dinsdag 18 april 2017

De Bijbel over Maria

Maria is de slangenvertrapster

Gen. 3:
15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.
God zet vijandschap tussen “u” (Satan) en de vrouw (Maria). In Openbaringen 12 zie je de vervulling hiervan. In vers 13 staat dat de draak (Satan) krijg voert tegen de vrouw (Maria) en daarna (zie vers 17) tegen haar zaad die de geboden van God bewaren (de gelovigen). De Bijbel begint en eindigt dus met de Satan die strijd voert tegen de vrouw en haar zaad.

Richteren 4: 17-24
17 Maar Sísera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; want er was vrede tussen Jabin, den koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, den Keniet.
18 Jaël nu ging uit, Sísera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.
19 Daarna zeide hij tot haar: Geef mij toch een weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.
20 Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.
21 Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
5: 24
24 Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!
Vele personen uit het Oude Testament verwijzen naar de Tweede Adam, Christus, die komen zou. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Mozes, Simson en David. Maar ook van de H. Maria, de Tweede Eva, vind je dergelijke beelden, zoals bovenstaand voorbeeld.
Na de overwinning van Israel op de Kanaänieten zongen Debóra, en Barak, de zoon van Abinóam, een overwinningslied waarin o.a. staat: "Maar gezegend zij Jaël onder de vrouwen, Gezegend onder haar, die in tenten verblijven." Daarin herkent natuurlijk elke katholiek het Weesgegroet, waarin o.a. staat: "Gij zijt de gezegende onder de vrouwen." Jaël is ook een typisch beeld van Maria, zij verslaat de leider van Israels vijand, net als Maria die de vijand van God volk verslaat, zij is het namelijk die de kop van de slang, de Duivel, vermorzeld (Gen. 3: 15, Open. 22).

zaterdag 15 april 2017

§ 45. Van de Biecht kan toch misbruik worden gemaakt?

Zeker, van de biecht kan net zo goed misbruik worden gemaakt als alle andere heilige zaken. De priester zou bijv. het hem toevertrouwde geheim kunnen doorvertellen. Maar zeg me nu eens eerlijk, hoe vaak heeft u daarover een klacht gehoord? En toch zijn er duizenden priesters en worden er jaarlijks miljoenen biechten gesproken.

De zondaar kan zijn zonden verzwijgen, hij kan biechten zonder oprecht berouw, of biechten zonder vast voornemen afstand te doen van de zonde. Maar dan weet hij toch ook, van jongs af aan, dat zo’n Biecht alleen maar de hoeveelheid zonden met een heiligschennis zal vermeerderen? En wat doet het er overigens toe? Mag men bijv. een geneesmiddel afkeuren omdat het ook ten nadele van de gezondheid kan worden gebruikt? En wat kunnen we dan wel niet zeggen over het Bijbellezen, waarvan door honderden misbruik wordt gemaakt, om het Christendom aan te vallen en zelfs de Bijbel van elk goddelijk gezag te ontnemen?

Het is geen wonder dat degenen die altijd wel wat tegen de Biecht in weten te brengen, altijd andersdenkenden zijn of Katholieken die hun godsdienstplichten verwaarlozen, oftewel degenen die er niets van weten door eigen ervaring, of, zoals ook vaak gebeurt, dit Sacrament bestrijden om zichzelf te rechtvaardigen, m.a.w. om zich door valse schaamte van de Biecht te laten terugschrikken en om zichzelf te verontschuldigen, liever een smet werpen op het Sacrament dan op zichzelf.

Zou het, om de waarheid te achterhalen, niet beter en voorzichtiger zijn die Katholieken te raadplegen die vaak gebruik maken van de Biecht en dus uit ervaring kunnen spreken? Welnu, vraag hen eens hoe zij denken over de Biecht. Ik weet zeker dat ze dit Sacrament allemaal zullen prijzen als een van de meest zegenrijke instellingen die Christus aan Zijn Kerk heeft nagelaten. En de ervaring leert dat zij daarin gelijk hebben. Zonder de minste vrees voor tegenspraak mogen we toch zeggen dat over het algemeen, diegenen die het vaakst gebruik maken van de biecht, ook de beste en meest voorbeeldige Katholieken zijn. En dit is niet verwonderlijk. De Biecht eist namelijk als voorbereiding een oprecht berouw, met het vaste voornemen om voortaan de zonde en de gelegenheid tot zonde te vermijden. Dit alleen al zou genoeg moeten zijn om de Biecht als genademiddel hoog te waarderen.

Maar, behalve dat: Wat is meer geschikt om de gevallen en berouwvolle zondaar te bemoedigen en hem met een dankbaar en edelmoedig hart voortaan de weg van de deugd te doen volgen, dan de troostvolle verzekering, dat zijn zonden zijn uitgewist door Hem die tot de bedienaren van de Kerk heeft gezegd: ‘Wiens zonden gij zult vergeven, die zijn ze vergeven.’? Ik zelf ben er als priester zo vaak getuige van geweest, hoe een arme, ver afgedwaalde zondaar in naam van Christus de vergeving van zonden ontving, na in een goede biecht zijn hart oprecht te hebben uitgestort, en hierdoor in tranen uitbarstte van blijdschap en dankbaarheid. Werden zulke boetelingen dan altijd heilig? Nee, want de zwakheid van de mensen is zo groot, dat men, ook na de edelmoedigste voornemens, vaak in vroegere fouten terugvalt. Maar toch, dan kan een zondaar wel nog zo diep gevallen zijn, nog zo ver van de goede weg zijn afgedwaald en zijn zondige gewoontes zo diep verankerd zitten, dan durf ik nog vol te houden, dat hij in een jaar tijd helemaal veranderd is, en zelfs in een braaf en voorbeeldig Christen zal zijn herschapen.

Wie mij hier van overdrijving zou willen beschuldigen, zou eens een keer de moeite moeten nemen om zijn katholieke kennissen te ondervragen of zij, dit wat ik hier zeg, ook overdreven durven noemen, en hij zal er achter komen dat zij het met mij eens zijn. Welnu, wij kunnen beiden uit ervaring spreken.


Als nu (wat ik naar mijn mening nu duidelijk genoeg heb laten zien) de verplichting om zijn zonden te belijden onmiddellijk en noodzakelijk voortkomt uit de macht die Christus zelf aan Zijn Kerk heeft geschonken om de zonden te vergeven of te behouden, (en daarom de Biecht geen kerkelijke, maar een goddelijke instelling is) en als de Biecht dan ook nog een van de meest invloedrijke en krachtige middelen is om de mens op de weg van de deugd te bewaren en terug te voeren, is het dan niet duidelijk dat het heel erg onverantwoord en noodlottig was de Biecht af te schaffen?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 9 april 2017

§ 44. Heeft Christus ooit gezegd dat wij onze zonden moeten biechten?

Christus heeft, zoals wij uit de H. Schrift weten, dan wel niet letterlijk gezegd: ‘Mensen, Ik wil dat gij uw zonden aan de priester belijdt.’, maar toch heeft Christus ons die verplichting opgelegd. Hoe dan? Door aan Zijn Kerk een macht te schenken die zij, wanneer de mensen hun zonden niet biechten, onmogelijk goed kunnen uitoefenen; dit is dus een macht die de verplichting om zijn zonden te belijden, noodzakelijk in zich sluit.

Heeft Christus niet tot Zijn Apostelen gezegd: ‘Ontvangt de H. Geest! Wiens zonden u zult vergeven, die zijn ze vergeven; wiens zonden u houdt, die zijn ze gehouden.’ (Joh. 20, 22-23) Met deze woorden ontvingen de Apostelen en hun wettige opvolgers dus de macht - niet om in alle voorkomende gevallen de zonden te vergeven, ook niet om altijd de zonde te behouden, maar om één van beide te doen: vergeven of behouden, d.i. niet te vergeven. Mogen de Apostelen of hun opvolgers, de priesters, bij het uitoefenen van deze macht blindelings te werk gaan? Zou het Christus’ bedoeling geweest zijn, dat de verheven macht die Hij hier aan Zijn Kerk schonk, door de bedienaren van de Kerk zonder oordeel en naar willekeur zou worden uitgeoefend?

Stelt u zich eens voor, lezer, dat H. M. de Koningin u de macht zou geven om in uw woonplaats iedereen die de wet overtreedt, hun verdiende straf kwijt te schelden of dit juist niet te doen, met de belofte, dat uw beslissing door haar koninklijk gezag zal worden bekrachtigd. Denkt u dan dat u het recht hebt ontvangen om naar willekeur de één alles kwijt te schelden en de ander niet, zonder te weten wat zij fout hadden gedaan en hoe zij nu gestemd waren, zonder de zaak nader te onderzoeken? Denkt u echt dat een verstandig vorst het zal maken, om zo’n lichtvaardig vonnis met zijn oppergezag te bekrachtigen? Dat zou pas dwaas zijn. Het spreekt namelijk voor zich, dat u bij de uitoefening van die macht, ook al heeft de vorstin dit niet uitdrukkelijk bevolen, rechtvaardig en met onderscheid te werk moet gaan, en dat u daarom voordat u een beslissing neemt, eerst op de hoogte moet zijn van wat de verschillende personen misdreven hebben, en of zij bereid zijn de wetten voortaan beter te onderhouden of niet?

Welnu, Christus gaf aan Zijn Apostelen de macht, om in Zijn naam en op Zijn gezag de zonden te vergeven of te behouden, met de belofte dat hun beslissing in de hemel zou worden bekrachtigd. Alleen al de verhevenheid van deze macht eist dat zij door de bedienaren van de Kerk moet worden uitgeoefend met de nodige voorzichtigheid, oordeel en onderscheid en dus niet blindelings en naar willekeur. Maar hoe kan de priester, de bedienaar van de Kerk, bij het uitoefenen van deze macht, met beleid te werk gaan als hij niet eens weet wat hij wel en wat hij niet moet vergeven?

Om dit nog duidelijker te maken, geven we een voorbeeld. Honderd gelovigen komen bij een priester om, volgens de macht die Christus aan Zijn Kerk gegeven heeft, vergeving van zonden te ontvangen. Allen zeggen ze eenparig: ‘wij hebben gezondigd en hebben daarover berouw’; maar zonder dat iemand zegt wat hij verkeerd heeft gedaan. Wat moet een priester in zo’n geval doen? Zonder verder te onderzoeken, aan iedereen vergeving schenken? Of die kortweg aan iedereen weigeren? of de ene helft vergeven en de ander niet? Zou dat een waardig gebruik zijn van de macht die Christus aan Zijn Kerk heeft geschonken? Is het denkbaar dat God zo’n ondoordachte uitspraak in de hemel zou bekrachtigen? Nee, de priester moet de zonden vergeven of behouden, maar hij moet wel weten waarom, hij moet voor zichzelf en voor God verantwoording kunnen afleggen van zijn beslissing; hij moet daarom daarbij met het nodige onderscheid, verstand en oordeel handelen. Het is duidelijk dat hij dit niet kan als hij niet weet wat de zondaar misdaan heeft, en dus niet weet wat er vergeven moet worden. Kortom, de priester moet oordelen, hij is de door Christus aangestelde rechter, en moet daarom, net als elke andere rechter, beginnen met de zaak waarover hij een uitspraak moet doen, te onderzoeken.

Het biechten of de verplichting om zijn zonden aan de priester te belijden is dus niet een kerkelijke, maar een goddelijke instelling, omdat die verplichting onmiddellijk voortvloeit uit de macht, (die Christus zelf aan Zijn Kerk geschonken heeft) om zonden te vergeven of te behouden. Het Protestantisme heeft het biechten uit de rij met verplichtingen geschrapt. Dat is makkelijk, maar, lezer, is dit heilzaam?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

dinsdag 4 april 2017

De Reformatie mislukt

Citaat uit het Reformatorisch Dagblad: 

"Een probleem dat in die tijd (Red. Late Middeleeuwen) heftig is bediscussieerd, was de kloof tussen de theorie van het officiële geloof en de praktijk van het christelijk leven van alledag. De Reformatie zei dat die kloof was ontstaan door een verkeerde leer. De ware leer kon worden herontdekt door een terugkeer tot de Bijbel. Die moest iedereen kunnen lezen. Deze keuze heeft een baaierd van ongewilde onenigheid in het leven geroepen. Dit uiteenvallen van de samenleving in tegenstrijdige geloofsovertuigingen kon politiek en sociaal alleen in goede banen worden geleid in liberale staten, waarin het geloof geprivatiseerd werd en religie en het publieke leven streng werden gescheiden. Iedere burger kreeg politiek beschermde rechten op vrijheden, maar die vrijheden waren niet onvoorwaardelijk en kwamen onder controle van de staat te staan. Een hyperpluralistische samenleving was het gevolg. Wat voor publiek leven of gemeenschappelijke cultuur is nog mogelijk in samenlevingen waarvan de leden steeds minder overtuigingen, waarden en normen met elkaar delen? En deze samenlevingen zijn, onbedoeld, de gevolgen van een ontwikkeling die door de breuk van de Reformatie in gang is gezet.Lees hier het hele artikel……..

maandag 3 april 2017

§43. De Biecht is geen kerkelijke, maar een goddelijke instelling.

DERDE HOOFDSTUK – De Biecht en de Aflaten


§43. De Biecht is geen kerkelijke, maar een goddelijke instelling.

Tot de vele, allerheiligste en allerheilzaamste instellingen, die door de Hervormers zijn afgeschaft, met als excuus dat die niet in de H. Schrift worden genoemd, maar eigenlijk als ware reden omdat zij in de weg staan voor de hoogmoed of wellust van onze bedorven natuur, behoort ook het H. Sacrament van de Biecht.

De Biecht, zegt men, is geen instelling van Christus en dus ook geen Sacrament. Het is gewoon een uitvinding van de Katholieke Kerk, en werd zelfs later door haar ingevoerd.

Oké! Maar in welke eeuw, in welke Kerkvergadering, onder welke Paus, is de Biecht dan ingevoerd? Nou, zegt men, dat is heel duidelijk: De Biecht is ingevoerd in de 4e Kerkvergadering van Lateranen in 1215, onder Paus Innocentius III. Nu, als dat zo duidelijk is, laten we dan eens kijken. Hier een letterlijke vertaling van alles wat in deze Kerkvergadering over de Biecht wordt gezegd:

“Alle gelovigen van beide geslachten moeten, als zij tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, op zijn minst één keer per jaar biechten, de opgelegde penitentie gepast volbrengen en in ieder geval met Pasen het H. Sacrament des Altaars (d.i. De H. Communie) ontvangen; anders zullen zij, wanneer zij nog leven, uit de Kerk worden gesloten, en na hun dood geen christelijke begrafenis ontvangen.”

In dit besluit wordt dus, onder bedreiging van zware straf bepaald, dat de gelovigen op zijn minst één keer per jaar moeten biechten en ter Communie moeten gaan.

Kunnen we daaruit concluderen dat de gelovigen vóór die tijd niet hoefden te biechten en te communiceren? Zoiets kan alleen iemand beweren die met de gebruiken en de uitspraken van de kerk uit de voorafgaande eeuwen totaal niet bekend is. Maar omdat die overbekend zijn, komt alles wat we uit deze woorden kunnen halen, er op neer, dat er vóór die tijd lauwe Christenen geweest moeten zijn, die er na die tijd helaas nog zijn, die zelfs niet één keer per jaar de H.H. Sacramenten van de Biecht en de H. Communie ontvangen. Maar hier de rechtstreekse getuigenissen van vroegere eeuwen, waaruit duidelijk blijkt dat Biechten verplicht was.

In April 742 hielden de Duitse bisschoppen een bijeenkomst of vergadering, in de kerkelijke geschiedenis bekend als het 1e Duitse Concilie (Concilium Germanicum I). in de tweede bepaling die tijdens deze vergadering werd gemaakt, lezen we de volgende merkwaardige woorden: “Ieder prefect of overste van de soldaten moet een priester bij zich hebben om de biecht te horen en de boete op te leggen”.[1] Dezelfde bepaling werd nog eens herhaald in een latere bijeenkomst van de bisschoppen te Mainz in 813.

Hoe kunnen we zo'n bepaling verklaren, als de plicht om te biechten in die tijd nog niets eens bestond? Zouden de soldaten misschien alleen voor hun plezier hebben gebiecht?

In één van de brieven van de H. Leo, die als Paus van 440-461 regeerde, wijst hij diegene terecht, die durven te eisen, dat de gelovigen hun zonden opschreven en in het openbaar voorlazen; “want,” voegt hij toe, “het is genoeg, dat zij hun zonden in het geheim alleen aan de priester bekend maken.”[2]

Van de H. Ambrosius († 397) verteld zijn tijdgenoot en vertrouweling Paulinus de volgende merkwaardigheid: “zo vaak iemand bij hem zijn zonden beleden had, werd Ambrosius zelf tot tranen bewogen en wist door zijn eigen tranen ook de zondaar zo ver te krijgen, zijn zonden te betreuren.”[3]

De H. Basilius († 379) zegt, dat men bij het belijden van zijn zonden op dezelfde manier te werk moet gaan als bij het openbaren van lichaamsgebreken. Zoals men de gebreken van het lichaam niet zo maar aan iedereen bloot legt, maar alleen aan hen, die in staat zijn ze te genezen, zo moet men ook zijn zonde alleen bekend maken aan hen, die ze kunnen genezen. En wie dat zijn, geeft hij duidelijk te kennen, als hij zegt: “De zonden moeten noodzakelijk worden blootgelegd aan hen, aan wie de bediening van Gods geheimen is toevertrouwd.”[4]

Nog een aantal andere getuigenissen zou ik kunnen aanwijzen; maar de aangehaalde zullen wel genoeg zijn om te bewijzen, dat de plicht om zijn zonden aan de priester te belijden vóór de Kerkvergadering van Lateranen in 1215 net zo goed bestond als daarna, en dat er dus in die Kerkvergadering onmogelijk sprake is geweest van het invoeren van de Biecht.

Al u het dus met mij eens bent, wat ik nu durf te vertrouwen, dat de Biecht absoluut niet is ingevoerd door de Kerkvergadering van Lateranen in 1215, wanneer zou ze dan door de Kerk zijn ingevoerd? Natuurlijk eerder, zult u zeggen. Maar in welk jaar? Of in ieder geval, in welke eeuw? In de 3e of 4e eeuw misschien? Oké, maar:

1. Hoe komt het dan, dat er in de boeken en geschriften, die ons uit die tijd zijn overgebleven, niets over vermeld wordt? De Biecht is toch echt zo klein niet, dat ze zo maar kon worden binnengesmokkeld, zonder dat er een haan naar kraaide. Van andere, veel kleinere voorschriften, meldt de kerkelijke geschiedenis wanneer en door wie ze werden afgekondigd, ook al dateren ze uit de eerste eeuwen van de Kerk. En kijk, het invoeren van de Biecht, die (in de veronderstelling dat zij niet altijd had bestaan) absoluut veel verbazing en opspraak veroorzaken moest, zou door de kerkelijke schrijvers van die tijd onbesproken zijn gebleven! Het lijkt mij, dat men een sterke verbeelding moet hebben om zo iets te kunnen veronderstellen.

2. De Biecht brengt voor de priesters, die ze moeten horen en daarmee naar plicht en geweten moeten handelen, een erg vermoeiende last en een zware verantwoording met zich mee, zoals iedereen wel zal begrijpen.

Verder geldt de verplichting om zijn zonden te biechten, volgens de leer van de Kerk, niet alleen voor de gewone gelovigen, maar net zo goed voor de leiders van de Kerk zelf. Want (ik weet niet of dit bij andersdenkenden wel algemeen bekend is) ook de priesters moeten, als zij ooit het ongeluk hebben in een zware zonde te zijn gevallen, gaan biechten; en zij zijn in hun hart zo diep overtuigd van de goddelijke kracht van dit Sacrament, dat zij nog vaker dan de gewone gelovige gebruik maken van dit Sacrament; en dit zelfs zonder dat het echt nodig is, maar alleen om van kleine, dagelijkse gebreken en fouten door middel van dit Sacrament zekerder te zijn dat ze de vergeving hebben ontvangen en deel krijgen aan de genade die in de ziel wordt gestort wanneer men dit Sacrament waardig ontvangt.

Kunnen we nu in geweten aannemen, dat de leiders van de Kerk zich zo’n zware, en voor de menselijke natuur vernederende, last hebben opgelegd, als die last of verplichting niet door Christus zelf was opgelegd?

3. Maar al had de Kerk op eigen gezag de Biecht willen invoeren, zou dat haar toch nooit gelukt zijn. Bedenkt u maar eens dat er in de begintijd van de Kerk absoluut geen sprake was geweest van de Biecht, maar dat de Kerk er later (bijv. de 3e of 4e eeuw) mee zou zijn gekomen. Wat moeten de gelovigen dan raar hebben opgekeken toen hen voor het eerst werd verteld dat zij en hun voorouders vroeger dan wel niet gebiecht hadden en dat tot nu toe ook niet nodig was, maar dat dat voortaan moest gebeuren; en dat iedereen die vergeving van zonden wil krijgen, voortaan verplicht is om zijn zonden bij de priester te belijden. Zou zo’n nieuw en hard voorschrift er bij de gelovigen zomaar in zijn gaan? Dat zal toch heus niet. Het ligt namelijk voor de hand dat zij zouden zeggen dat de H. Kerk wel het recht heeft hen verplichtingen op te leggen zoals voorgeschreven vastendagen onderhouden, maar niet het recht heeft om iets te veranderen in de leer, die zij van Christus ontvangen heeft; en als nu volgens die leer van Christus hun voorouders zonder te biechten vergeving van zonden konden ontvangen, dan kan de H. Kerk ons niet wijs maken dat dit voor ons niet meer geldt. En zij zouden voor die rare en vervelende verplichting beslist hebben bedankt, zoals de Protestanten dit, zonder enig recht, hebben gedaan.

Hieruit kunnen we dus gerust opmaken dat het onmogelijk was dat de Biecht een instelling was van de H. Kerk, en in de strikte zin zou dit genoeg moeten zijn om ons te overtuigen, dat de Biecht door Christus zelf moet zijn ingesteld. Maar toch hoeven wij ons met dit bewijs niet tevreden te stellen. Ik heb deze opmerkingen slechts vooraf willen maken, om enkele moeilijkheden uit de weg te ruimen, die soms tegen de biecht worden ingebracht. Het grote, beslissende bewijs voor de goddelijke instelling van het H. Sacrament van de Biecht vinden we namelijk in de H. Schrift, de woorden van Christus zelf. ‘Hoe is dat mogelijk?’ zult u vragen; heeft Christus ooit gezegd dat wij onze zonden aan de priester moeten belijden? De volgende paragraaf geeft het antwoord op deze vraag.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen



[1] V. HEEFELE, Conciliengeschichte, T. III, blz. 589
[2] Epist. 148 ad Episc. Campaniae.
[3] Paulinus in Vita Ambrosii n. 39.
[4] Regulae brevoires. Reg. 229, 288, 210.

donderdag 23 maart 2017

§ 42. Wat leert de Katholieke Kerk over het geloof en de goede werken?

Zij leert, dat het geloof het eerste en noodzakelijkste vereiste is om zalig te worden.

De Kerkvergadering van Trente zegt: “Het geloof, is het begin van 's mensen heil, de grondslag en de wortel van alle rechtvaardigmaking.” “Zonder het geloof is het onmogelijk God te behagen.” (Hebr. 6, 6) De Katholieke Kerk leert daarom ook, dat de goede werken, die niet uit het geloof voortkomen, ons absoluut geen bovennatuurlijke beloning geven. Maar daaruit besluit de Katholieke Kerk niet, dat het geloof alleen, zonder goede werken, genoeg is om zalig te worden. Integendeel, dit zou in strijd zijn met de leer van de Apostelen: “Al had ik een geloof, groot genoeg om bergen te verzetten, als ik de liefde niet heb, heb ik niets.” (1 Kor. 13, 2) Het geloof moet dus samen gaan met de liefde.

De Katholieke Kerk leert ook dat de mens zich moet toeleggen op goede werken. Waarom? Omdat de liefde,  die samen moet gaan met het geloof, van ons vraagt, dat wij Christus' geboden onderhouden. “Als gij Mij bemint, onderhoudt mijn geboden.” zegt Christus (Joh. 14, 5) en iets verder (v. 21) “Die Mijn geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het die Mij bemint.” Maar wat heeft Christus ons geboden? Heeft Hij ons gezegd, dat de goede werken niet nodig zijn? Absoluut niet. Christus heeft ons bijv. op het hart gedrukt, dat wij moeten bidden, voor anderen en voor ons zelf, dat we ons moeten verloochenen en versterven, dat we kwaad met goed moeten vergelden, dat we barmhartig en milddadig moeten zijn voor de armen en ongelukkigen. Maar zijn dat geen goede werken? Het is dus ongetwijfeld de wil van Christus, dat we niet alleen geloven, maar dat we ook goede werken verrichten; of, zoals de Apostel het in drie woorden volmaakt uitdrukt, Hij vraagt van ons: “een geloof dat werkt door de liefde” (Gal. 5, 6): het geloof is de wortel, de liefde de stam, de werken zijn de vruchten, het één moet uit het ander als vanzelf voortkomen.

Wat belangrijker is, Christus verzekert ons, dat Hij aan de verdoemden op de jongste oordeelsdag juist het gebrek aan goede werken als hoofdreden zal aanwijzen van hun vervloeking. “Ik was hongerig, en gij hebt Mij niet gespijzigd. Ik was naakt, en gij hebt Mij niet gekleed, enz....  Weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur!” (Math. 25, 41...)

Is nu, lezer, de leer van de Katholieke Kerk wat het geloof en de goede werken betreft niet veel redelijker dan die van Luther? Komt zij niet meer overeen met de uitspraken van de H. Schrift?

Maar misschien zegt u: Ik heb altijd gehoord, dat de Katholieken hun eeuwig heil alleen in hun goede werken zoeken, zonder de verdienste van Christus, en het was juist hiertegen dat Luther in verzet kwam.

Maar lezer, 1. Dan is Luther erg ongelukkig geweest in zijn woordkeuze, want zijn woorden drukken heel wat meer en heel wat anders uit. En 2. dat de Katholieken denken hun zaligheid te kunnen krijgen door hun goede werken alleen, zonder de verdienste van Christus, is eenvoudig een lasterlijk verzinsel. De Katholieke Kerk leert namelijk uitdrukkelijk, dat de bovennatuurlijke waarde van onze goede werken niet aan onze krachten, maar aan de goddelijke genade van Christus moet worden toegeschreven. Hier de woorden van de Kerkvergadering van Trente, waarin deze waarheid ons als een geloofspunt gegeven wordt:

“Wanneer iemand zegt: de mens kan door zijn werken, die óf uit kracht van de menselijke natuur óf als gevolg van de leer van de wet gedaan worden, voor God gerechtvaardigd worden, zonder de goddelijke genade van Jezus Christus, die zij in de ban.”  (Sess. VI. Can. 1). Kan het duidelijker en krachtiger?

Als Luther dus niets anders wilde beweren, dan dat de goede werken alleen, zonder de genade van Christus, ons niet zalig maken, dan leerde hij juist hetzelfde wat de Katholieke Kerk altijd geleerd heeft; en had hij daarom niet de minste reden om zich om dit punt tegen de Katholieke Kerk te verzetten. Bovendien begrijp ik dan ook niet waarom hij de Brief van de H. Apostel Jacobus niet met zijn leer kon verenigen en daarom de moed had om die brief als onecht, als vals, als een “strooibrief” te verwerpen, alleen omdat daar vaker in staat dat “het geloof zonder de werken dood is” (Jac. 2, 17. 20. 24. 26): De Katholieke Kerk vond van haar kant de leer van de H. Jacobus altijd helemaal met haar leer overeenstemmen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 11 maart 2017

§41. Wat leerde Luther over het geloof en de goede werken?

TWEEDE HOOFDSTUK – Het geloof en de goede werken.

§41. Wat leerde Luther over het geloof en de goede werken?

Volgens de leer van Luther is onze menselijke natuur als gevolg van de erfzonde in haar diepste wezen zo erg ontaard, dat we tot geen enkel goed werk meer in staat zijn, dat zelfs al onze werken, ook degene die we meestal goede werken noemen, slecht en zondig zijn. Alleen voor degene die in Christus geloven zijn ze niet zondig.

Ziehier Luthers eigen woorden: “Elk goed werk, al is het nog zo goed verricht, is een schandalige zonde. Ja zelfs ieder werk van de rechtvaardige is vloekwaardig, is een doodzonde.”

Daarom leerde Luther dan ook, dat goede werken absoluut niet nodig zijn om zalig te worden, en dat de mens door het geloof alleen zijn eeuwig heil kan en moet bewerken. “Nu ziet u,” lezen wij in zijn werken, “hoe rijk de Christen of de gedoopte is; want zelfs als hij het wil, kan hij zijn zaligheid niet verliezen, hoe erg hij ook zondigt, tenzij hij niet wil geloven. Geen zonde kan hem verdoemen, maar alleen het ongeloof”

Maar wat komt daar van terecht? Men kan namelijk de zwaarste zonde begaan, zonder daarom het geloof te verliezen. Als men dus aanneemt, dat het geloof alleen genoeg is om zalig te worden, dan zet men de deur open voor de grootste losbandigheid. En inderdaad, zonder daar voor terug te schrikken, durfde Luther zijn vriend Melanchton te schrijven: “zondig er maar op los, maar geloof nog sterker. Zondigen moeten wij, zolang we op aarde zijn. Het is genoeg, dat we zonder twijfel geloven in Christus, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt. De zonde zal ons niet van Christus scheiden, al zouden we ook duizend keer per dag de zwaarste zonden bedrijven.”

Wat denkt u lezer, is dat een heilige leer? Kan dat nu de leer zijn, die Christus aan deze wereld gegeven heeft, om de mens van zonde terug te houden en hem de weg naar de hemel te wijzen? Moest door deze leer de Kerk “hervormd” worden? Door deze leer het Evangelie tot nieuwe bloei komen? Is het niet dwaas de mens van natuur zo slecht voor te stellen, dat hij bij alles wat hij doet, noodzakelijk zondigt? Wie kan geloven dat de mens, al is hij ook een moslim of heiden, een zonde zou doen, als hij bijv. uit medelijden een aalmoes geeft aan een arme ongelukkige?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§ 40. Korte samenvatting van hetgeen er gezegd is over de leer van de Protestanten ten opzichte van de Bijbel.

Het Protestantisme heeft als hoofdbeginsel dat het geschreven woord van de Bijbel alleen, genoeg is, om iedereen te leren wat hij op godsdienstig gebied wel of niet moet geloven en doen.
Dat hoofdbeginsel is rampzalig;

1º Omdat het uit zijn aard moet leiden en ook al overvloedig geleid heeft tot de grootste en rampzaligste geloofsverdeeldheden.

De H. Schrift is namelijk op veel plaatsen te onduidelijk om door iedereen te kunnen begrepen worden. Er moet dus buiten de H. Schrift nog een levend gezag zijn, dat de bevoegdheid bezit om tussen de uiteenlopende verklaringen, die aan veel gedeelten van de H. Schrift gegeven kunnen worden, uitspraak te doen, en op wiens uitspraak iedereen met volle zekerheid kan vertrouwen. Dat levend gezag nu is geen ander dan het onfeilbaar leergezag van de Kerk, aan wie de door God geopenbaarde waarheden ter bewaring zijn toevertrouwd.

Als men dus met Luther en Calvijn dat levend gezag van de Kerk verwerpt, en gelooft dat ieder het recht heeft om op eigen gezag uit de H. Schrift op te maken, wat men wel of niet moet geloven, dan moet het woord van de H. Schrift, aan de ene kant, door zijn onduidelijkheid op sommige plaatsen, aan de andere kant door de onwetendheid en hartstocht van de mensen, wel worden wat het bij de Protestanten al lang geworden is: de bron van de grootste verwarring en twisten op godsdienstig gebied.

2º Omdat het voor de Protestanten het middel wegneemt om zich met zekerheid te overtuigen dat hun hele Bijbel, zoals zij hem nu hebben, werkelijk het woord van God is.

De goddelijke ingeving van de H. Schrift in zijn geheel, kan niet uit de H. Schrift zelf, maar alleen uit de Apostolische Overlevering worden aangetoond. Houdt men dus vol, dat de mens niets anders hoeft te geloven dan wat er in de Bijbel geschreven staat, dan moet men ook toegeven, dat men geen degelijke grond heeft om te geloven dat alles wat de Bijbel leert, inderdaad het woord van God is.

Wanneer er dus onder de moderne Protestanten zoveel zijn, die het woord van de Bijbel niet meer als Gods woord eerbiedigen, dan is dit een gevolg van de leer van het Protestantisme zelf.

Tenslotte een woord over hetgeen de Katholieken zo vaak wordt verweten, namelijk dat zij in eerbied voor de Bijbel zouden onderdoen aan de Protestanten.

Bedoelt men daarmee dat de Protestanten er veel meer werk van maken om de hele Bijbel onder alle rangen en standen van het volk te verspreiden, dan geef ik dit volmondig toe. Zij ontzien zich namelijk niet om de Bijbel op markten en pleinen, zelfs in de lelijkste kraampjes, te koop aan te bieden en dat Boek der boeken in handen te geven ook aan diegenen die het de grootste moeite zou kosten een eenvoudig verhaal fatsoenlijk te lezen en te begrijpen.

Inderdaad vinden we onder de Katholieken niet zo’n ijver voor het verspreiden van de Bijbel. Zoals we al in § 36. zagen, staat de Katholieke Kerk – echter altijd met de grootste voorzorgen – aan haar kinderen het lezen van de H. Schrift toe; maar desondanks ziet zij er groot bezwaar in, de H. Schrift in haar geheel zo maar aan Jan en alleman in handen te geven.

En dat bezwaar is toch echt niet zomaar uit de lucht gegrepen. Als het namelijk waar is, dat de H. Schrift tot ieders nut is geschreven, dat zij voor iedereen de meest heilzame aanwijzingen en lessen bevat, dan volgt daaruit nog niet dat het voor iedereen aan te raden is zelf de H. Schrift in handen te nemen om door het zelf te lezen er de heilzame lessen uit te halen. De H. Schrift is toch op veel plaatsen heel moeilijk te begrijpen. Ligt het dan niet voor de hand dat lezers zonder enige ontwikkeling, zoals er toch duizenden zijn, groot gevaar zullen lopen aan de woorden van de H. Schrift een betekenis te geven, die er absoluut niet mee wordt bedoeld, en dat op het gezag van de H. Schrift, die zij niet hebben begrepen, de één dit en de ander juist het tegenovergestelde zal verkondigen? Ik denk dat de droevige ervaring dit maar al te duidelijk heeft bewezen. Het Protestantisme mag daarin dan wel geen bezwaar zien, de Katholieke Kerk doet dat wel. Zij gelooft dat zij door zo iets te bevorderen of toe te laten, te kort zou komen aan de plicht die Christus Zijn Kerk heeft opgelegd om de schat van geopenbaarde waarheden in al zijn zuiverheid te bewaren en daarom ook te waken, dat het geschreven woord van God niet roekeloos aan de meest onzinnige uitleggingen word overgelaten.

Wat denkt u, lezer, toont de Katholieke Kerk door deze bezorgdheid niet heel wat meer eerbied voor de Bijbel dan de Protestanten? Moet men niet eerlijk toegeven, dat het verspreiden van de Bijbel onder de vaak onontwikkelde mensenmassa niet alleen in strijd is met de diepe eerbied die wij aan Gods woord verschuldigd zijn? Maar bovendien ook, door het bevorderen van de meest tegenstrijdige verklaring van het woord van God, die de eenheid van geloofsleer in gevaar brengt, waardoor – zoals wij in § 13. zagen – de ware Kerk van Christus zich moet onderscheiden? Is daarom deze verspreiding van de Bijbel werkelijk niet het geschikte middel om de ware Kerk van Christus in één van haar meest kenmerkende eigenschappen, haar geloofseenheid, aan te randen en te bestrijden?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen