zondag 14 mei 2017

§ 46. Is de Katholieke leer over de aflaten niet dwaas en onzinnig?

Waarom? – Dan zegt men: ‘nou, omdat volgens die leer de Katholieken, als zij iets verkeerd hebben gedaan, alleen maar een gebedje of een goed werk hoeven te doen waar de Paus een aflaat aan heeft verbonden en dan is alles kant en klaar, vergeven en vergeten’. Lezer, als dat echt waar zou zijn, ben ik het helemaal met u eens, dat deze leer dwaas en onzinnig moet worden genoemd. Maar let op, ik zeg: als dat waar zou zijn, want – zou dat echt waar zijn? Om ons niet te vergissen, nemen we even een Katholieke Catechismus bij de hand. Daar vind ik op de vraag: ‘Wat is een aflaat?’ het volgende antwoord: ‘Een aflaat is de (hele of gedeeltelijke) kwijtschelding van tijdelijke straffen, die door de H. Kerk aan sommige goede werken verbonden wordt’. Ook lezen we: ‘Wordt door de aflaten ook kwijtschelding van zonde gegeven? Antwoord: Nee, nooit; want de aflaat is alleen de kwijtschelding van de tijdelijke straffen, die na de vergeving van de zonden zijn overgebleven.’

Hier zien we dus meteen
1. Dat er bij de aflaten hoe dan ook, geen sprake is van kwijtschelding of vergeving van zonden, maar van straffen, en;
2. Niet van de eeuwige, maar alleen van de tijdelijke straffen, die men, nadat de zonde en de eeuwige straf al zijn vergeven, nog bij God schuldig mocht zijn.
Hierdoor blijkt de zaak dus heel anders te zijn, dan het meestal door niet-Katholieken wordt voorgesteld.

Zo zien we dat wanneer de mens, na hij door de zonde Gods vriendschap heeft verloren, vergeving ontvangt van die zonde en zijn vriendschap met God weer wordt hersteld, niet meer bang hoeft te zijn voor de eeuwige straffen van de hel voor deze zonde, want de hel is niet voor Gods vrienden; maar hieruit volgt niet, dat daarmee ook al zijn tijdelijke straffen zijn kwijtgescholden.

Een voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van David. Hij had, zoals we weten, ernstig gezondigd. De profeet Nathan kwam hem zijn misstap even onder ogen brengen, en toen David zijn schuld bekende, en oprecht berouw toonde, gaf de profeet hem in naam van God de verzekering, dat de Heer zijn zonde had vergeven. En toch voorspelde de profeet hem tegelijkertijd dat hij om die zonde uit te boeten, nog zware, tijdelijke rampen en tegenspoed zou moeten ondervinden. Hieruit blijkt dus dat wanneer de mens gezondigd heeft vergeving kan krijgen van de belediging die hij God heeft aangedaan, en zijn liefde en vriendschap tot God weer kan hersteld worden, en toch tegelijkertijd, om die zonde uit te boeten, nog bepaalde tijdelijke straffen bij God schuldig kan zijn. Welnu, de tijdelijke straffen die soms nog overblijven nadat de zonde en de eeuwige straf al vergeven zijn, worden volgens de leer van de Katholieke Kerk, ons volledig of gedeeltelijk kwijtgescholden door de aflaten.

Als men dus beweert dat een Katholiek het buitengewoon makkelijk heeft, omdat hij alleen maar een aflaat hoeft te verdienen om vergeving van zonden te ontvangen, dan heeft men helemaal een verkeerd beeld van de leer van de Katholieke Kerk. Nee, de Katholiek moet eerst zorgen dat zijn zonde (de belediging die hij God heeft aangedaan) is uitgewist door een oprechte boetvaardigheid, door oprecht berouw en een rouwmoedig hart, en als dit is gebeurd, pas dan stelt de Kerk hem in de gelegenheid om door het verdienen van aflaten volledige of gedeeltelijke kwijtschelding  van de tijdelijke straffen te ontvangen, die hij voor zijn al vergeven zonden misschien nog schuldig is.

U zult zich misschien afvragen: ‘Maar hoe komt de Katholieke Kerk aan die macht om tijdelijke straffen kwijt te schelden?’

Die macht ontving de Kerk van Christus zelf, die tot Petrus zei: ‘Ik zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven, en alles wat gij gebonden hebt op aarde, zal ook gebonden zijn in  de hemel, en alles wat gij ontbonden hebt op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel.’ (Matth. 16, 19)

Door deze woorden werd, zoals we al hebben gezien, aan Petrus de hoogste volmacht in de Kerk van God geschonken, omdat de sleutels het beeld zijn van de opperste macht. En om het nog duidelijker te bevestigen en te verklaren, voegt Hij hieraan toe: ‘Alles wat u zult ontbonden hebben, zal ook bij God ontbonden zijn.’ Aan de Kerk is daarom in de persoon van Petrus de macht gegeven om alle banden te verbreken die de mensen kunnen beletten om hun eeuwige bestemming te bereiken. Die banden kan men onderscheiden in: de band van de zonde/schuld en de band van de straf, die eeuwig of tijdelijk kan zijn. Nu vraag ik u: als de Kerk, zoals wij aantoonden, in het H. Sacrament van de Biecht de macht bezit om de band van de zonde en van de eeuwige straf te verbreken, zou zij dan niet de macht hebben om de veel lichtere band van de tijdelijke straffen te ontbinden, terwijl bovendien Christus nadrukkelijk zegt: ‘Al wat gij zult ontbinden, zal ontbonden zijn?’ Maar nu zij die macht dus wel moet bezitten, dan bezit zij ook de macht om aflaten te verlenen, die in niets anders bestaat dan in volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van tijdelijke straffen.

Hierbij wil ik nog opmerken dat de Kerk, wanneer zij deze macht gebruikt, normaliter een of ander werk, vaak zelfs meerdere goede werken als noodzakelijke voorwaarden stelt.

Is dit alles nu zo onbegrijpelijk, dwaas en onredelijk? Ik denk niet, lezer, dat u dit zult volhouden. Waarom blijft men dan nog altijd in de katholieke leer over de aflaten een bewijs zoeken tegen de heiligheid van de Katholieke Kerk? Omdat men – en ik geloof meestal uit onwetendheid, maar vaak ook tegen beter weten in – die leer belachelijk maakt, door ze heel anders voor te stellen dan ze werkelijk is. Maar ik durf u nu ook te vragen: pleit het niet juist voor de Katholieke Kerk als zulke oneerlijke listen nodig zijn om de heiligheid van haar geloofsleer te bestrijden?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 6 mei 2017

De Bijbelverzen die ik nooit zag

Marcus Grodi (oprichter van het Coming Home Network)

Eén van de meer algemeen gedeelde ervaringen van protestantse bekeerlingen naar de katholieke kerk is de ontdekking van Bijbelverzen 'die we nooit hebben gezien'. Zelfs na jaren van het bestuderen, preken en onderwijzen van de bijbel, soms van kaft tot kaft, verscheen plotseling als bij verassing een vers dat we ‘nooit zagen' en dat wordt een 'Aha!' levensveranderende boodschap van geestelijk 'ondergang'! Soms is het gewoon het erkennen van een alternatieve, duidelijkere betekenis van een bekend vers, maar vaak, zoals bij sommige van de hieronder genoemde verzen, lijkt het letterlijk alsof een katholiek in de nacht binnen was geslopen en op één of andere manier het vers in de tekst had geplaatst!

De lijst van deze ‘verrassingsverzen’ is eindeloos, afhankelijk van de voormalige religieuze traditie van een bekeerling, maar de volgende verzen zijn een paar belangrijke die mijn hart veranderden op weg naar huis.

vrijdag 5 mei 2017

De waarheid over wat Luther leerde en gedaan heeft (DUITS)



Prof. Dr. Alma von Stockhausen geeft in deze video in het kort weer wat de visie van Luther is op zaken als verlossing, vrije wil, huwelijk en meer.
Voor wie meer wil leren: http://www.siewerth-akademie.de/cms/pdf-dokumente.html

dinsdag 18 april 2017

De Bijbel over Maria

Maria is de slangenvertrapster

Gen. 3:
15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.
God zet vijandschap tussen “u” (Satan) en de vrouw (Maria). In Openbaringen 12 zie je de vervulling hiervan. In vers 13 staat dat de draak (Satan) krijg voert tegen de vrouw (Maria) en daarna (zie vers 17) tegen haar zaad die de geboden van God bewaren (de gelovigen). De Bijbel begint en eindigt dus met de Satan die strijd voert tegen de vrouw en haar zaad.

Richteren 4: 17-24
17 Maar Sísera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; want er was vrede tussen Jabin, den koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, den Keniet.
18 Jaël nu ging uit, Sísera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.
19 Daarna zeide hij tot haar: Geef mij toch een weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.
20 Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.
21 Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
5: 24
24 Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!
Vele personen uit het Oude Testament verwijzen naar de Tweede Adam, Christus, die komen zou. Denk hierbij bijvoorbeeld aan Mozes, Simson en David. Maar ook van de H. Maria, de Tweede Eva, vind je dergelijke beelden, zoals bovenstaand voorbeeld.
Na de overwinning van Israel op de Kanaänieten zongen Debóra, en Barak, de zoon van Abinóam, een overwinningslied waarin o.a. staat: "Maar gezegend zij Jaël onder de vrouwen, Gezegend onder haar, die in tenten verblijven." Daarin herkent natuurlijk elke katholiek het Weesgegroet, waarin o.a. staat: "Gij zijt de gezegende onder de vrouwen." Jaël is ook een typisch beeld van Maria, zij verslaat de leider van Israels vijand, net als Maria die de vijand van God volk verslaat, zij is het namelijk die de kop van de slang, de Duivel, vermorzeld (Gen. 3: 15, Open. 22).

zaterdag 15 april 2017

§ 45. Van de Biecht kan toch misbruik worden gemaakt?

Zeker, van de biecht kan net zo goed misbruik worden gemaakt als alle andere heilige zaken. De priester zou bijv. het hem toevertrouwde geheim kunnen doorvertellen. Maar zeg me nu eens eerlijk, hoe vaak heeft u daarover een klacht gehoord? En toch zijn er duizenden priesters en worden er jaarlijks miljoenen biechten gesproken.

De zondaar kan zijn zonden verzwijgen, hij kan biechten zonder oprecht berouw, of biechten zonder vast voornemen afstand te doen van de zonde. Maar dan weet hij toch ook, van jongs af aan, dat zo’n Biecht alleen maar de hoeveelheid zonden met een heiligschennis zal vermeerderen? En wat doet het er overigens toe? Mag men bijv. een geneesmiddel afkeuren omdat het ook ten nadele van de gezondheid kan worden gebruikt? En wat kunnen we dan wel niet zeggen over het Bijbellezen, waarvan door honderden misbruik wordt gemaakt, om het Christendom aan te vallen en zelfs de Bijbel van elk goddelijk gezag te ontnemen?

Het is geen wonder dat degenen die altijd wel wat tegen de Biecht in weten te brengen, altijd andersdenkenden zijn of Katholieken die hun godsdienstplichten verwaarlozen, oftewel degenen die er niets van weten door eigen ervaring, of, zoals ook vaak gebeurt, dit Sacrament bestrijden om zichzelf te rechtvaardigen, m.a.w. om zich door valse schaamte van de Biecht te laten terugschrikken en om zichzelf te verontschuldigen, liever een smet werpen op het Sacrament dan op zichzelf.

Zou het, om de waarheid te achterhalen, niet beter en voorzichtiger zijn die Katholieken te raadplegen die vaak gebruik maken van de Biecht en dus uit ervaring kunnen spreken? Welnu, vraag hen eens hoe zij denken over de Biecht. Ik weet zeker dat ze dit Sacrament allemaal zullen prijzen als een van de meest zegenrijke instellingen die Christus aan Zijn Kerk heeft nagelaten. En de ervaring leert dat zij daarin gelijk hebben. Zonder de minste vrees voor tegenspraak mogen we toch zeggen dat over het algemeen, diegenen die het vaakst gebruik maken van de biecht, ook de beste en meest voorbeeldige Katholieken zijn. En dit is niet verwonderlijk. De Biecht eist namelijk als voorbereiding een oprecht berouw, met het vaste voornemen om voortaan de zonde en de gelegenheid tot zonde te vermijden. Dit alleen al zou genoeg moeten zijn om de Biecht als genademiddel hoog te waarderen.

Maar, behalve dat: Wat is meer geschikt om de gevallen en berouwvolle zondaar te bemoedigen en hem met een dankbaar en edelmoedig hart voortaan de weg van de deugd te doen volgen, dan de troostvolle verzekering, dat zijn zonden zijn uitgewist door Hem die tot de bedienaren van de Kerk heeft gezegd: ‘Wiens zonden gij zult vergeven, die zijn ze vergeven.’? Ik zelf ben er als priester zo vaak getuige van geweest, hoe een arme, ver afgedwaalde zondaar in naam van Christus de vergeving van zonden ontving, na in een goede biecht zijn hart oprecht te hebben uitgestort, en hierdoor in tranen uitbarstte van blijdschap en dankbaarheid. Werden zulke boetelingen dan altijd heilig? Nee, want de zwakheid van de mensen is zo groot, dat men, ook na de edelmoedigste voornemens, vaak in vroegere fouten terugvalt. Maar toch, dan kan een zondaar wel nog zo diep gevallen zijn, nog zo ver van de goede weg zijn afgedwaald en zijn zondige gewoontes zo diep verankerd zitten, dan durf ik nog vol te houden, dat hij in een jaar tijd helemaal veranderd is, en zelfs in een braaf en voorbeeldig Christen zal zijn herschapen.

Wie mij hier van overdrijving zou willen beschuldigen, zou eens een keer de moeite moeten nemen om zijn katholieke kennissen te ondervragen of zij, dit wat ik hier zeg, ook overdreven durven noemen, en hij zal er achter komen dat zij het met mij eens zijn. Welnu, wij kunnen beiden uit ervaring spreken.


Als nu (wat ik naar mijn mening nu duidelijk genoeg heb laten zien) de verplichting om zijn zonden te belijden onmiddellijk en noodzakelijk voortkomt uit de macht die Christus zelf aan Zijn Kerk heeft geschonken om de zonden te vergeven of te behouden, (en daarom de Biecht geen kerkelijke, maar een goddelijke instelling is) en als de Biecht dan ook nog een van de meest invloedrijke en krachtige middelen is om de mens op de weg van de deugd te bewaren en terug te voeren, is het dan niet duidelijk dat het heel erg onverantwoord en noodlottig was de Biecht af te schaffen?

zondag 9 april 2017

§ 44. Heeft Christus ooit gezegd dat wij onze zonden moeten biechten?

Christus heeft, zoals wij uit de H. Schrift weten, dan wel niet letterlijk gezegd: ‘Mensen, Ik wil dat gij uw zonden aan de priester belijdt.’, maar toch heeft Christus ons die verplichting opgelegd. Hoe dan? Door aan Zijn Kerk een macht te schenken die zij, wanneer de mensen hun zonden niet biechten, onmogelijk goed kunnen uitoefenen; dit is dus een macht die de verplichting om zijn zonden te belijden, noodzakelijk in zich sluit.

Heeft Christus niet tot Zijn Apostelen gezegd: ‘Ontvangt de H. Geest! Wiens zonden u zult vergeven, die zijn ze vergeven; wiens zonden u houdt, die zijn ze gehouden.’ (Joh. 20, 22-23) Met deze woorden ontvingen de Apostelen en hun wettige opvolgers dus de macht - niet om in alle voorkomende gevallen de zonden te vergeven, ook niet om altijd de zonde te behouden, maar om één van beide te doen: vergeven of behouden, d.i. niet te vergeven. Mogen de Apostelen of hun opvolgers, de priesters, bij het uitoefenen van deze macht blindelings te werk gaan? Zou het Christus’ bedoeling geweest zijn, dat de verheven macht die Hij hier aan Zijn Kerk schonk, door de bedienaren van de Kerk zonder oordeel en naar willekeur zou worden uitgeoefend?

Stelt u zich eens voor, lezer, dat H. M. de Koningin u de macht zou geven om in uw woonplaats iedereen die de wet overtreedt, hun verdiende straf kwijt te schelden of dit juist niet te doen, met de belofte, dat uw beslissing door haar koninklijk gezag zal worden bekrachtigd. Denkt u dan dat u het recht hebt ontvangen om naar willekeur de één alles kwijt te schelden en de ander niet, zonder te weten wat zij fout hadden gedaan en hoe zij nu gestemd waren, zonder de zaak nader te onderzoeken? Denkt u echt dat een verstandig vorst het zal maken, om zo’n lichtvaardig vonnis met zijn oppergezag te bekrachtigen? Dat zou pas dwaas zijn. Het spreekt namelijk voor zich, dat u bij de uitoefening van die macht, ook al heeft de vorstin dit niet uitdrukkelijk bevolen, rechtvaardig en met onderscheid te werk moet gaan, en dat u daarom voordat u een beslissing neemt, eerst op de hoogte moet zijn van wat de verschillende personen misdreven hebben, en of zij bereid zijn de wetten voortaan beter te onderhouden of niet?

Welnu, Christus gaf aan Zijn Apostelen de macht, om in Zijn naam en op Zijn gezag de zonden te vergeven of te behouden, met de belofte dat hun beslissing in de hemel zou worden bekrachtigd. Alleen al de verhevenheid van deze macht eist dat zij door de bedienaren van de Kerk moet worden uitgeoefend met de nodige voorzichtigheid, oordeel en onderscheid en dus niet blindelings en naar willekeur. Maar hoe kan de priester, de bedienaar van de Kerk, bij het uitoefenen van deze macht, met beleid te werk gaan als hij niet eens weet wat hij wel en wat hij niet moet vergeven?

Om dit nog duidelijker te maken, geven we een voorbeeld. Honderd gelovigen komen bij een priester om, volgens de macht die Christus aan Zijn Kerk gegeven heeft, vergeving van zonden te ontvangen. Allen zeggen ze eenparig: ‘wij hebben gezondigd en hebben daarover berouw’; maar zonder dat iemand zegt wat hij verkeerd heeft gedaan. Wat moet een priester in zo’n geval doen? Zonder verder te onderzoeken, aan iedereen vergeving schenken? Of die kortweg aan iedereen weigeren? of de ene helft vergeven en de ander niet? Zou dat een waardig gebruik zijn van de macht die Christus aan Zijn Kerk heeft geschonken? Is het denkbaar dat God zo’n ondoordachte uitspraak in de hemel zou bekrachtigen? Nee, de priester moet de zonden vergeven of behouden, maar hij moet wel weten waarom, hij moet voor zichzelf en voor God verantwoording kunnen afleggen van zijn beslissing; hij moet daarom daarbij met het nodige onderscheid, verstand en oordeel handelen. Het is duidelijk dat hij dit niet kan als hij niet weet wat de zondaar misdaan heeft, en dus niet weet wat er vergeven moet worden. Kortom, de priester moet oordelen, hij is de door Christus aangestelde rechter, en moet daarom, net als elke andere rechter, beginnen met de zaak waarover hij een uitspraak moet doen, te onderzoeken.

Het biechten of de verplichting om zijn zonden aan de priester te belijden is dus niet een kerkelijke, maar een goddelijke instelling, omdat die verplichting onmiddellijk voortvloeit uit de macht, (die Christus zelf aan Zijn Kerk geschonken heeft) om zonden te vergeven of te behouden. Het Protestantisme heeft het biechten uit de rij met verplichtingen geschrapt. Dat is makkelijk, maar, lezer, is dit heilzaam?

dinsdag 4 april 2017

De Reformatie mislukt

Citaat uit het Reformatorisch Dagblad: 

"Een probleem dat in die tijd (Red. Late Middeleeuwen) heftig is bediscussieerd, was de kloof tussen de theorie van het officiële geloof en de praktijk van het christelijk leven van alledag. De Reformatie zei dat die kloof was ontstaan door een verkeerde leer. De ware leer kon worden herontdekt door een terugkeer tot de Bijbel. Die moest iedereen kunnen lezen. Deze keuze heeft een baaierd van ongewilde onenigheid in het leven geroepen. Dit uiteenvallen van de samenleving in tegenstrijdige geloofsovertuigingen kon politiek en sociaal alleen in goede banen worden geleid in liberale staten, waarin het geloof geprivatiseerd werd en religie en het publieke leven streng werden gescheiden. Iedere burger kreeg politiek beschermde rechten op vrijheden, maar die vrijheden waren niet onvoorwaardelijk en kwamen onder controle van de staat te staan. Een hyperpluralistische samenleving was het gevolg. Wat voor publiek leven of gemeenschappelijke cultuur is nog mogelijk in samenlevingen waarvan de leden steeds minder overtuigingen, waarden en normen met elkaar delen? En deze samenlevingen zijn, onbedoeld, de gevolgen van een ontwikkeling die door de breuk van de Reformatie in gang is gezet.Lees hier het hele artikel……..

maandag 3 april 2017

§43. De Biecht is geen kerkelijke, maar een goddelijke instelling.

DERDE HOOFDSTUK – De Biecht en de Aflaten


§43. De Biecht is geen kerkelijke, maar een goddelijke instelling.

Tot de vele, allerheiligste en allerheilzaamste instellingen, die door de Hervormers zijn afgeschaft, met als excuus dat die niet in de H. Schrift worden genoemd, maar eigenlijk als ware reden omdat zij in de weg staan voor de hoogmoed of wellust van onze bedorven natuur, behoort ook het H. Sacrament van de Biecht.

De Biecht, zegt men, is geen instelling van Christus en dus ook geen Sacrament. Het is gewoon een uitvinding van de Katholieke Kerk, en werd zelfs later door haar ingevoerd.

Oké! Maar in welke eeuw, in welke Kerkvergadering, onder welke Paus, is de Biecht dan ingevoerd? Nou, zegt men, dat is heel duidelijk: De Biecht is ingevoerd in de 4e Kerkvergadering van Lateranen in 1215, onder Paus Innocentius III. Nu, als dat zo duidelijk is, laten we dan eens kijken. Hier een letterlijke vertaling van alles wat in deze Kerkvergadering over de Biecht wordt gezegd:

“Alle gelovigen van beide geslachten moeten, als zij tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, op zijn minst één keer per jaar biechten, de opgelegde penitentie gepast volbrengen en in ieder geval met Pasen het H. Sacrament des Altaars (d.i. De H. Communie) ontvangen; anders zullen zij, wanneer zij nog leven, uit de Kerk worden gesloten, en na hun dood geen christelijke begrafenis ontvangen.”

In dit besluit wordt dus, onder bedreiging van zware straf bepaald, dat de gelovigen op zijn minst één keer per jaar moeten biechten en ter Communie moeten gaan.

Kunnen we daaruit concluderen dat de gelovigen vóór die tijd niet hoefden te biechten en te communiceren? Zoiets kan alleen iemand beweren die met de gebruiken en de uitspraken van de kerk uit de voorafgaande eeuwen totaal niet bekend is. Maar omdat die overbekend zijn, komt alles wat we uit deze woorden kunnen halen, er op neer, dat er vóór die tijd lauwe Christenen geweest moeten zijn, die er na die tijd helaas nog zijn, die zelfs niet één keer per jaar de H.H. Sacramenten van de Biecht en de H. Communie ontvangen. Maar hier de rechtstreekse getuigenissen van vroegere eeuwen, waaruit duidelijk blijkt dat Biechten verplicht was.

In April 742 hielden de Duitse bisschoppen een bijeenkomst of vergadering, in de kerkelijke geschiedenis bekend als het 1e Duitse Concilie (Concilium Germanicum I). in de tweede bepaling die tijdens deze vergadering werd gemaakt, lezen we de volgende merkwaardige woorden: “Ieder prefect of overste van de soldaten moet een priester bij zich hebben om de biecht te horen en de boete op te leggen”.[1] Dezelfde bepaling werd nog eens herhaald in een latere bijeenkomst van de bisschoppen te Mainz in 813.

Hoe kunnen we zo'n bepaling verklaren, als de plicht om te biechten in die tijd nog niets eens bestond? Zouden de soldaten misschien alleen voor hun plezier hebben gebiecht?

In één van de brieven van de H. Leo, die als Paus van 440-461 regeerde, wijst hij diegene terecht, die durven te eisen, dat de gelovigen hun zonden opschreven en in het openbaar voorlazen; “want,” voegt hij toe, “het is genoeg, dat zij hun zonden in het geheim alleen aan de priester bekend maken.”[2]

Van de H. Ambrosius († 397) verteld zijn tijdgenoot en vertrouweling Paulinus de volgende merkwaardigheid: “zo vaak iemand bij hem zijn zonden beleden had, werd Ambrosius zelf tot tranen bewogen en wist door zijn eigen tranen ook de zondaar zo ver te krijgen, zijn zonden te betreuren.”[3]

De H. Basilius († 379) zegt, dat men bij het belijden van zijn zonden op dezelfde manier te werk moet gaan als bij het openbaren van lichaamsgebreken. Zoals men de gebreken van het lichaam niet zo maar aan iedereen bloot legt, maar alleen aan hen, die in staat zijn ze te genezen, zo moet men ook zijn zonde alleen bekend maken aan hen, die ze kunnen genezen. En wie dat zijn, geeft hij duidelijk te kennen, als hij zegt: “De zonden moeten noodzakelijk worden blootgelegd aan hen, aan wie de bediening van Gods geheimen is toevertrouwd.”[4]

Nog een aantal andere getuigenissen zou ik kunnen aanwijzen; maar de aangehaalde zullen wel genoeg zijn om te bewijzen, dat de plicht om zijn zonden aan de priester te belijden vóór de Kerkvergadering van Lateranen in 1215 net zo goed bestond als daarna, en dat er dus in die Kerkvergadering onmogelijk sprake is geweest van het invoeren van de Biecht.

Al u het dus met mij eens bent, wat ik nu durf te vertrouwen, dat de Biecht absoluut niet is ingevoerd door de Kerkvergadering van Lateranen in 1215, wanneer zou ze dan door de Kerk zijn ingevoerd? Natuurlijk eerder, zult u zeggen. Maar in welk jaar? Of in ieder geval, in welke eeuw? In de 3e of 4e eeuw misschien? Oké, maar:

1. Hoe komt het dan, dat er in de boeken en geschriften, die ons uit die tijd zijn overgebleven, niets over vermeld wordt? De Biecht is toch echt zo klein niet, dat ze zo maar kon worden binnengesmokkeld, zonder dat er een haan naar kraaide. Van andere, veel kleinere voorschriften, meldt de kerkelijke geschiedenis wanneer en door wie ze werden afgekondigd, ook al dateren ze uit de eerste eeuwen van de Kerk. En kijk, het invoeren van de Biecht, die (in de veronderstelling dat zij niet altijd had bestaan) absoluut veel verbazing en opspraak veroorzaken moest, zou door de kerkelijke schrijvers van die tijd onbesproken zijn gebleven! Het lijkt mij, dat men een sterke verbeelding moet hebben om zo iets te kunnen veronderstellen.

2. De Biecht brengt voor de priesters, die ze moeten horen en daarmee naar plicht en geweten moeten handelen, een erg vermoeiende last en een zware verantwoording met zich mee, zoals iedereen wel zal begrijpen.

Verder geldt de verplichting om zijn zonden te biechten, volgens de leer van de Kerk, niet alleen voor de gewone gelovigen, maar net zo goed voor de leiders van de Kerk zelf. Want (ik weet niet of dit bij andersdenkenden wel algemeen bekend is) ook de priesters moeten, als zij ooit het ongeluk hebben in een zware zonde te zijn gevallen, gaan biechten; en zij zijn in hun hart zo diep overtuigd van de goddelijke kracht van dit Sacrament, dat zij nog vaker dan de gewone gelovige gebruik maken van dit Sacrament; en dit zelfs zonder dat het echt nodig is, maar alleen om van kleine, dagelijkse gebreken en fouten door middel van dit Sacrament zekerder te zijn dat ze de vergeving hebben ontvangen en deel krijgen aan de genade die in de ziel wordt gestort wanneer men dit Sacrament waardig ontvangt.

Kunnen we nu in geweten aannemen, dat de leiders van de Kerk zich zo’n zware, en voor de menselijke natuur vernederende, last hebben opgelegd, als die last of verplichting niet door Christus zelf was opgelegd?

3. Maar al had de Kerk op eigen gezag de Biecht willen invoeren, zou dat haar toch nooit gelukt zijn. Bedenkt u maar eens dat er in de begintijd van de Kerk absoluut geen sprake was geweest van de Biecht, maar dat de Kerk er later (bijv. de 3e of 4e eeuw) mee zou zijn gekomen. Wat moeten de gelovigen dan raar hebben opgekeken toen hen voor het eerst werd verteld dat zij en hun voorouders vroeger dan wel niet gebiecht hadden en dat tot nu toe ook niet nodig was, maar dat dat voortaan moest gebeuren; en dat iedereen die vergeving van zonden wil krijgen, voortaan verplicht is om zijn zonden bij de priester te belijden. Zou zo’n nieuw en hard voorschrift er bij de gelovigen zomaar in zijn gaan? Dat zal toch heus niet. Het ligt namelijk voor de hand dat zij zouden zeggen dat de H. Kerk wel het recht heeft hen verplichtingen op te leggen zoals voorgeschreven vastendagen onderhouden, maar niet het recht heeft om iets te veranderen in de leer, die zij van Christus ontvangen heeft; en als nu volgens die leer van Christus hun voorouders zonder te biechten vergeving van zonden konden ontvangen, dan kan de H. Kerk ons niet wijs maken dat dit voor ons niet meer geldt. En zij zouden voor die rare en vervelende verplichting beslist hebben bedankt, zoals de Protestanten dit, zonder enig recht, hebben gedaan.

Hieruit kunnen we dus gerust opmaken dat het onmogelijk was dat de Biecht een instelling was van de H. Kerk, en in de strikte zin zou dit genoeg moeten zijn om ons te overtuigen, dat de Biecht door Christus zelf moet zijn ingesteld. Maar toch hoeven wij ons met dit bewijs niet tevreden te stellen. Ik heb deze opmerkingen slechts vooraf willen maken, om enkele moeilijkheden uit de weg te ruimen, die soms tegen de biecht worden ingebracht. Het grote, beslissende bewijs voor de goddelijke instelling van het H. Sacrament van de Biecht vinden we namelijk in de H. Schrift, de woorden van Christus zelf. ‘Hoe is dat mogelijk?’ zult u vragen; heeft Christus ooit gezegd dat wij onze zonden aan de priester moeten belijden? De volgende paragraaf geeft het antwoord op deze vraag.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen



[1] V. HEEFELE, Conciliengeschichte, T. III, blz. 589
[2] Epist. 148 ad Episc. Campaniae.
[3] Paulinus in Vita Ambrosii n. 39.
[4] Regulae brevoires. Reg. 229, 288, 210.