het gezag van Luther of Calvijn? Maar het stond nu eenmaal vast, dat het geschreven woord van de Bijbel alleen genoeg was, en iedereen het recht had, om dat geschreven woord naar zijn eigen inzicht te verklaren. Elke verplichtend leergezag had men als een onnodige ballast overboord gegooid. Men hoefde zich dus niets aan te trekken van het gezag van Luther of Calvijn of wie dan ook[1].

Daarom is het hoofdbeginsel van het Protestantisme, dat het geschreven woord van de Bijbel genoeg is om de mens te leren wat hij wel of niet moet geloven, en dat iedereen bevoegd is om op eigen gezag uit de Bijbel zijn godsdienstleer te halen – geen gezonde of heilige, maar een
verderfelijke leer: omdat zij uit haar aard moet leiden tot de grootste verwarring op godsdienstig gebied. Zij maakt op deze manier van de Bijbel, hoe heilig die op zichzelf ook is, een bron van de meest noodlottige verdeeldheden.

En bleef het hierbij; maar het kan bijna niet anders of deze godsdienstige verdeeldheden moeten op hun beurt aanleiding geven tot iets dat duizendmaal erger is, namelijk de godsdienstige onverschilligheid. Als tegenwoordig nl. een Protestant de waarheid wil zoeken tussen al die uiteenlopende sekten en leringen die het Protestantisme heeft voortgebracht, dan ligt het voor de hand dat hij de moed in de schoenen laat zinken en moedeloos zegt: ‘met al dat geharrewar word ik niets wijzer. Ik geloof, net zoals de meeste andere Protestanten, dat Christus werkelijk God is, maar wat ik voor de rest nog moet geloven, kan ik niet achter komen, en zal daarom wel niet zo nauw luisteren.’

Maar, lezer, wij hebben al eerder gezien dat zulke taal niet alleen dwaas is, maar ook goddeloos. Want als Christus werkelijk God is, luistert het namelijk wel nauw wat wij geloven en of wij ons bij Zijn Kerk aansluiten of niet; dan is het voor ons een grote plicht de leer die Hij verkondigd heeft te geloven, en ons te onderwerpen aan het gezag van de Kerk die Hij gesticht heeft. Dan kan dus ook een beginsel, waaruit een godsdienstige onverschilligheid volgt, niet de ware zijn.

Nog een paar vragen.

Als men de Openbaring alleen uit de Bijbel en door het Bijbellezen kan leren kennen, hoe moeten dan degenen die niet kunnen lezen zalig worden? Hebben zij aan die Openbaring misschien geen behoefte?

Als de Bijbel alleen moet bepalen wat men wel of niet moet geloven, waaraan moet men zich dan houden als, zoals vaak het geval is, de woorden van de Bijbel onduidelijk zijn of meer uitleg vragen? Hoe komt men dan te weten wat de Bijbel eigenlijk bedoelt? De Bijbel zelf bepaalt dat niet. Kijk toch eens, lezer, in ons burgerlijk wetboek heeft men met de grootste zorg geprobeerd alle onduidelijkheden te vermijden, en toch is dat wetboek alleen niet voldoende. Iedereen begrijpt namelijkdat er behalve dat boek nog levend gezag moet zijn, d.w.z. rechters, die vanwege het hoofd van de Staat de wettige macht en bevoegdheid bezitten om bij onenigheid te beslissen over de juiste zin van het woord, en daardoor het volk beschermen tegen verkeerde uitleggingen en dwaze toepassingen.

Denk hier eens serieus over na en vertel mij oprecht of het beginsel: ‘de Bijbel alleen’ te verdedigen valt.



[1] In zijn Tafelgesprekken (Uitg. V. 1566, blz. 5) beklaagt Luther zich dan ook dat ,adelijken, burgers, boeren en bijna iedereen van hogere en lagere stand, zich verbeelden het Evangelie veel beter te kennen dan hij, doctor Luther, of St. Paulus zelf,’ Verg. De Katholiek 1883 blz. 268.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 15 januari 2017

§34. Is de Katholieke Kerk ook in die zin Apostolisch, dat zij de leer van de Apostelen trouw en zuiver heeft bewaard?

Voor een Katholiek is die vraag eenvoudig op te lossen. Omdat hij namelijk uit andere gegevens innig overtuigd is dat de Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is, weet hij ook helemaal zeker, dat hetgeen wat deze Kerk ons leert, onmogelijk met de leer van de Apostelen in strijd kan zijn.

Wat diegenen betreft, die nog steeds naar de ware Kerk van Christus zoeken, hun denk ik in herinnering te moeten brengen, wat ik al gezegd heb, namelijk: dat ongeletterden nooit in staat zijn op eigen gezag en door eigen studie te bepalen, wat de Apostelen wel of niet hebben geleerd. Zij kunnen dit alleen weten door het onfeilbaar leergezag van die Kerk, aan wie Christus de verkondiging van zijn leer toevertrouwd en daarvoor zijn voortdurende bijstand heeft beloofd. Zolang zij dus niet weten, wat de ware Kerk van Christus is, kunnen zij ook onmogelijk aangaande alle geloofspunten -met zekerheid weten, welke leer door de Apostelen werd verkondigd. En weten zij dit niet, dan kunnen zij de leer van de Katholieke Kerk, of van welke kerkgenootschap ook, niet vergelijken met de leer van de Apostelen, om daaruit op te maken of zij in alles wel met elkaar overeenstemmen.

Toch is het mogelijk zich op een andere manier ervan te overtuigen, dat de leer van de Apostelen, wat die ook geweest is, door de Katholieke Kerk trouw en zuiver wordt bewaard. Zoals we al gezien hebben, zijn namelijk de herders van de Katholieke Kerk ongetwijfeld de wettige opvolgers van de Apostelen. Maar dan is het dus net zo zeker, dat het Apostolisch leergezag in die wettige opvolgers blijft voortbestaan, dat daarom ook voor hen, net zoals voor de Apostelen het woord van Christus geldt: “Die u hoort, hoort Mij; die U versmaadt, versmaadt Mij.” (Luc. 10, 16). Maar als Christus nu wilde, dat wij niet alleen de leer van de eerste herders van zijn Kerk, maar ook die van hun wettige opvolgers als Zijn leer eerbiedigen, en als die wettige opvolgers geen andere zijn dan de herders van de Katholieke Kerk, dan is het dus logisch, dat de onverdeelde leer van de herders van de Katholieke Kerk onmogelijk in strijd kan zijn met de leer, die Christus aan zijn Apostelen toevertrouwde om te verkondigen.

Bovendien zal men moeten toegeven, dat de Katholieke Kerk in de eerste eeuwen, toen de H. Ignatius van Antiochië, de H. Irenaeus, de H. Athanasius, de H. Johannes Chrysostomus, de H. Hieronymus en de H. Augustinus tot haar zonen hoorde, toch zeker nog de ware leer van de Apostelen verkondigde. Het is ook zeker, dat de Katholieke Kerk zich altijd onderscheiden heeft door een voorbeeldige zorg en waakzaamheid voor het zuiver bewaren van haar geloofsleer, die zij namelijk terecht als de grondslag van alles, als de bron van haar leven ziet. Zij heeft het, zoals wij zagen, in de loop van de tijd, om verschillende goede redenen nodig of nuttig geacht bepaalde punten van de haar toevertrouwde leer openlijker en plechtig voor te stellen om te geloven. Maar nooit heeft de Katholieke Kerk ook maar iets geleerd, of als geloofspunt gegeven, wat in strijd was met de leer, die zij tot dan toe had verkondigd. Nee, wat de Katholieke Kerk in de eerste eeuwen leerde en geloofde, dat leert en gelooft zij nog. Het woord van de grote Apostel naar zijn leerling Timotheus stond haar altijd voor de geest: “O Timotheus, bewaar het u toevertrouwde pand”, de schat van de waarheid, rein en ongeschonden! (1 Tim. 6, 20)

Een Protestant kan een geloofspunt, dat hij vandaag aanneemt, morgen openlijk verwerpen, zonder dat iemand er tegen in verzet komt. Zo gaat het niet, en zo ging het nooit in de Katholieke Kerk. Wanneer ooit een Katholiek ook maar één punt van de katholieke geloofsleer durft te verwerpen, dan hield hij daardoor onmiddellijk op een kind van de Katholieke Kerk te zijn. Daarvan was men altijd zo innig van overtuigd, dat men zo iemand zelf niet meer de naam Katholiek gaf. Dit zien we vaak in de geschiedenis van de verschillende ketterijen, die in de loop van de tijd aan de leer van de Kerk iets wilden veranderen. Haar volgelingen verloren de naam katholiek, en werden door de Kerk niet meer erkend als haar kinderen.

Hierom is de Katholieke Kerk vaak zwaar verweten, dat zij een vijandin is van ontwikkeling en vooruitgang. Dit verwijt klopt ongetwijfeld niet, als men daarmee bedoelt, dat de Kerk de ontwikkeling van het verstand, de bevordering van de goede zeden of zelfs de vooruitgang op het gebied van kunst en industrie in de weg zou staan. De Kerk heeft niet alleen het eeuwig, maar ook, alhoewel niet op de eerste plaats, het tijdelijk geluk van de mens op het oog; zij wil namelijk de hele mens gelukkig maken. Wil men door dat verwijt te kennen geven, dat de Katholieke Kerk in haar geloofs- en zedenleer nooit of te nimmer de minste verandering duldt, ja, dan heeft men gelijk, om de eenvoudige reden dat de waarheid niet kan veranderen[1]. Maar dan is dat geen verwijt, maar integendeel een lofrede, die laat zien met wat voor een onverbiddelijke strengheid de Kerk steeds vasthield aan de taak, die Christus haar oplegde, toen hij zei: “Gaat dus heen; onderwijst alle volken..... en leert ze onderhouden al wat Ik u heb geboden. Ziet, Ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld.”, dat alles, maar ook dat alleen, wat Christus zelf, niet wat een ander, geleerd heeft; “Ziet, Ik blijf altijd bij u”, u kunt dus niet afdwalen, “tot aan het einde der wereld” (Math. 28, 19-20).

Besluit van dit gedeelte

We hebben dus gezien en begrepen, dat de Kerk door Christus gesticht een eigenschap bezit, die, als beken uit een bron, uit de aard zelf van die Kerk voortvloeien, en dus ook onafscheidelijk met haar zijn verenigd: waar de Kerk van Christus is, zijn de eigenschappen, en waar die eigenschappen zijn, is de ware Kerk; net als wanneer ik zeg: waar een redelijke ziel en een lichaam tot één wezen verenigd zijn, daar is een mens en waar een mens is, daar is een redelijke ziel en een lichaam. En terwijl de bedoelde eigenschappen voor iedereen zichtbaar zijn, zijn zij ook de kenmerken, waaraan de Kerk van Christus eenvoudig en zonder twijfel herkend en van andere kerkgenootschappen onderscheiden kan worden.

Deze kenmerkende eigenschappen zijn, zoals wij al gezien hebben, de volgende vier:
1.            De ware Kerk van Christus moet Eén zijn en wel in twee opzichten. Zij moet namelijk staan onder de gehoorzaamheid van een zichtbaar Opperhoofd, die de wettige opvolger moet zijn van de H. Petrus, door Christus zelf aangesteld om in zijn plaats, dus als plaatsvervanger van Christus, de Kerk te besturen. Bovendien moet zij ook één zijn, wat haar Geloofsleer betreft, en dus altijd en overal dezelfde leer verkondigen.
2.            De ware Kerk van Christus moet een Heilige Kerk zijn; d.w.z. haar leer, haar instellingen en genademiddelen moeten zó zijn, dat zij hen, die haar leer en leiding trouw volgen, werkelijk opvoert tot meer dan gewone deugd, tot volmaaktheid en heiligheid; dit is namelijk ook het doel, waarvoor Christus zijn Kerk heeft gesticht. En omdat er in Jezus' ware Kerk altijd mensen gevonden worden, die in alles haar leiding zo trouw mogelijk volgen, spreekt het ook vanzelf, dat die Kerk zich altijd op ware Heiligen zal kunnen beroemen.
3.            De ware Kerk van Christus moet Katholiek zijn, d.w.z. over de hele wereld verspreid, omdat zij van haar Goddelijke Stichter de taak ontving om zijn heilige leer te verkondigen aan alle volken van de aarde, en zij, als ware Kerk van Christus, aan die roeping niet ontrouw kan worden.
4.            De ware Kerk van Christus moet Apostolisch zijn, d.w.z. haar overheden, haar herders moeten niet alleen de leer van de Apostelen verkondigen, maar ook door een onafgebroken en wettige opvolging met de eerste herders van de Kerk, de Apostelen, in verbinding staan.

In welke christelijke kerkgenootschap vindt men nu al deze vier eigenschappen? Ik denk dat ik nu duidelijk genoeg heb laten zien, dat zij alle vier aanwezig zijn in de Katholieke Kerk, en aan de andere kant net zo duidelijk dat zij in geen andere christelijke kerkgenootschap gevonden worden.

Om maar enkele punten in herinnering te brengen: waar is bij de Protestanten een zichtbaar opperhoofd, de wettige opvolger van de H. Petrus? Hoe staat het met hun eenheid van geloofsleer? Ontbreekt in het Lutheranisme het Calvinisme niet duidelijk de Apostoliteit? Of staan hun herders of geestelijke overheden onafgebroken in lijn met de Apostelen? De Anglicaanse Kerk, even terzijde gelaten dat zij aan een wellustige koning Hendrik VIII haar ontstaan te danken heeft, is zij werkelijk katholiek of algemeen verspreid? En kunnen we dit ook niet zeggen van de zogenaamde Oud-Roomsen en bij de Griekse Schismatieken?

Maar, lezer, als dit nu allemaal zo duidelijk is, kan of mag men dan beweren, dat de mens, die oprecht de waarheid zoekt, een groot verstand nodig heeft of geleerd moet zijn, om te zien, dat de Katholieke Kerk, en zij alleen, de ware Kerk is, die door Christus werd gesticht? Dat denk ik toch echt niet.

De Katholieke Kerk, ik beken het graag, heeft èn in haar leer èn in haar voorschriften dingen, die voor de eigenliefde en gemakzucht van de mens juist niet aangenaam zijn. Zij leert bijv., dat niet iedereen het recht heeft om de woorden van de H. Schrift volgens zijn persoonlijke opvatting te verklaren en zo op eigen gezag uit te maken, wat men wel of niet geloven moet. Zij leert, dat de macht, die Christus aan de priesters van zijn Kerk gegeven heeft om de zonde te vergeven of te behouden, ook de verplichting met zich mee brengt om de zonden aan de priester bekend te maken, te biechten; zij houdt de leer in stand, dat het huwelijk, eens tussen Christenen gesloten, alleen door de dood kan worden ontbonden en dat daarom, zolang de beide eerste echtgenoten leven, een tweede huwelijk in de ogen van God geen waarde heeft, en niets anders is dan een ongeoorloofde samenleving. Zij verplicht haar kinderen, onder zware zonde, op alle Zon- en bepaalde Feestdagen de H. Mis bij te wonen; zij schrijft verschillende vasten- en onthoudingsdagen voor. Dat is voor de hoogmoedige en zinnelijke mensen absoluut niet “plezierig” en ik begrijp goed, dat iemand, die daar niet van jongs af aan mee gewend is, dit kan afschrikken. Is het niet zo? Maar wij hebben het hier niet over de vraag, in welke Kerk men het plezierigst en makkelijkst kan leven: Maar we hebben het over de vraag, welke Kerk door Christus, onze Goddelijke Heiland, is gesticht; wat de Kerk is, tot wie Christus sprak: “Gaat en verkondigd het Evangelie aan alle schepselen”; “Die u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij” (Marc. 16,15; Math. 28,20; Luc. 10,16).

Nu dan, op die vraag heb ik nu denk ik een duidelijk en goed antwoord gegeven. De ware Kerk is geen andere dan die, die de wettige opvolger van Petrus als haar zichtbaar Opperhoofd heeft en als de plaatsvervanger van Christus eerbiedigt; die na 1900 jaar de storm van de vervolging getrotseerd en de haat en smaad van de goddelozen gedragen heeft en nu nog in jeugdige kracht en fierheid voor ons staat, is geen andere dan de Katholieke Kerk.

De bewijzen die de goddelijke Voorzienigheid ons gegeven heeft voor de waarheid, voor de goddelijke stichting van de katholieke Kerk, zijn zo duidelijk, zo doorslaand, dat we veilig het woord van de geleerde, vrome Richard van St. Victor, kunnen herhalen: “Zouden we ons bedriegen door de Katholieke Kerk als de ware, door Christus gestichte Kerk te erkennen, dan hebben wij die dwaling niet aan ons zelf te wijten, maar dan zouden wij door God zelf bedrogen zijn.”

Mocht u, lezer, na dit alles nog niet helemaal overtuigd zijn van de waarheid van de Katholieke Kerk, dan wil ik graag hiervoor de schuld op mij nemen; dan denk ik, dat ik in mijn betoog niet zo duidelijk ben geweest, als ik wilde en dacht te zijn. Maar sta mij toe, dat ik u, als vriend, die oprecht het beste met u voorheeft, een praktische raad geef. Herinner u, wat ik u bij onze kennismaking ook zei, dat namelijk het geloof, ik bedoel het bovennatuurlijk, in de ogen van God verdienstelijk geloof, een gave van God is, die niet alleen door redeneringen kan worden opgelegd. Ja zelfs, al zou het mij helemaal gelukt zijn u duidelijk de waarheid van de Katholieke Kerk te doen inzien, daarmee bent u nog niet van de schat van het geloof verzekerd. Dat geloof bestaat namelijk niet alleen in het inzien en begrijpen, maar in de kinderlijke en nederige onderwerping van ons verstand aan al de waarheden, die God geopenbaard heeft en door zijn Kerk ons laat geloven, ongeacht of die waarheden voor ons bekrompen verstand te begrijpen zijn of niet; ongeacht of de plichten die zij opleggen, ons bevallen of niet. Wat dus doen? Bidden, lezer, goed en oprecht bidden; want, nog eens, dat is het belangrijkst. Bid dus elke ochtend en avond, dat God u met zijn genade helpt, om de ware, door Christus gestichte Kerk te mogen kennen en na die Kerk erkend te hebben, u met een kinderlijke bereidwilligheid aan haar leer en leiding te onderwerpen. Zo'n gebed is ongetwijfeld aangenaam aan God en kan onmogelijk worden verstoten. Dezelfde Christus namelijk, die wil, dat u zijn Kerk eerbiedigt en gehoorzaamt, dus ook zeker wil, dat u haar kent, heeft gezegd: “Vraagt en u zult verkrijgen, klopt en u zal worden opengedaan.” (Math. 7, 7) Hij zal dus uw vurig en volhardend gebed verhoren; daar mag u niet aan twijfelen. Door zijn genade verlicht, zult u de waarheid in haar volle glans zien, uw pijnlijke onzekerheid zal plaats maken voor de meest rotsvaste overtuiging, en dankbaar voor Gods hulp, zult gij u in de armen werpen van Haar, aan wie Christus de grote taak toevertrouwde, alle mensen de enige en onfeilbare weg naar de hemel te wijzen, door de verkondiging van zijn goddelijke leer, de uitoefening van zijn goddelijk gezag en het uitdelen van zijn hemelse genademiddelen. Door altijd trouw te zijn aan die taak, heeft zij al aan vele duizenden van haar kinderen in dit leven de zoetste tevredenheid en in het andere leven de kroon der Heiligen gegeven.

In het derde en laatste gedeelte willen wij proberen enkele misten te verjagen, die u, ook al heeft u de waarheid al erkend, nog kunnen verduisteren, door enkele bezwaren te beantwoorden, die uit het verschil van belijdenis tussen Katholieken en Protestanten kunnen opkomen.



[1] Als we deze eenvoudige en onweerlegbare redenering goed bekijken, is dit genoeg om het Protestantisme van dwaling te overtuigen; “de waarheid verandert niet; u verandert; dus bent u de waarheid niet.” Dit is de sluitrede, die ten gronde ligt aan het beroemde werk van Bossuet: Histoire des variations des églises protestantes.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§33. Is de Katholieke Kerk werkelijk “APOSTOLISCH”, staan haar tegenwoordige bedienaren en herders door een onafgebroken en wettige opvolging in verbinding met de Apostelen?

Ongetwijfeld. Het klopt, niet alle bedienaren van de Katholieke Kerk zijn heilig en verrichten net zoals Luther  geen wonderen; maar, gelukkig hebben zij dit allebei niet nodig om de wettigheid van hun zending te bewijzen. Vraag aan een willekeurige katholieke priester: wie heeft u de bevoegdheid gegeven de Heilige Sacramenten toe te dienen en Gods woord te verkondigen? En hij zal u gelijk de bisschop noemen, door wie hij tot priester gewijd en met de zielzorg belast werd. Vraag daarna: van wie heeft die bisschop zijn macht ontvangen om u tot priester te wijden en als herder met de geestelijke zorg over anderen te belasten? En hij zal u gelijk de Paus, bijv. Leo XIII. aanwijzen, aan wie de bisschop zijn benoeming en wettige zending te danken heeft. Wie is Leo XIII? De wettig gekozen opvolger van Pius IX; hij is de wettige opvolger van Gregorius XVI; hij van Pius VIII; hij van Leo XII, en zo de rij van pausen volgend, komt men uiteindelijk bij de H. Petrus, die zijn waardigheid als zichtbaar Opperhoofd van de Kerk van Christus zelf ontving. Deze wettig aangestelde Opperherders hebben, hetzij direct of indirect, op hun beurt weer al de andere herders van de Kerk, bisschoppen en priesters, aangesteld en gezonden.

En al zou een niet-katholiek kerkgenootschap, bijvoorbeeld één uit het Oosten, een rij van herders kunnen aanwijzen, en uit komen bij de Apostelen, het zou daarom nog geen recht hebben op de naam Apostolisch, in zijn ware en volle betekenis. Waarom niet? Omdat de opvolging van die herders, hoewel onafgebroken, toch niet wettig zou zijn, omdat zij zich tegen de leer of tenminste tegen het gezag van de ware opvolgers van de Apostelen verzetten en men het tijdstip en de omstandigheden kan aanwijzen, waarop zij zich van de wettige herders van de Kerk hebben afgescheiden. De Griekse Kerkvader Gregorius van Nazianze zegt hierover, zeer terecht: “Niet degene, die met geweld is binnengedrongen, moet als opvolger gezien worden, maar degene die het geweld is aangedaan; niet degene die de wetten geschonden heeft, maar die volgens de wetten is aangesteld; niet degene, die tegenstrijdige leerstellingen aanhangt, maar degene die met hetzelfde geloof is toegerust; of men moest van een opvolger spreken in dezelfde zin als wij zeggen, dat op gezondheid ziekte, op licht duisternis, op stil weer storm, op wijsheid waanzin volgt.” (Lofrede op Athanasius, nr. 8)

Zo is het niet in de Katholieke Kerk, van wie de herders door een onafgebroken en wettige opvolging in verbinding staan met de Apostelen. De lange rij van haar herders is zoals een ketting, waarvan de ene schakel in de andere sluit, en waarvan de eerste schakel Petrus, of, beter gezegd, Christus zelf is. De Katholieke Kerk is als een boom, die zijn enorme takken steeds verder en voller uitbreidend, onveranderlijk en onverplaatsbaar steunen blijft op de éne wortel, waaruit hij ontsproot.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 8 januari 2017

§32. Staan de herders of Evangelisten van het Protestantisme door een wettige opvolging in verbinding met de Apostelen, de eerste wettige bedienaren van Jezus' Kerk?

Van wie hebben de zogenaamde “Evangelisten” van de Protestanten hun zending, hun macht of bevoegdheid ontvangen? Kijken we naar Luther.

Van wie ontving Luther de last of zending om een nieuwe leer te verkondigen? Absoluut niet onmiddellijk van de Apostelen, daarvoor kwam hij 1500 jaar te laat. Ook niet van hun wettige opvolgers, want de wettige opvolgers ten tijde van Luthers optreden waren of de overheden van de Katholieke Kerk, of zij bestonden niet. Er is hier geen middenweg. Want zeg mij eens eerlijk: waar zouden toen, buiten de Katholieke Kerk, de wettige opvolgers van de Apostelen geweest zijn?

De overheden van de Katholieke Kerk hebben in ieder geval Luther de taak niet gegeven om een leer te verkondigen, die met de katholieke leer in strijd is. Deze leer hebben dezelfde overheden in het Concilie van Trente zo uitdrukkelijk mogelijk veroordeeld. Bovendien deed hij zich ook absoluut niet voor, als door de Paus of zijn wettige Bisschop gezonden; hij wilde niets van hen weten en overlaadde de kerkelijke overheid (verg. §22) met de vernederendste beledigingen en kwaadsprekerij. Luther had dus geen wettige zending ontvangen, niet van de Apostelen zelf en niet van hun wettige opvolgers. Dit is duidelijk.

Ook Luther zelf voelde dit heel goed aan, en daarom kon hij ook niets anders dan beweren, dat hij onmiddellijk door God zelf geroepen was.

Maar u begrijpt, lezer, zo iets kan men makkelijk zeggen, maar dit moet goed bewezen worden. De Apostelen beweerden, en zeker terecht, dat zij onmiddellijk door God waren gezonden; maar zij bewezen die goddelijke zending, vooral door wonderen. Als zij dit niet gedaan hadden, dan zou men namelijk onredelijk en lichtvaardig gehandeld hebben door hun woorden te geloven. Maar welke bewijzen heeft Luther gegeven, dat hem door God zelf de taak was opgelegd om een nieuwe leer te verkondigen? Absoluut geen één. Het is namelijk overbekend dat Luther nooit een wonder heeft verricht, waaruit kon blijken, dat hij werkelijk door God zelf was gezonden. En dat voor die goddelijke zending absoluut geen bewijs te vinden is in de heiligheid van Luthers leven, hebben we al gezien (§ 23).

Luther, de vader van het Protestantisme, en met hem Calvijn, Zwingli en andere sektehoofden, ontvingen dus niet van God zelf een bepaalde zending; ook niet van de Apostelen of van hun wettige opvolgers, maar stonden gewoon op eigen gezag op om een nieuwe leer te verkondigen. Hieruit volgt, dat noch zijzelf, noch de latere bedienaren van het Protestantisme door een wettige opvolging met de Apostelen in verbinding staan. Neem aan dat de tegenwoordige bedienaren hun voorgangers telkens hebben opgevolgd; dan zou men dus kunnen terug tellen tot Luther, maar niet verder. Daar wordt namelijk alle opvolging verbroken; want Luther was de wettige opvolger van …....niemand. Maar is dit zo, dan is de protestantse godsdienst, maar ook zijn leer, niet Apostolisch. d.w.z. niet de ware, door Christus gestichte Kerk, van wie de bedienaren en herders altijd de wettige opvolgers moeten zijn van haar eerste bedienaren en herders, de Apostelen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§31. Is de leer van het Protestantisme Apostolisch m.a.w. is de leer van de Protestanten hetzelfde als de leer van de Apostelen?

We hebben net gezegd dat ongeletterde mensen onmogelijk van bepaalde bijzonderheden kunnen uitmaken wat de Apostelen geleerd hebben, zonder eerst te weten welke de ware Kerk  is, aan wie Christus zijn voortdurende bijstand tegen afdwaling heeft beloofd.

Net zo goed zal iedereen al snel begrijpen dat de Apostelen zichzelf nooit hebben tegengesproken, en zo iets moet men toch aannemen om te geloven dat in de leer van de Protestanten de ware leer van de Apostelen gevonden wordt. De ontelbare sekten namelijk, die men onder de Protestanten aantreft, hebben allemaal hun eigen leer. Wat de één gelooft, gelooft de ander niet; wat de één als uitgemaakte waarheid ziet, wordt door de ander als onwaarheid verworpen. Luther hield eraan vast dat men in het avondmaal werkelijk het lichaam en bloed van Christus ontvangt en Calvijn beweerde, dat dat absoluut niet het geval was. Hoe zulke tegenstrijdige leringen door de Apostelen gepreekt zouden zijn, kan ik niet begrijpen.

Evenwel ontbreekt het bij de Protestanten niet aan scherpzinnige beredeneringen waarmee zij zich hierover proberen te verantwoorden. De Apostelen – zo zeggen zij – hielden zich zeker aan de H. Schrift; dus is onze leer ook zeker de leer van de Apostelen.

Die redenering zullen sommigen even toelachen, maar als we er dieper op ingaan, zien we dat het totaal niet klopt. De Apostelen, zegt u, hielden zich in hun prediking aan het woord van de H. Schrift. Dat is absoluut waar in die zin, dat zij niets geleerd hebben dat met het geschreven woord van God in strijd was; maar neemt niet weg dat de Apostelen behalve de waarheden die zij in de H. Schrift lazen, ook andere waarheden hebben gepredikt, die niet in de H. Schrift stonden, en die zij daarin ook niet hebben neergeschreven. Wij hebben namelijk al gezien en zullen later uitvoeriger zien (§ 37), dat de Apostelen en Evangelisten niet de hele leer van Christus hebben opgeschreven, en toch hebben zij de hele leer van Christus verkondigd en moeten verkondigen, zoals Christus hen oplegde: ‘Onderwijst alle volken en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb’. Daarom hebben zij ook waarheden verkondigd, die niet in de H. Schrift staan. Christus had ook niet tot Zijn Apostelen gezegd: gaat en schrijft het Evangelie, maar ‘gaat en predikt het Evangelie aan alle schepselen.’ (Marc. 16, 15). Dat hebben de Apostelen gedaan. Zij hebben de waarheden die hen door Christus of door ingeving van de H. Geest waren geleerd, mondeling verkondigd en de meesten van hen schreven alleen om, bij verschillende gelegenheden en om bijzondere redenen, het woord te richten tot diegenen die zij niet mondeling konden onderrichten.

Men kan dus niet zeggen: ik geloof alles wat in de H. Schrift staat, dus geloof ik alles wat de Apostelen hebben geleerd. Want wil deze gevolgtrekking kloppen, moet worden aangetoond dat de Apostelen niets hebben geleerd wat niet in de H. Schrift opgetekend was. Dit is niet alleen onmogelijk te bewijzen, maar, zoals wij later zullen zien, het is bewezen dat zij behalve wat in de H. Schrift staat, ook andere dingen hebben geleerd die er niet in staan en daarom meestal Apostolische Overleveringen worden genoemd.

Hier zien we dus in twee woorden de opwerping, ‘De Apostelen hielden zich aan de H. Schrift en dat doen wij Protestanten ook’ weerlegd.

Wij kunnen hierop ja en nee zeggen: Ja, de Apostelen hielden zich ook aan de H. Schrift; nee, zij hielden zich aan de leer van Christus. En omdat jullie, Protestanten, je aan de Schrift alleen houdt, houden jullie je niet aan de volledige leer van de Apostelen. Maar behalve dit, valt er op deze redenering nog iets aan te merken. Zij zeggen: ‘Wij houden ons aan de H. Schrift.’ Wat de orthodoxe Protestanten betreft, wil ik dat geloven; maar hoe houden zij zich aan de H. Schrift? Zij houden zich aan de letter, aan de letterlijke uitdrukking zoals die in de H. Schrift geschreven is. Maar wat heb je daaraan als je aan de uitdrukking of het Woord van de H. Schrift een hele andere betekenis geeft dan wat door de H. Schrift wordt bedoeld? Een voorbeeld ter verduidelijking. In de H. Schrift lezen wij, dat Christus in het laatste avondmaal het brood in Zijn gezegende handen nam en sprak: ‘Neemt en eet, dit is Mijn lichaam’ (Matth. 26, 26). Zowel Luther als Calvijn hielden zich aan die woorden van de H. Schrift. Maar hielden zij zich nu ook allebei aan de leer van de H. Schrift? Onmogelijk; Luther beweerde namelijk, zoals wij al vaker hebben gezien, dat men volgens die woorden in de H. Communie of het avondmaal, werkelijk het goddelijk lichaam en bloed van Christus ontvangt; Calvijn daarentegen wilde daar niets van weten en hield vol dat diezelfde woorden van Christus: ‘dit is Mijn lichaam’ moest worden gezien in de zin van ‘dit betekent Mijn lichaam’, zodat men, volgens hem, in het avondmaal absoluut niet werkelijk het lichaam van Christus ontvangt, maar alleen brood als een afbeelding van het lichaam van Christus. De leer van Calvijn was dus, en wel in het belangrijkste geloofspunt, lijnrecht in strijd met de leer van Luther. Twee tegenstrijdigheden kunnen onmogelijk allebei tegelijk waar zijn. Het is dus onmogelijk, dat Luther en Calvijn allebei de waarheid verkondigden, en omdat de H. Schrift zeker de waarheid verkondigt, is het onmogelijk, dat ze zich allebei hielden aan de leer van de H. Schrift. U ziet dus hoe men zich kan houden aan de letter of aan het woord van de H. Schrift, en dat toch hetgene wat door dat woord wordt geleerd, helemaal van de H. Schrift kan afwijken.

Dit wat de leer van het Protestantisme betreft. Laten we nu kijken hoe het staat met zijn bedienaren.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

dinsdag 27 december 2016

§30. Wat betekent het, dat de ware Kerk van Christus Apostolisch moet zijn?

VIERDE HOOFDSTUK – De ware Kerk van Christus moet APOSTOLISCH zijn.


§30. Wat betekent het, dat de ware Kerk van Christus Apostolisch moet zijn?


Dat betekent: zij moet 1. dezelfde leer verkondigen, die de Apostelen hebben verkondigd en 2. de overheden van die Kerk moeten door een onafgebroken en wettige opvolging in verbinding staan met de Apostelen. In twee woorden: zowel de leer als het gezag moet van de Apostelen en dus van Christus zelf afkomstig zijn. Dit kunnen we makkelijk bewijzen.

Want wat het eerste punt betreft, is het al erg duidelijk en iedereen zal toegeven, dat die Kerk, die beweert de ware Kerk van Christus te zijn, ook de ware leer van Christus moet bezitten. Nu dan, de ware leer van Christus was ongetwijfeld, degene die door de Apostelen werd verkondigd; hieruit volgt dus, dat die Kerk, die inderdaad Christus' Kerk is, ook die leer moet verkondigen, die de Apostelen hebben verkondigd.

We moeten hierbij wel opmerken, dat het verkondigen van de ware leer van de Apostelen of, zoals de Protestanten zich vaak uitdrukken, van het zuivere Evangelie, wel een noodzakelijke vereiste is voor de ware  Kerk, maar daarom nog niet een goed kenmerk of onderscheidingsteken, waaraan iedereen de ware Kerk van Christus eenvoudig kan herkennen.

Waarom niet? Omdat het voor bijna alle mensen onmogelijk is door eigen onderzoek met zekerheid te kunnen weten, of een leer, die hun door een bepaalde kerkgenootschap wordt voorgehouden, werkelijk in alles overeenstemt met die leer, die door de Apostelen werd verkondigd. Daarvoor is het nodig, om punt voor punt de leer van deze kerkgenootschap te vergelijken met de leer van de Apostelen. Maar dan moet men dus eerst precies weten wat de Apostelen hebben geleerd. En dit kunnen de gewone gelovigen onmogelijk met zekerheid achterhalen, want daar is een meer dan gewone geleerdheid voor nodig. Wat Christus en zijn Apostelen geleerd hebben, moet zij daarom te weten komen door de herders van de Kerk, tot wie Christus gezegd heeft: “Gaat over de hele wereld en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen!” (Marc, 16,15) “Zie ik ben met u al de dagen, tot het einde van de eeuwen.” (Math. 28,20)

Zij moeten dus eerst uit andere kentekens weten, wat de ware Kerk is, aan wie Christus de verkondiging van zijn leer heeft toevertrouwd en zijn onophoudelijke bijstand heeft beloofd. Als zij dit eenmaal weten, dan kunnen zij pas helemaal zeker zijn, dat de leer, die door die Kerk wordt voorgehouden, onmogelijk in strijd kan zijn met de leer van Christus of van zijn Apostelen.

Maar zoals we als gezegd hebben, de ware Kerk van Christus moet ook nog in een ander opzicht Apostolisch zijn: haar overheden moeten namelijk door een onafgebroken en wettige opvolging in verbinding staan met de Apostelen. Deze eigenschap is tegelijk een kenteken, waardoor de ware Kerk van Christus eenvoudig kan worden onderscheiden; En over dit kenmerk, de Apostolische opvolging van de herders in de Kerk, zullen wij het nu gaan hebben.

Christus heeft zijn Apostelen belast, om zijn Kerk voort te planten over de hele aarde. Maar die Apostelen zouden al snel hun leven eindigen met de marteldood, en bovendien konden zij tijdens hun leven ook niet op alle plaatsen tegelijk zijn. Zij moesten dus medewerkers hebben, die hen al tijdens hun leven krachtig zouden helpen en na hun dood het Apostolisch werk zouden voortzetten.

Maar door wie moesten deze medewerkers worden aangesteld? Door Christus zelf? Maar Christus was  na zijn Hemelvaart niet meer zichtbaar bij hen op aarde.

Mocht dan misschien iedereen, die zich daar toe getrokken voelde, of zin had, zich op eigen gezag het recht aanmatigen om als overheid op te treden, de Kerk te besturen, de Sacramenten toe te dienen, en Jezus' leer te verkondigen? Nee, natuurlijk niet, dit zou de grootste verwarring veroorzaken en het voortbestaan van de Kerk onmogelijk hebben gemaakt.

Deze medewerkers van de Apostelen moesten evenals de Apostelen, wettige bedienaren zijn van Jezus' Kerk. Zij konden en moesten door niemand anders worden aangesteld dan door de Apostelen zelf, onder toezicht van Petrus, hun zichtbaar Opperhoofd.

Tot hen had Christus namelijk gezegd: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” (Joh. 20, 21) Zoals dus Christus, om de taak te volbrengen die zijn Vader hem had opgelegd, de Apostelen uitgekozen had als zijn medewerkers, zo moesten ook zij op hun beurt mannen kiezen, die hen zouden helpen hun taak te volbrengen; door een reeks van wettige opvolgers zou deze taak worden voortgezet tot het einde van de eeuwen.

Deze waarheid kan men ook eenvoudig aantonen door een vergelijking. Als een wettig vorst in een rijk de hoogste macht in handen heeft, dan bezit ook hij alleen het recht, om, hetzij onmiddellijk door zichzelf, hetzij door tussenkomst van zijn staatsdienaren, diegenen te benoemen, die hij wil, om hem in het bestuur en andere ambtszaken te helpen; terecht zou degene, die zich zonder toestemming van de vorst als wettige staatsbeambte voordoet, als een vreemde indringer gezien worden. Nu dan, de H. Petrus was door Christus zelf aangesteld als zijn plaatsvervanger op aarde, als zichtbaar Hoofd van de Kerk: “Gij zijt Petrus; op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen.” “Weid mijn lammeren, weid mij schapen.” Petrus, en onder zijn oppertoezicht en met zijn goedkeuring, ook de ander Apostelen, hadden dus alleen het recht om personen aan te stellen, door wie zij wilden bijgestaan worden om de Kerk te besturen, de Sacramenten toe te dienen en Gods woord te verkondigen.

En dat zij dat recht ook werkelijk hebben uitgeoefend, blijkt overduidelijk uit de geschiedenis van de Kerk. Het is namelijk algemeen bekend, dat o.a. De H. Timotheus en de H. Titus door de Apostelen met de bisschoppelijke waardigheid bekleed en met het bestuur van een deel van de Kerk belast werden.

Deze bisschoppen, die van de H. Petrus, of met zijn goedkeuring, van de andere Apostelen hun waardigheid en wettige zending hadden ontvangen, stelden in dat gedeelte van de Kerk, dat aan hun zorg was toevertrouwd, op hun beurt weer andere, ondergeschikte priesters aan, door wie zij in hun geestelijk werk werden geholpen. Een duidelijk bewijs hiervan geeft de H. Paulus in één van zijn brieven, waar hij aan Titus, de door hem aangestelde bisschop, schrijft: “Daarom heb ik u te Kreta achtergelaten, opdat gij datgene, wat nog niet is gelijk het behoort, in orde zoudt brengen en de verschillende steden van priesters voorzien, gelijk ik u ook (mondeling) gelast hebt.” (Tit. 1, 5)

Hieruit volgt dus, dat de ware Kerk van Christus een Kerk is, waarvan de wettige overheden allemaal, indirect of direct in betrekking moeten staan met de Apostelen. Bij Petrus en bij de Apostelen, in eenheid met hem, berustte de hoogste macht in de Kerk, en alleen in zoverre zij of hun wettige opvolgers het wilden, kon die macht aan de anderen worden gegeven.

De door Christus gestichte Kerk moet dus in twee opzichten apostolisch zijn:
1.            haar leer moet hetzelfde zijn als die van de Apostelen
2.            haar herders moeten hun macht ontvangen van de Apostelen of van hun wettige opvolgers en zo door een onafgebroken en wettige opvolging met de Apostelen zijn verbonden.

Hoe staat het wat dit betreft met het Protestantisme?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§29. De ware Kerk van Christus heeft zich van het begin af onderscheiden door de naam “Katholieke Kerk.”

De ware Kerk van Christus moet als gevolg van haar roeping niet alleen katholiek of algemeen zijn, maar zij heeft als gevolg van haar snelle verbreiding ook werkelijk de naam “Katholiek” al gedragen in de eerste eeuwen van haar bestaan. Die Kerk namelijk, waartoe de H. martelaar Ignatius, de H. Justinus, de H. Cyrillus van Jeruzalem, de H. Basilius, de H. Johannes Chrysostomus, de H. Hieronymus, de H. Augustinus en andere Heiligen van de eerste eeuwen behoorden, zal toch zeker wel de ware Kerk van Christus zijn geweest. Nu dan, die Kerk, waartoe zij behoorden, en die de Paus van Rome als de wettige opvolger van Petrus, als de plaatsvervanger van Christus en als haar zichtbaar opperhoofd erkende, die Kerk werd door hen en hun tijdgenoten eenvoudig de “Katholieke Kerk” genoemd.

Wel probeerden dwaalleraars haar deze naam van het begin af te ontnemen en die aan hun eigen sekte te geven, maar toen net zoals nu, tevergeefs. Die sekten kregen de naam van haar hoofd of stichter en werden  daarom Donatisten, Valentinianen, Arianen, Nestorianen, enz. genoemd, zoals men nu de volgelingen van Luther, Calvijn en Menno, Lutheranen, Calvinisten en Mennonieten noemt; alleen de ware Kerk van Christus werd door iedereen, vriend of vijand, de Katholieke Kerk genoemd. De H. Augustinus zei in de 4 eeuw (De vera Relig. C. 7): “Wij moeten vasthouden aan die Kerk, die de Katholieke is en de Katholieke genoemd wordt, niet alleen door haar eigen kinderen, maar ook door haar tegenstanders. Want ook degenen die zich van de Kerk hebben losgerukt, noemen haar, als zij met anderen spreken, de Katholieke Kerk. Zij zouden niet eens begrepen worden, als zij een andere naam zouden gebruiken.

Het is dus duidelijk, dat in de eerste eeuwen de ware Kerk van Christus al de naam “Katholieke” Kerk had, en juist door die naam van andere sekten of kerken werd onderscheiden.

Kan men zich nu indenken, dat de ware Kerk van Christus later die naam verloren zou hebben, en dat deze op een valse godsdienst zou zijn overgebracht? Het lijkt mij dat deze gedachte niet erg gepast is. Als Christus namelijk zo iets had toegelaten, dan moesten de gelovigen, die vroeger gewend waren zijn ware Kerk juist door die naam te onderscheiden, door deze naamsverandering in de war en op het dwaalspoor zijn geraakt. Dat Christus dit zou hebben toegestaan, kunnen we moeilijk aannemen.

Als men toegeeft, dat de ware Kerk van Christus de naam, die zij in de eerste eeuwen had en waarmee zij zich van de andere kerken onderscheidde, niet heeft verloren, dan moet men ook toegeven, dat die Kerk, die nu nog deze naam draagt, nl. de Katholieke Kerk, dezelfde Kerk is, die al in de eerste eeuwen deze naam had en dat zij dus nu net zo goed als toen, de ware Kerk is, door Christus gesticht.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

maandag 12 december 2016

§28. Is de Katholieke kerk inderdaad “KATHOLIEK” of algemeen verspreid?

Zonder twijfel. De Katholieke Kerk bestaat namelijk niet uit een vereniging van verschillende sekten of geloofsbelijdenissen, maar, en hier gaat het om, uit een vereniging van gelovigen, die allemaal, zonder uitzondering, precies dezelfde geloofsleer belijden, dezelfde Sacramenten ontvangen en gehoorzamen aan één en hetzelfde Opperhoofd, de Paus van Rome. En die gelovigen zijn verspreid over de hele wereld. Er zijn ongetwijfeld nog veel mensen en zelfs hele volken, die het katholiek geloof niet belijden, maar toch geen werelddeel, bijna geen land zo afgelegen, of de Katholieke Kerk heeft er haar kinderen, bijna geen volk zo woest of barbaars, of het heeft de stem gehoord van een missionaris, die, door de Katholieke Kerk gezonden, alles heeft opgeofferd wat hem in zijn eigen vaderland zo dierbaar was, om aan die verlaten kinderen van de wildernis de leer van Jezus te verkondigen.

Ook andere godsdiensten hebben zendelingen, dat ontken ik niet, maar herinner u wat ik al over hen gezegd heb: hen ontbreekt de eenheid en de wettige zending. En wat hun aantal en offervaardigheid betreft, overtreffen ze de Katholieke Kerk in ieder geval niet.

Christus heeft zijn Kerk de roeping toevertrouwd om zich over de hele wereld te verspreiden en zijn zaligmakende leer te verkondigen aan alle geslachten van de aarde. Van de Katholieke Kerk kan men inderdaad zeggen, dat zij altijd aan die roeping trouw is gebleven. Zij alleen heeft de woeste volken van ons vroeger heidens Europa tot het Christendom bekeerd. Deze Kerk is het die zonder de ontberingen, opofferingen, zonder zelfs de marteldood te ontzien, haar priesters uitzend naar de meest afgelegen delen van de aarde. En wat hier vooral belangrijk is: hoewel zij altijd, alles wat slecht is tot vijand had, telt zij minstens 400 miljoen kinderen meer dan alle Protestantse sekten samen.

Wat verder haar uitgestrektheid betreft, zij heeft o.a. 640 aartsbisdommen en 2200 bisdommen over de hele wereld verspreid. De Katholieke Kerk is dus niet alleen in naam, maar ook werkelijk “katholiek” of algemeen; en zo laat zij ook zien dat ze dus werkelijk die eigenschap bezit, die de ware, door Christus gestichte Kerk moet bezitten, dat zij namelijk, als gevolg van haar roeping, zich moet uitstrekken over de hele wereld en Jezus' heilige leer verkondigen aan alle schepsels.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen