zaterdag 7 november 2009

De Katholieke gewoonte om te vasten is aanvaardbaar en aangenaam voor God


Matt. 9:
15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.
Jezus zelf heeft voorzegt dat Zijn volgelingen zullen vasten, wanneer Hij eenmaal van hen heengegaan is (ook Mar. 2: 20, Luk. 5: 35).

Matt. 6:
16 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 17 Maar gij, als gij vast, zalf uw hoofd, en was uw aangezicht;
Jezus geeft ons instructies hoe we moeten vasten.

Mar. 9:
28 En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 29 En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.
Jezus leert hier dat de demonen niet uitgedreven kunnen worden dan alleen door bidden en vasten (ook Matt. 17: 21).

Luk. 2:
37 En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.
De weduwe Anna diende God door dag en nacht te vasten en te bidden. De Kerk heeft altijd geleerd dat we door het bij de doop verleende priesterschap, via onze vasten deel hebben aan Christus priesterschap door verzoening te doen voor tijdelijke straffen als gevolg van zonden van andere mensen.

Hand. 13:
2 En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Bárnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. 3 Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.

1 Tim. 4:
3 Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
Hier verbiedt de apostel Paulus niet het vasten in het algemeen, maar het afzien van voedsel los van Christus leer. Hiermee gaat de Apostel niet in tegen Christus profetie dat zijn volgelingen na Zijn hemelvaart zullen vasten en ook niet tegen Christus richtlijnen hoe we moeten vasten.

Ez. 8:
21 Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechten weg, voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have. 22 Want ik schaamde mij van den koning een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten. 23 Alzo vastten wij; en verzochten zulks van onzen God; en Hij liet zich van ons verbidden.
Ezra roept een vasten uit om ons voor God te verootmoedigen, zodat we ons bewust blijven van onze absolute afhankelijkheid van God.

Neh. 1:
4 En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.
Vasten is bedoeld als verzoening voor de tijdelijke straf op de zonde en om onze relatie met God te herstellen.

Ester 4:
3 En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.

Ps. 35:
13 Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.

Ps. 69:
10 Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. 11 En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

Jer. 36:
9 Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des HEEREN aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.

Dan. 9:
3 En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.

Joel 1:
14 Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE.
Joel 2:
12 Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.

Jona 3:
5 En de lieden van Ninevé geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe.
10 En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.

Lees meer...

woensdag 4 november 2009

Elke vriend van God is een vriend van mij


Door Patrick Madrid - Catholic Answers, San Diego, 2004, http://www.catholic.com/thisrock/1992/9209fea1.asp
Vertaald door Hugo Bos

Elke zondag zeggen miljoenen Christenen de Apostolische geloofsbelijdenis op, waarin ze belijden te geloven “de gemeenschap der heiligen”. Slechts weinig mensen realiseren zich het grote belang van deze zinsnede, die besloten ligt tussen twee andere diepe geloofsmysteries.

De Katholieke opvatting hierover wordt door veel Protestanten aangeduid als “on-Bijbels”. Het is toch wel een bittere ironie dat juist dit geloofsartikel een barrière geworden is voor de christelijke eenheid. De controverse cirkelt vooral ronde de vraag: “is het Bijbels om heiligen in de hemel te vragen om voor ons te bidden, om voorspreker voor ons te zijn?”

Katholieken zeggen “ja”. Aangezien Christenen met elkaar verbonden zijn door Christus, en geroepen zijn om elkaar lief te hebben en voor elkaar te bidden, zo kunnen Christenen op aarde andere Christenen in de hemel vragen om voor hen te bidden. Protestanten zeggen “nee”. Ze zeggen dat bidden tot heiligen het unieke middelaarschap van Christus ondermijnt, daarbij wijzen ze op 1 Timothëus 2: 5: “Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus”. Ze denken dat vragen om voorspraak van de heiligen ons in direct conflict brengt met dit vers. De Anglicaanse reformatoren, onder leiding van Thomas Cranmer, de aartsbisschop van Canterbury, zeggen: “De Roomse doctrine betreffende .... (de) aanroeping van heiligen is dwaas, een ijdele uitvinding, niet gegrond op Schriftbewijs, maar is daarentegen, strijdig met het Woord van God” (39 artikelen van de godsdienst, artikel 22).

Het tweede Vaticaanse concilie geeft het Katholieke standpunt als volgt weer: “Krachtens een geheim en liefdevol mysterie van Gods beschikking zijn de mensen door een bovennatuurlijke band met elkaar verbonden, waardoor de zonde van de één ook aan de overigen schade toebrengt, zoals ook de heiligheid van de één weldadig is voor de anderen. Zo helpen de christengelovigen elkaar om het bovennatuurlijke einddoel te bereiken..... Dit is het aloude dogma van de gemeenschap der heiligen, waardoor het leven van de afzonderlijke kinderen van God in en door Christus wonderbaarlijk verbonden is met het leven van alle andere Christenbroeders in de bovennatuurlijke eenheid van het mystieke lichaam van Christus als in één mystieke persoon....

De verbinding dus met de broeders die in de vrede van Christus ontslapen zijn, wordt geenszins onderbroken, maar veeleer, volgens het bestendig geloof van de Kerk, door de uitwisseling van geestelijke goederen verstevigd. Daar de hemelingen immers inniger met Christus verbonden zijn, bevestigen zij heel de Kerk met groter kracht in de heiligheid en op velerlei wijzen dragen zij tot haar bredere uitbouw bij. Want in het vaderland opgenomen en bij de Heer inwonend, houden ze niet op door Hem, met Hem en in Hem voor ons bij de Vader, ten beste te spreken.....” (INDULGENTIARUM DOCTRINA, H II, art. 4-5). Zoals Paulus zegt: “Alzo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.” (Rom. 12: 5). Katholieken geloven dat deelname aan Christus lichaam een persoonlijk band met Christus inhoudt, maar door Hem ook een band met alle Christenen.

“Mij en Jezus” Christenen

Hoewel Protestanten hier in theorie misschien mee instemmen, promoten de meeste (vooral Evangelischen en Fundamentalisten) in de praktijk toch meestal een individualistisch “mij en Jezus” versie van het Christendom, lerend dat het enige dat er uiteindelijk toe doet de eigen persoonlijke relatie met Jezus is, los van alle relaties met anderen. Terwijl ze met de mond de gemeenschap der heiligen belijden, negeren de meeste Protestanten in werkelijkheid toch de organische band en eenheid tussen gelovige Christenen, een band die voortduurt, zelfs na de dood.

De meeste Katholieken en Protestanten zijn het erover eens dat de Bijbel het geïnspireerde en onfeilbare Woord van God is (sommigen geloven beide niet), de Bijbel is dus onze gezamenlijke basis voor dialoog. Om effectief te kunnen zijn in hun uitleg aan Protestanten van wat gemeenschap der heiligen is, moeten Katholieken dus weten hoe ze de Bijbelse fundering van deze doctrine kunnen presenteren. (Een Protestant blijft soms onbewogen vast houden aan zijn bezwaren, zelfs na het zien van een volledige Bijbelse verdediging van het Katholieke dogma. Waar de Protestanten het in feite niet mee eens zijn is de Katholieke interpretatie van de verzen, waarmee ze hun argumentatie dus verschuiven van “het staat niet in de Bijbel”, naar de subjectieve categorie van “ik ben het niet eens met jou interpretatie van die verzen”. Deze houding bij Protestanten komt door de fatale vergissing van het Protestantisme, Sola Scriptura, de notie dat de Bijbel de enige geloofsregel is, los van de Traditie of het Magisterium (kerkelijk leergezag). Protestanten eisen dat Katholieken hun geloof staven aan de Bijbel (de aloude routine laat-me-zien-waar-dat-in-de-Bijbel-staat), maar wanneer het Bijbelse bewijs dan gegeven is, wordt de Katholieke visie desondanks als “on-Schriftuurlijk” afgewezen. Aangezien ze het concept van een onfeilbare interpretator van de Schrift afwijzen, of dat nu de Kerk is of een individu, kunnen Protestanten alleen hun eigen meningen, van wat zij denken dat de Schrift leert, naar voren brengen. Ze hebben geen methode om zeker te weten of hun interpretatie van de Bijbel correct is). Het Katholieke standpunt is gefundeerd op vier pilaren: (1) de Kerk is Christus lichaam; (2) Christus heeft slechts één lichaam, en niet één op aarde en één in de hemel; (3) Christenen zijn niet van elkaar gescheiden door de dood; (4) Christenen moeten elkaar liefhebben en elkaar dienen.

De Kerk is Christus lichaam

De apostel Paulus gebruikt van het beeld van een lichaam, om de eenheid die Christenen met Christus en met elkaar hebben te beschrijven, is een bijzonder mooi beeld: “Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben; Alzo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.” (Rom. 12: 4-5).

De Heere zinspeelde op deze eenheid toen Hij bad, “En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als Wij Eén zijn; Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één” (Joh. 17: 22-23). Hij gebruikte de analogie van Hemzelf als de wijnstok en de Christenen als de ranken, om daarmee de organische band die Christen met elkaar delen te illustreren (Joh. 15: 1-5). (De leer dat de Kerk Christus lichaam is wordt door heel het Nieuwe Testament benadrukt: 1 Kor. 10: 16; 12: 12-27; Gal. 3: 28; Ef. 1: 22-23; 3: 4-6; 4: 4, 15, 25; 5: 21-32; Kol. 1: 18; 3: 15; Heb. 13: 1-3.).

Jezus heeft slechts één lichaam

Jezus heeft maar één lichaam – niet één hier op aarde en één in de hemel (Ef. 4: 5; Kol. 3: 15). Alle Christenen, inclusief zij die in de hemel zijn, zijn leden van dat ene lichaam.

Niet gescheiden door de dood

Omdat Christus de dood heeft overwonnen, een overwinning waarin alle Christenen delen (zie 1 Kor. 15: 25-26, 54-56; 2 Kor. 2:14; 2 Tim. 1:10), kan de natuurlijke dood de Christenen niet van Christus scheiden en ook niet van elkaar. Dat is de reden dat Paulus uitroept, “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? .....Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, .....ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.” (Rom. 8: 35-39). Aangezien de dood geen macht heeft om de Christelijke eenheidsband te breken, is de band tussen Christenen op aarde en die in de hemel nog steeds intact.

De Protestantse haat ten opzichte van het idee dat heiligen in de hemel voor ons kunnen bidden getuigd van een soort “uit het oog, uit het hart” mentaliteit: “Aangezien ik Christenen in de hemel niet langer kan zien en niet met ze kan spreken, heb ik niets meer met ze te maken.” Deze kortzichtige zienswijze is on-Schriftuurlijk. Het conflicteert met diverse Bijbelverzen die Protestanten uit hun hoofd kennen.

Paulus vermaant Christenen die denken dat ze andere Christenen niet nodig hebben: “Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. Waren zij alle maar één lid, waar zou het lichaam zijn? Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar één lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node..... Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam alzo samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft; Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen. En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.” (1 Kor. 12: 18-21, 24-26). Katholieken geloven dat dit ook van toepassing is op de Christenen in de hemel.

Christenen verbonden in naastenliefde

De vierde pijler is Christus wet van naastenliefde. Jezus heeft gezegd dat dit het tweede gebod is, na het gebod om God lief te hebben (Matt. 22: 38; Mar. 12: 30-31; 1 Kor. 13). Deze wet van naastenliefde wordt op zo ongeveer elke bladzijde van het Nieuwe Testament benadrukt, vooral door voorbede voor elkaar.

Paulus vermaant de Christenen dat voor alle mensen gedaan moeten worden: smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen. Hij benadrukt dat voorbede “goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker” is (1 Tim. 2: 1-4). Vergelijkbare aansporingen vinden we in het gehele Nieuwe Testament:

“En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij” (Rom. 15: 30).

“Die ons uit zo groten dood verlost heeft, en nog verlost; op Welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. Alzo gijlieden ook medearbeidt voor ons door het gebed” (2 Kor. 1: 10-11).

“Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende;... Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere” (Kol 1: 3, 9, 10). (Zie Hand. 8: 24; 2 Kor. 13: 7; Fil. 1: 9; Gal. 5: 13; 6: 2; Ef. 4: 32; 1 Thess. 3: 10-12; 4: 9-18; 5: 14-15, 25; 2 Thess. 1: 3; 3: 1; 1 Tim. 2: 1-4; 2 Tim. 1: 3-4; Heb. 3: 19; 13: 18; Jak. 5: 16; 1 Pet. 1: 22; 3: 8; 1 Joh. 4: 7-21; 2 Joh. 5.).

Terwijl hij nog op aarde was kon Paulus zeggen: “Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.” (Rom. 10: 1) en “gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag; Zeer begerig zijnde om u te zien” (2 Tim. 1: 3). Is er enige reden om aan te nemen dat Paulus liefde en genegenheid voor de zaligheid van anderen minder zou worden zodra hij in de hemel is of dat zijn gebed voor anderen zou eindigen? Geenszins, de vele aansporingen in de Bijbel tot wederzijdse liefdadigheid gelden alle Christenen, dus moeten ze ook van toepassing zijn op de Christenen in de hemel. Denk hierbij ook aan de vermaning aangaande naastenliefde:

“Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.” (Gal. 6: 2).

“De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan. Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een den ander voorgaande.”

“Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.” (1 Kor. 10: 24).

“Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van node, dat ik u schrijve; want gij zelven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben. ....Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt” (1 Tess. 4: 9-10).

“Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, ......wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen. Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.” (1 Tess. 5: 11, 14-15; zie ook 2 Kor. 1: 10, 11).

Alleen de Christenen hier beneden?

Een Protestant heeft hier misschien volgend bezwaar tegen, “dit vers refereert alleen aan Christenen op aarde, het zegt niets over hen die in de hemel zijn”. Maar uit welk deel van de Bijbel halen de Protestanten de notie dat naastenliefde zich beperken moet tot hen die op de aarde zijn? Zijn de geboden van de Heere niet eeuwig, gevestigd in de hemel en op de aarde? Hoewel de heiligen in de in de hemel niet expliciet genoemd worden in dit vers, wordt hun participatie toch geïmpliceerd.

Het boek Hebreeën geeft ons een overtuigend beeld van de gemeenschap der heiligen in actie. Hoofdstuk elf roemt de heldendaden van de Oudtestamentische heiligen, en noemt Noach, Abraham, Saraï, Jozef, Mozes en zelfs Rachab de hoer.

Hoofdstuk twaalf herinnert ons eraan dat het nu onze beurt is om de loopbaan te lopen richting de zaligheid. De schrijver moedigt ons aan om de heroïsche deugden van de Oudtestamentische broeders en zusters goed te observeren en na te volgen: “Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus” (Hebr. 12: 1,2).

Let erop dat de Oudtestamentische heiligen getuigen genoemd worden die ons omringen, alsof ze ons omringen en ons aanmoedigen in de wedloop die voor ons ligt, daarbij volgend in hun voetstappen. (Deze metafoor is uit de Hellenistische hardloopwedstrijden genomen, een populaire sport in die eerste eeuwen. De schrijver vergelijkt dit sterfelijke leven met een geestelijke wedloop die we moeten lopen, daarbij strevend naar de prijs: onverderfelijke kroon der verlossing. (zie 1 Kor. 9: 24-27). Zijn didactische doel, met het tonen van de deugden van hen die voor ons de webloop hebben gelopen, is tweeledig: ten eerste, om ons eraan te herinneren dat de heiligen getuigen zijn van onze wedloop, en ten tweede, om ons aan te moedigen om hun voorbeeld na te volgen. “Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.” (Hebr. 13: 7. Zie ook: 1 Kor. 11: 1; Fil. 3: 17, 4: 19; 1 Tess. 1: 6-7). De heiligen zijn niets slechts omstander, zonder compassie voor hun medechristenen die op aarde worstelen en strijden. Maar vanwege hun liefde voor ons doen ze voorspraak voor ons voor Gods troon. (Wanneer ze geen voorspraak voor ons zouden doen, kun je dan wel zeggen dat ze ons echt liefhebben?).

Jezus zinspeelt op deze broederlijke liefde van Christenen die gestorven zijn, in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (Luk. 16: 19-30). De rijke man in was in deze gelijkenis in een plaats van kwelling, desondanks toonde hij medelijden met zijn broeders: “Ik bid u [Abraham] dan, vader, dat gij hem [Lazarus] zendt tot mijns vaders huis; Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.” Zelfs in zijn vurige lijden, waren zijn gedachten bij zijn familie op aarde. (Het is waar dat de rijke man een afwijzend antwoord kreeg op zijn vraag, maar het kan toch niet ontkend worden dat hij voorspraak deed voor zijn verwanten op aarde. Ik denk dat het zeer aannemelijk is dat we hier een glimp kunnen zien van het vagevuur (zie 1 Kor. 3: 12-15; 1 Pet. 3: 19; 4: 6), aangezien de vervloekten die in de hel zijn geen medelijden kennen, wat deze rijke man wel kende (waardoor geïmpliceerd wordt dat hij niet in de hel was). Protestanten bestrijden deze interpretatie, en zeggen dat de rijke man niet in het vagevuur was (daar geloven ze immers niet in) maar in de hel. Dit argument maakt het Katholieke standpunt betreffende de gemeenschap der heiligen zelfs nog sterker, want als zelfs de veroordeelden voorbede kunnen die voor ons op aarde, dan volgt toch a fortiori daaruit dat ook de gezegende in de hemel dit kunnen doen.)

Twee gebruikelijke bezwaren

Twee gebruikelijke bezwaren van Protestanten zijn dat er geen Bijbels bewijs is voor deze voorspraak door de heiligen in de hemel voor ons en dat zij in de hemel geen weet hebben van onze aardse verwikkelingen. Deze beide noties zijn Bijbels gezien ongegrond.

In Openbaringen (het boek dat het duidelijkste beeld geeft van wat de heiligen in de hemel doen) vinden we gevallen waarin de heiligen voorspraak voor ons doen, en we zien dat ze zich zeer goed bewust zijn van wat er op aarde gebeurd (zie Luk. 15: 7 “Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.” en Openbaringen 19: 1-4). Twee van dergelijke voorbeelden zijn: in Openbaringen 5: 8 (en 8: 3, 4) staan de heiligen voor de troon van het Lam, voor het gouden altaar in het hemelse heiligdom. Ze zingen een nieuw lied tot Gods lof en ze offeren de gebeden van de heiligen op de aarde, die opstijgen als reukwerk. Het tweede voorbeeld, in Openbaringen 6: 9-10 bidden de gemartelde heiligen een wraakgebed, waarbij ze God vragen om hun bloed te wreken.

Maar afgezien van zulke expliciete passages kunnen we ook ergens anders uit afleiden dat de heiligen voor ons bidden, de heiligen zijn namelijk volmaakt in de deugd van naastenliefde, waar we op aarde nog onvolmaakt zijn in onze naastenliefde. Ze hebben ons lief en doen voorbede voor ons met een hartelijke intensiteit en doeltreffendheid waarmee wij op aarde nooit zouden kunnen bidden.

Johannes zegt ons “God is liefde” en dat “want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft? En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.” (1 Joh. 4: 16, 20-21).

Gods vrienden zijn ook onze vrienden

In plaats van uitgesloten te zijn van Johannes leer, is het daarentegen zo dat de Christenen in de hemel die leer te volle uitbeelden. Aangezien zij God van aangezicht tot aangezicht zien, en voor eeuwig baden in Gods brandende liefde, kunnen ze ook niet anders dan liefhebben hen die God liefheeft. Ze zijn volkomen doordrongen van Gods hartstochtelijke liefde voor Zijn mensen. Hoe zouden ze ook anders kunnen? Omdat ze God liefhebben hebben ze ons lief en doen voorbede voor ons. In de hemel vervullen ze het Bijbelse mandaat volmaakt: “Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart;” (1 Pet. 1: 22).

De hemel zou toch wel een vreemde plek zijn, en God zou een vreemde Vader zijn, wanneer Christenen in de hemel verboden zou worden om voorbede te doen. Protestanten moeten toch worstelen met de vraag, “Waarom gebied God de voorbede voor elkaar als Christenen op aarde en verbiedt Hij het voor Christenen in de hemel?” (Zelfs Maarten Luther redeneerde, toen hij 1 Joh. 3: 13-18 behandelende, op een wijze die dicht bij de Katholieke ligt: “Zulks is de juiste interpretatie en verstaan van Johannes woorden ‘Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben’. Hier wordt in duidelijke woorden de conclusie gegeven dat geen man mag roemen op zijn leven, tenzij hij de liefde heeft... Iemand die de ellende en misère van de dood heeft ervaren, maar die het leven met zijn troost en vreugde is binnengegaan, een zegen die hij zoekt te behouden, zo’n persoon zal ook de zegen voor anderen verlangen” [ cursief toegevoegd] (preek van Maarten Luther, e.d. John Nicholas Lenker [ Grand Rapids: Baker Books House, 1988], vol. 8, 52-54).

Het één Middelaar argument

We moeten nog diverse andere veelvoorkomende Protestantse bezwaren behandelen, de eerste hiervan is het “één Middelaar” argument: ”Aangezien Christus de ene Middelaar is tussen God en de mens, veroorzaakt het vragen om de voorbede door heiligen voor ons, een ernstige inbreuk op deze unieke rol van Christus. Dat is ontoelaatbaar. We moeten rechtstreeks tot God bidden, punt uit.”

Feitelijk doen Katholieken beide – net als de Protestanten trouwens – namelijk, rechtstreeks tot God bidden, maar ook hun medechristenen vragen om voor hen te bidden. Het verschil ligt erin dat Katholieken hierbij de term “Christenen” niet beperken tot alleen de “Christenen hier op aarde”.

Eerst moet duidelijk gemaakt worden dat de Katholieke Kerk geenszins leert dat de heiligen middelaars zijn op die speciale manier die gebruikt wordt in 1 Timothëus 2: 5. Vanwege de incarnatie (vleeswording), heeft Jezus een unieke rol als Middelaar. Hij is de enige die God en mens tegelijk is, het enige contactpunt tussen ons en de Vader, Hij alleen is in staat om de kloof van de zonde die ons van God scheidt te overbruggen. Geen heilige kan Christus plek als Middelaar innemen. De Katholieke Kerk leert niet dat welke Christen ook maar middelaar is op die manier, zoals beschreven in 1 Timothëus 2: 5. Maar ze leert daarentegen dat alle Christenen middelaar zijn die, vanwege Christus Middelaarschap, in staat zijn om voor elkaar te bidden. (Het officiële Katholieke standpunt hieromtrent is te lezen in de decreten van het concilie van Trente, Sessio V).

Het vragen aan Christenen in de hemel om voor ons te bidden zou conflicteren met Christus Middelaarschap, maar wanneer dat zo is, dan zou dit vragen om voor ons te bidden aan Christenen op aarde om dezelfde reden conflicteren. Wanneer 1 Timothëus 2: 5 de voorspraak door Christenen in de hemel elimineert, dan wordt deze voorspraak door Christenen op aarde ook geëlimineerd.

Maar dit zou toch een faliekant verkeerde manier van lezen zijn. Integendeel, de Christenen worden niet uitgesloten van deelname aan Christus Middelaarschap. Paulus benadrukt feitelijk dat we hierin moeten delen door voorbede. Onze voorbedes zijn effectief, juist omdat Christus de ene Middelaar is.

“Mini-middelaars”

Wanneer hij gebied dat “Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;.... Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker;” (1 Tim. 2: 1,3), dan roept Paulus alle Christenen op om dit “mini-middelaarschap” uit te oefenen door en in Christus. Immers, iemand die bidt, smeekt en voorbede doet, die komt tussenbeide, die bemiddeld, die gaat tot God namens iemand anders en vraagt de Heere om zegen of genezing, kracht, vergeving of verlossing.

Middelaarschap van Christenen door middel van voorbede is kwalitatief verschillend van het Middelaarschap van Jezus, en is alleen mogelijk doordat Jezus de Middelaar is tussen ons en de Vader. Door zijn dood aan het kruis kunnen we vrijmoedig verschijnen voor de Vader en bidden, voorbede doen, smeken en dankzeggen namens en voor anderen (Ef. 2: 18; 1 Tim. 2: 1-4; Hebr. 4: 16).

Een andere reden dat er geen conflict is tussen het vragen aan Medechristenen om gebed, en geloven dat Jezus de ene Middelaar is tussen God en mensen, is dat Jezus zijn unieke rol ook op andere wijzen met ons Christenen deelt.

Jezus is de Schepper van alle dingen (Joh. 1: 1-3; Kol. 1: 16-17; Heb. 1: 1-2), maar wat het scheppen van nieuw leven betreft deelt Jezus zijn rol als Schepper met man en vrouw, zijn scheppend werk bewerkend via onze geslachtsgemeenschap. De menselijke ziel wordt door God geschapen, uit niets, op het ogenblik dat door de huwelijksvereniging een nieuw lichaam verwekt wordt. De Heere had ervoor kunnen kiezen om een menselijk leven, lichaam en ziel, direct en unilateraal te scheppen, maar Hij heeft ervoor gekozen om dit niet te doen, Hij prefereerde daarentegen om zijn rol als Schepper in een bepaalde zin afhankelijk te maken van een menselijke daad.

Jezus is de herder van Zijn kudde, de Kerk, (Joh. 10: 16), toch deelt Hij zijn herderschap op een ondergeschikte wijze met anderen, te beginnen met Petrus (Joh. 21: 15-17), en later ook met anderen (Ef. 4: 11). (Nadat Hij heeft gezegd dat Hij de Goede Herder is, zegt Jezus dat het zal worden één kudde, en één Herder (Joh. 10: 11-16), maar deze schijnbaar exclusieve uitspraak conflicteert niet met het feit dat Hij Petrus later aanstelt als herder over de kudde (Joh. 21: 15-17) of met het feit dat Hij anderen herder noemt (Ef. 4: 11). Petrus benadrukt dat Jezus Zijn rol als herder deelt met anderen, doordat Hij Jezus de Opperherder noemt, waarmee hij impliceert dat er ook mindere herders zijn (1 Pet. 5: 4). Let erop dat de Griekse uitdrukking die in Johannes 10 vers 16 gebruikt wordt [het zal worden] één Herder (heis poimen) hetzelfde is als die gebruikt wordt in 1 Timotheüs 2: 5 [Want er is] één Middelaar (heis mesites)). De apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen, zijn ook echte herders.

Jezus is de hogepriester van het Nieuwe Verbond, eeuwig tegenwoordig voor de Vader, pleitbezorger voor ons op grond van Zijn ene offer voor onze verlossing, eens en voor altijd (Heb. 3: 1; 4: 14-15; 5: 5-10; 7: 15-26; 8: 1; 9: 11). Maar de zegt ook dat wij Christenen geroepen zijn te delen in Christus priesterschap (1 Pet. 2: 5-9; Open. 1: 6; 5: 10; 20: 6).

Jezus is de Opperrechter (Joh. 5: 27; 9: 39; Rom. 14: 10; 2 Kor. 5: 10; 2 Tim. 4: 1), toch moeten we als Christenen delen in Christus rechtspraak. De Christenen zullen rechters zijn in de hemel,en zelfs de engelen oordelen (Matt. 19: 28; Luk. 22: 30; 1 Kor. 6: 2-3; Open. 20: 4).

Jezus is de soevereine koning van het universum (Mar. 15: 32; 1 Tim. 6: 15; Open. 15: 3; 17: 14; 19: 16), maar Hij deelt zijn koningschap met alle Christenen, die in de hemel kronen zullen dragen, zullen zitten op tronen, en regeren als koningen naast Jezus – maar altijd aan Hem ondergeschikt. Onze Heere zegt: “Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.” (Open. 3: 21). (Zie ook Matt. 19: 23; Luk. 22: 30; Open. 1: 6; 5: 10).

Jezus vergeeft onze zonden en verzoend ons met de Vader (2 Kor. 5: 18-21), maar Hij roept ons op verschillende wijzen te delen in Zijn bediening der verzoening (Matt. 9: 5-8; 18: 18; Joh. 20: 21-22; Hand. 2: 38; 2 Kor. 5: 18-20; Jak. 5: 14-15).

Natuurlijk kan en mag geen enkele Christen zich meester maken van Christus unieke rol als Schepper, Herder, Hogepriester, Koning, Rechter en Verzoener, maar elke Christen is wel geroepen om te delen in deze rollen, op een ondergeschikte wijze. Het principe van delen in Christus rol is ook van toepassing op Christus rol als Voorbidder en Middelaar.

Rechtstreeks tot God bidden

Een ander veel gehoord argument tegen bidden tot heiligen is: “Waarom zou je tot de heiligen bidden wanneer je ook rechtstreeks tot God kunt bidden?”

Protestanten beweren dat de volgende Bijbelverzen impliceren dat we met onze vragen en behoeften alleen tot God moeten gaan: “Want door Hem hebben wij beiden den toegang door één Geest tot den Vader.” (Ef. 2: 18); “Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” (Hebr. 4: 16); “En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;” (1 Joh. 2: 1). Ze vinden dat het vragen om gebed aan de heiligen overbodig is, immers we hebben nu, door Jezus Christus, een directe verbinding met God. Er zijn dus geen ‘helpers’ nodig.

Soms wordt dit argument gebruikt in de vorm van een analogie: “wanneer je volledige en onbeperkte toegang zou hebben tot de president van Amerika, en hem kon ontmoeten wanneer je een klacht hebt of een gunst wilt vragen, waarom zou je dan je tijd verkwisten met gesprekken met de Staatssecretaris of de Stafchef, terwijl je ook rechtstreeks kunt gaan naar de President zelf, de man die de beslissingen neemt?”

Met andere woorden, waarom zou je de heiligen vragen om God lastig te vallen namens jou (alsof zij iets gedaan zouden krijgen, wat jij niet gedaan kunt krijgen), wanneer God jou liefheeft en je alle goeds wil geven, dan kun je het Hem toch zelf vragen?

Dit is een ongelofelijke en domme manier van redeneren. Natuurlijk wil God dat we Hem dingen rechtstreeks vragen – en dat doen we ook – maar Hij wil ook dat we elkaar vragen om gebed voor elkaar (1 Tim. 2: 1-3). Welke Christen zou, wanneer een medechristen hem vraagt om voor hem te bidden, zich omkeren en deze broeder toesnauwen “wat on-Bijbels! Waarom vraag je mij om voor jou te bidden, wanneer je ook rechtstreeks tot God kunt bidden en het Hem zelf vragen?“ Protestanten realiseren zich ook dat delen in Christus middelaarschap, door voorbede voor elkaar, niet minder on-Bijbels is dan delen in Christus Priesterschap, Koningschap, of het feit dat hij Rechter is.

Veel protestanten zijn verrukt wanneer iemand hun om voorbede vraagt (het is toch logisch te denken dat heiligen net zo verrukt zijn wanneer we om hun voorbede vragen?) en ze stimuleren het om voor elkaar te bidden, vooral bij hen die strijden door gebed, rechtvaardige Christenen die bekend zijn vanwege hun gebed dat veel vermag. (“een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel” (Jak. 5: 16)). Christenen in de hemel zijn volmaakt in rechtvaardigheid. Zouden hun gebeden dan geëlimineerd worden? Hun rol als “gebedsstrijders” te ontkennen zou Bijbels gezien onlogisch zijn.

Boettner’s argument

Loraine Boettner, de ‘peetoom’ van alle modern antikatholicisme, gooit het over een andere boeg en argumenteert als volgt: “Hoe onterend is het voor Christus, wanneer wij leren dat Hij gebrek heeft aan medelijden en compassie voor Zijn mensen en overtuigd moet worden om dit wel te hebben ...Toen Hij op aarde was hoefde niemand Hem te overtuigen om medelijden te hebben. (Dit is niet waar. Er zijn een heel aantal gevallen waarin Jezus op aarde overtuigd werd om medelijden te hebben. Een zeer treffend is het voorbeeld van de Kananese vrouw die Jezus meermaals bijna bedelde om genade, zodat ze bijna ruzie met Hem kreeg, voordat Hij haar dochtertje wilde genezen. (Matt. 15: 21-28)). Maar wanneer Hij de blinden en lammen zag, de bedroefden en hongerigen, was hij met ontferming over hen bewogen en Hij hief ze op uit hun smarten. Hij had onmiddellijk medelijden met de verdorven maar berouwvolle moordenaar aan het kruis, en er was voorspraak van Maria nodig, alhoewel zij wel aanwezig was.”

“Zijn liefde voor ons is net zo groot als toen Hij op aarde was; Zijn hart is net zo teder; en we hebben geen andere bemiddelaar nodig, niet Zijn moeder naar het vlees, geen heilige of engel, om bij Hem te smeken namens ons. Christus is dus, omdat Hij God en mens was, onze enige Redder, enige Middelaar, de enige weg tot God. Er wordt met geen woord gerept over Maria....of de heiligen als middelaars. Toch leert het Rooms-katholicisme dat er vele middelaars zijn” (Rooms-katholicisme, Philadelphia, Presbyteriaans en Gereformeerd, 1962, pag. 147-148. Hoewel Boettner’s pseudowetenschappelijke vorm van antikatholicisme een belediging is voor elke goed opgeleide Protestant, wordt zijn boek ‘Rooms-katholicisme’ toch breed gebruikt als bron voor antikatholieke argumentaties. Met zijn argumenten moet dus terdege rekening gehouden worden.)

Dit argument is vernuftig. Let erop dat Boettner zich nooit confronteert met de Katholieke positie. Hij argumenteert tegen een stroman, door te insinueren dat Katholieken geloven dat God Maria of heiligen nodig heeft, zij moeten voor ons bemiddelen en voorspreken, anders komt Hij niet in actie. Geen enkele Katholiek gelooft dat het ‘noodzakelijk’ is dat iemand anders God overhaalt iets te doen.

Boettner negeert de Bijbel

Boettner negeert gemakshalve het feit dat de Bijbel zegt dat God voorbede voor andere mensen goed en aangenaam vindt (1 Tim. 2: 1-4) en soms, vanwege Zijn ondoorgrondelijke redenen, intervenieert de Heere enkel en alleen op grond van deze voorbede. Paulus benadrukt dat God “door het gebed....door vele personen” Zijn verlossing bewerkt. (2 Kor. 1: 10-11).

Boettner negeert het voorbeeld van Maria’s voorbede bij Christus tijdens de bruiloft te Kana, terwijl de kwestie waar het in dat geval om gaat toch van relatief gering belang is (Joh. 2: 1-10), en hij gaat ook niet in op het feit dat de martelaren in de hemel voorspreken bij God, Hem vragend om hun dood namens hen te wreken (Open. 6: 9-11).

De Bijbel staat vol met voorbeelden van engelen en heiligen die voorbede doen bij God namens anderen. Abraham doet voorbede voor Sodom en Gomorra (Gen. 18: 16-32). Mozes die voorbede voor het volk Israël, en smeekt God om het volk niet te vernietigen, en de Heere heeft berouw (Ex. 32: 7-14). De engel doet voorbede namens Jeruzalem (Zach. 1: 12). Paulus die voorbede namens de Kerk (Kol. 1: 9-12).

Niet alle gebed is aanbidding

Er is een meer fundamentele reden waarom Protestanten bezwaar hebben tegen het aanroepen van heiligen. Velen van hen hebben een gebrekkig begrip over wat bidden eigenlijk is. Aangezien het gebed de hoogste vorm van aanbidding is voor Protestanten (ze maken immers geen onderscheid tussen gebed en aanbidding), lijk het gebed van Katholieken tot heiligen godslasterlijk, wij bidden immers tot heiligen. Maar de hoogste vorm van aanbidding is niet het gebed, maar de Mis, waarbij Christus offer op Golgotha, in tijd en ruimte opnieuw geactualiseerd wordt.

Hoewel alle aanbidding gebed is, is toch niet alle gebed aanbidding. Gebed tot de heiligen is geen aanbidding, zoals ook vragen om gebed door medechristenen geen aanbidden is. Er is geen andere manier mogelijk, wanneer we degenen in de hemel willen vragen om voorbede, dan via mentale communicatie, maar dit moet niet verward worden met de aanbidding die alleen aan God toekomt.

Vele gebeden

Er is ook het ‘vele gebeden’ bezwaar: “Hoe kunnen de heiligen al die miljoenen gebeden gelijktijdig horen, in al die verschillende talen?“ Om dat te kunnen doen zouden ze alwetend en alomtegenwoordig moeten zijn, maar alleen God is alwetend en alomtegenwoordig. Deze redenering is op drie manieren fout.

Ten eerste, aangezien de heiligen in de eeuwigheid leven zijn ze niet gebonden door tijd en plaats, omdat ze die beide gepasseerd hebben. Je kunt dus zeggen dat het geen tijd kost om al die gebeden te horen, deze heiligen kennen immers geen tijd meer.

Ten tweede, er is een eindig aantal mensen op aarde, en er is slechts een eindig aantal gebeden dat tegelijkertijd uitgesproken wordt. Daarom is alwetendheid en alomtegenwoordigheid niet vereist om alle gebeden die ooit op een bepaald moment gesproken worden te horen, hoe groot dit aantal ook is.

Ten derde, het is dom om te denken dat de mogelijkheden van de heiligen in de hemel net zo armzalig zijn als de onze. Onze onkunde om te begrijpen hoe de heiligen zo veel gebeden gelijktijdig kunnen horen, is toch geen reden om te ontkennen dat ze deze gebeden kunnen horen. In hun verheerlijkte staat kunnen de heiligen dingen doen die wij nauwelijks voor mogelijk houden: “Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.” (1 Kor. 2: 9). Zij die in de hemel zijn verblijden zich zelfs over één zondaar die zich bekeert (Luk. 15: 7, 10), maar we hebben niet te horen gekregen hoe ze kunnen weten over individuele bekeringen.

We weten dat we in de hemel getransformeerd zijn naar het beeld van Christus verheerlijkte lichaam. Paulus verzekert ons dat we “gelijkvormig worde(n) aan Zijn heerlijk lichaam” (Fil. 3: 20-21). En Johannes zegt: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.” (1 Joh. 3: 2). Na Zijn opstanding doet Christus, met zijn verheerlijkte lichaam, ongelofelijke dingen, zoals door muren lopen (Joh. 20: 19). “Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.” (1 Kor. 15: 42,43). De hemel is een verbazende plek die vol is met mensen die, door Gods oneindige genade, in staat zijn om verbazende dingen te doen.

Necromantie

Sommigen noemen het “necromantie” bezwaar: “De heiligen zijn dood, en de Bijbel verbied contact met doden.” Hierbij is sprake van begripsverwarring. Bij necromantie gaat het om waarzegging door het oproepen van doden, hierbij wordt getracht om duivelse krachten te gebruiken, om zo met bekende geesten te communiceren. De Bijbel veroordeelt deze occulte praktijk, evenals het pogen om met geesten te communiceren door trance, seance en bezwering (Lev. 19: 26, 31; 20: 6, 27; Deut. 18: 10-12; 1 Sam. 28: 4-18; Jes. 8: 19; 47: 12-14).

Heiligen vragen om voor ons te bidden is geen necromantie. Behalve de manier van communiceren, is het vragen aan onze medechristenen in de hemel om voorbede voor ons, niets anders dan vragen aan onze medechristenen hier op aarde om voor ons te bidden. Bovendien zijn de heiligen helemaal niet echt dood. Ze zijn meer levend dan wij hier op aarde. Jezus zegt: “hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs? God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.” (Mar. 12: 26-27 zie ook: Wijsheid 3: 1-3 en Joh. 17: 3). (Toen de Heere deze woorden op de berg Horeb sprak tot Mozes waren deze drie patriarchen als meer dan 500 jaar ‘dood’).

De finale vraag. Wanneer Jezus geen enkel contact zou hebben willen hebben tussen heiligen op aarde (zoals Paulus de Christenen vooruitlopend op de toekomst noemt) en de heiligen in de hemel, waarom heeft de Heere dan zoveel waarde gehecht aan de verschijning op de berg aan Petrus, Johannes en Jacobus van Mozes en Elia, twee ‘dode’ heiligen? (Matt. 17: 1-8).
________________________________________
Patrick Madrid is stafmedewerker van Catholic Answers. Hij wil James Akin en T. L. Frazier, beide Protestantse bekeerlingen tot het Katholieke geloof, en Ralph MacKenzie, een evangelische christen, voor hun assistentie bij het voorbereiden van dit artikel.

Lees meer...

maandag 19 oktober 2009

Geloof en werken


Jimmy Akin - Catholic Answers, San Diego: 2004, http://www.catholic.com/thisrock/1999/9909chap.asp (vertaald door Hugo Bos)

Een bepaalde passage wordt vaak door fundamentalisten geciteerd als bewijs tegen de Katholieke visie op de verlossing, het is Efeze 2 vers 8 en 9: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”

Hoewel deze passage Katholieken vaak doet verstommen, is het toch geen reden om zich bedreigd te voelen.

Zelfs wanneer we aannemen dat Paulus spreekt over “goede werken”, wanneer hij zegt dat we niet zalig worden uit “werken”, conflicteert dit alsnog op geen enkele wijze met de Katholieke theologie. Let op dat in deze passage gesproken wordt in de verleden tijd – “zalig geworden”. In het Grieks is het om precies te zijn de voltooid verleden tijd, wat betekent dat het een in het verleden voltooide actie betreft.

We weten uit andere passages, waarin Paulus eveneens spreekt over de verlossing, dat die verlossing ook tegenwoordige en toekomende aspecten heeft, de verlossing waar Paulus in Efeze 2 over spreekt is dus een andere vorm, het betreft de initiële verlossing. Het is de verlossing die we ontvangen wanneer we voor het eerst tot God komen en gerechtvaardigd worden, niet de soort verlossing die we nu ontvangen (vgl. 1 Pet. 1: 8-9, Fil. 2: 12) of de soort die we eens in de toekomst zullen ontvangen (vlg. Rom. 13: 11, 1 Kor. 3: 15, 5: 5).

De Katholieke Kerk leert ook niet dat we de initiële rechtvaardiging ontvangen door goede werken. Je hoeft geen goede werken te doen om tot God te komen en om gerechtvaardigd te worden.

Het concilie van Trente stelt: “Dat wij echter om niet worden gerechtvaardigd, wordt echter gezegd, omdat niets van dat waaruit de genade voortkomt, hetzij geloof, hetzij de werken, de genade zelf van rechtvaardiging kan verdienen, "tenzij het immers genade is, niet meer op grond van de werken, anders" (zoals dezelfde apostel zegt) "is genade geen genade meer". (Rom. 11, 6)” (SESSIO VI - DECRETUM DE IUSTIFICATIONE, Deel 1, Hoofdstuk 8).

Dus zelfs wanneer Paulus het woord “werken” gebruikt in de betekenis van “goede werken”, in Efeze 2 vers 8 en 9, is er nog steeds geen conflict met de Katholieke theologie. Echter, Paulus bedoelt hier waarschijnlijk niet “goede werken”. Wanneer hij zegt “werken”, bedoeld hij gewoonlijk “werken der wet” Het punt dat hij wil benadrukken is dat we gered worden door geloof in Jezus Christus, niet door gehoorzamen van de Mozaïsche wet. De Joden hebben geen reden om zich te beroemen op hun afkomst, boven die van de heidenen, omdat ze een bevoorrechte relatie met God hebben door het houden van de Mozaïsche wet en haar vereiste van de besnijdenis (vlg. Rom. 2:6-11, 17-21, 25-29, 3:21-22, 27-30).

Dezelfde elementen – werken, roemen, besnijdenis en onderscheid tussen Jood en heidenen - zijn eveneens aanwezig in Efeziërs 2. Paulus bespreekt hoe Joden en heidenen verbonden zijn met het lichaam van Christus en noemt werk in relatie met roemen, voordat hij verder gaat met het gehele onderwerp van besnijdenis en huisgenoot zijn van God in Christus:

“Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt; Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende; En opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren. Want door Hem hebben wij beiden den toegang door één Geest tot den Vader. Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods;” (Ef. 2: 11-19).

Gezien de gelijkenis in thema in beide passages, is het aannemelijk dat Paulus het woord “werken” en “roemen” hier op dezelfde wijze gebruikt als in Romeinen, dat is van Joden die zichzelf roemen tegenover de heidenen, als hebbende privileges bij God vanwege hun houden van de Mozaïsche wet.

De apostel richt onze aandacht daarna weg van de werken door de Mozaïsche wet en in de richting van de werken waar we als Christenen in geïnteresseerd moeten zijn – goede werken: “Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.” (Ef. 2: 10).

De bedoeling van wat Paulus zegt is: “God heeft ons beide opgewekt – Joden en heidenen – om te zitten in den hemel in Christus Jezus; want we ontvangen de aanvankelijke redding als genadegift. We ontvangen het door het geloof in Christus Jezus (die zelf een gift van God is), niet door werken van gehoorzaamheid aan de Mozaïsche wet. Joden en heidenen kunnen zich dus niet ergens op doen voorstaan tegenover de ander, als hebbende een privilege bij God. Als Christenen zijn we het resultaat van Gods werk, Hij heeft ons herschapen in Christus lichaam opdat we “goede werken” kunnen doen, de goede werken waarop we gericht moeten zijn, want God heeft ons tevoren ertoe bestemd om die doen.” (parafrase van Ef. 2: 6-10).

Wanneer Protestanten proberen om Katholieken in de verdediging te duwen door Efeziërs 2: 8-9 te gebruiken, worden ze zelf in de verdediging geduwd wanneer Katholieken Jakobus 2: 24 citeren. Protestanten kennen hun eigen slogan waarin gesteld wordt dat we gerechtvaardigd worden door “geloof alleen (Sola Fide)”, maar de uitdrukking “geloof alleen” komt slechts één maal in de Bijbel voor, namelijk in Jak. 2: 24, en daar wordt het afgewezen. Dit is een bom onder de Protestantse theologie, want wanneer ze deze term op de manier gebruiken willen zoals de Bijbel dat doet, dan moeten ze een van hun vier kernslogans loslaten.

Wanneer Katholieken dit uitleggen, proberen veel Protestanten de schade te beperken door het “geloof” dat in Jakobus 2 genoemd wordt aan te vallen, ze zeggen dat hier gesproken wordt van een inferieur of slecht geloof. Ze doen dit door het te bestempelen als een “dood geloof”. Ze behandelen “alzo is ook het geloof zonder de werken dood” (vers 17 en 26) als ware het een definitie en ze zeggen: “wanneer geloof geen werken voorbrengt is het een dood geloof. Het is dit dode geloof waarvan Jakobus zegt dat we niet gerechtvaardig worden door geloof alleen.

Maar wanneer we dit stuk in zijn context lezen valt op dat Jakobus deze zinsnede niet gebruikt als een definitie. Hij definieert niet de term “dood geloof”. Die term komt ook niet voor in dit gedeelte. Hij benoemd een feit, en geeft geen definitie. De interpretatie valt in duigen wanneer we overal waar in de tekst het woord “geloof” staat, dit woord vervangen door de term “dood geloof”.

Wanneer we de tekst op die wijze gaan lezen, wat voor zin heeft het dan voor mensen om zich te beroemen op hun geloof (vers 14). Jakobus zou ook een overbodige conclusie trekken wanneer hij zegt dat dood geloof zonder werken dood is (vers 17 en 26) en wanneer hij zegt dat dood geloof vruchteloos is (vers 20). Hij zou de mensen zijn dood geloof tonen door zijn werken (vers 18) en de mensen aanraden (“gij doet wel”) om een dood geloof te hebben (vers 19).

Tenslotte zou hij zeggen dat Abrahams dode geloof mede gewrocht heeft met zijn werken (vers 22) en dat Abraham God geloofde met een dood geloof en dat dit hem tot rechtvaardigheid gerekend is (vers 23).

Een andere poging om het geloof wat in deze passage genoemd wordt te betwisten, is door volgende passage te gebruiken: “de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.” (vers 19). De mensen vragen daarop: “wat voor geloof hebben de duivelen? Slechts een intellectuele bevestiging, slechts intellectueel beamen. Ze beamen de waarheden van de theologie slechts intellectueel, maar verder gaat het ook niet.”

Deze uitleg van het woord geloof in Jakobus 2 staat dichter bij de waarheid, maar creëert nog steeds problemen, in feit dezelfde problemen. Mensen zouden zich dan beroemen op slechts hun intellectueel beamen (vers 14). Jakobus zou anderen aanbieden om zijn werken te tonen, uit zijn slechts intellectuele beaming (vers 18). Hij zou de mensen aanraden om slechts een intellectueel geloof te hebben (vers 19) en zeggen dat Abrahams, slechts intellectuele geloof, medegewrocht heeft met zijn werken (vers 22) – waarbij uit Abrahams voorbeeld direct duidelijk wordt dat het niet ‘slechts’ intellectueel beamen betreft.

Tenslotte zou hij zeggen dat Abrahams geloof wat slechts een intellectueel beamen is, hem tot rechtvaardigheid gerekend is, waarmee hij vers 23 tegenspreekt.

Het “slechts intellectueel beamen” als oplossing faalt, net als de versie van “dood geloof” deed. In feite is het zo dat elke poging, om in het woord “geloof” in vers 24 iets verkeerds te lezen, zal falen. Dit kan gezien worden door de passage te doorlopen en door elke keer het woord “geloof” te vervangen door “slecht geloof” of door “inferieur geloof”.

Zulke oplossingen falen omdat Jakobus niets verkeerds ziet in geloof waar hij over spreekt. Het “geloof” is niet het probleem, het feit dat gezegd wordt “alleen geloof” is het probleem.

Om te begrijpen wat voor geloof Jakobus in gedachten heeft, moet geprobeerd worden om er niets verkeerds, niets slechts, in te lezen, dat is immers waar de andere oplossingen faalden. De verdedigers van deze andere visie zien vers 19 als de sleutel om te begrijpen over wat voor geloof hier gesproken wordt, het gaat om intellectueel beamen. Maar het toevoegen van het woord “slechts” maakt dat het als iets slechts overkomt en daardoor ontstaan de problemen.

Laat het woordje “slechts” weg en het probleem verdwijnt. Iemand kan zich beroemen op zijn intellectueel beamen van Gods waarheid (vers 14), het is logisch dat Jakobus laat zien dat alleen intellectueel beamen, zonder de werken, dat het geloof dan dood is (vers 17, 20, 26). Hij kan zijn intellectueel beamen ook tonen door zijn werken (vers 18). En hij kan iemand complimenteren met zijn intellectuele geloof (vers 19a), terwijl hij ook zegt dat zelfs de duivelen dit soort geloof hebben, maar het doet niets af aan het feit dat zij sidderen voor Zijn wraak (vers 19b).

Tenslotte kan hij ook spreken over Abrahams intellectueel beamen, wat medegewrocht heeft met zijn werken (vers 22) en kan tot de conclusie komen dat iemand niet gerechtvaardigd wordt uit intellectueel beamen alleen (vers 24).

Jakobus laat zien dat intellectueel beamen een goed ding is (“gij doet wel” vers 19a), maar niet als iets waardoor we op zichzelf gered worden (verzen 14, 17, 20, 24, 26).

Daarom, wanneer we de taal van de Bijbel gebruiken, zou je moeten zeggen dat: “de mens wordt gerechtvaardigd door geloof zonder werken der wet...niet door geloof alleen....geloof zonder werken is dood...maar door geloof wat door de liefde werkende is (Rom. 3: 28, Jak. 2: 24, 26, Gal. 5: 6).

Lees meer...

maandag 5 oktober 2009

Schrift en Traditie


Catholic Answers, San Diego: 2004, http://www.catholic.com/library/Scripture_and_Tradition.asp (vertaald door Hugo Bos)

Protestanten claimen dat de Bijbel de enige regel van het geloof is, wat betekent dat het alle voor de theologie benodigde materiaal bevat en dat dit materiaal duidelijk en afdoende is, zodoende hebben we geen apostolische Traditie nodig en geen Kerk magisterium (leergezag) om ons te helpen de Bijbel te begrijpen. In de Protestantse visie, is de gehele Christelijke waarheid in de Bijbel te vinden. Alles buiten de Bijbel is simpelweg niet gezaghebbend, is onnodig, of zelfs verkeerd – kan zeer wel een verhindering vormen om tot God te komen.

Katholieken, daarentegen, vinden dat de Bijbel deze visie niet uitdraagt, ja sterker nog, het gaat tegen de Schrift in. De ware “regel van het geloof” – zoals in de zelf Bijbel geleerd wordt – is de Schrift plus de apostolische Traditie, zoals gezien wordt in het levende leergezag van de Katholieke Kerk, aan wie de mondelinge leer van Jezus en de apostelen toevertrouwd is, samen met het gezag om de Schrift juist te interpreteren.

In de documenten over de Goddelijke openbaring van het tweede Vaticaans Concilie, Dei Verbum (“het Woord van God), wordt de relatie tussen Traditie en Schrift: “De heilige Overlevering en de heilige Schrift zijn dus nauw met elkaar verbonden en hebben innig deel aan elkaar. Want beide, voortkomend uit dezelfde goddelijke bron, vloeien als het ware ineen en zijn gericht op hetzelfde doel. De heilig Schrift immers is het spreken van God in zover dit onder de ingeving van de Heilige Geest schriftelijk wordt vastgesteld; de heilige Overlevering geeft het woord Gods, dat door Christus, de Heer, en de Heilige Geest aan apostelen is toevertrouwd, ongerept door aan hun opvolgers, opdat zij, voorgelicht door de Geest der waarheid, dit door hun prediking trouw zouden bewaren, verklaren en verbreiden. Bijgevolg is de heilige Schrift niet de enige bron, waaruit de Kerk haar zekerheid put omtrent al het geopenbaarde. Derhalve moet men beide met eenzelfde liefde eenzelfde eerbied aanvaarden en vereren.”

De Evangelische en Fundamentalistische Protestanten, die hun vertrouwen stellen op Martin Luthers’ theorie van Sola Scriptura (de Schrift alleen), zullen hun standpunt gewoonlijk verdedigen door een aantal teksten aan te halen. De eerste is: “Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.” (Joh. 20: 31). De andere is deze: “Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Tim. 3: 16-17). Volgens deze Protestanten, bewijzen deze verzen de realiteit van het Sola Scriptura (de “Bijbel alleen” theorie).

Niet waar, zeggen de Katholieken. Ten eerste, het vers uit Johannes refereert aan de dingen die in dat specifieke boek geschreven staan (lees maar eens het voorafgaande vers 30). Wanneer dit vers iets bewijst dan is het toch niet de theorie van Sola Scriptura, maar dat het Evangelie van Johannes genoeg is.

Ten tweede, dit vers uit het Johannes Evangelie verteld ons alleen dat de Bijbel zo gecomponeerd is dat we geholpen worden om te geloven dat Jezus de Messias is. Het vers zegt niet dat we alleen de Bijbel nodig hebben voor onze verlossing, en al helemaal niet dat voor goede Theologie niets meer dan alleen de Bijbel nodig is; en er staat zelfs niet dat de Bijbel noodzakelijk is om in Christus te geloven. Immers, de eerste Christenen hadden geen Nieuwe Testament waarop ze zich konden beroepen; ze leerden door de mondelinge verkondiging, niet zozeer door de geschreven leer. Tot relatief kort geleden was de Bijbel voor de meeste mensen niet bereikbaar, omdat ze niet konden lezen, of omdat ze geen boek konden betalen. Al die mensen hebben geleerd middels de mondelinge overlevering, die van generatie op generatie overgedragen is door de Kerk.

Over 2 Timótheüs 3: 16-17 kan ongeveer hetzelfde gezegd worden. Te zeggen dat de geïnspireerde Schrift “nuttig is tot lering”, is niet hetzelfde als zeggen dat de Schrift het enige is dat nodig is. Er is een veelzeggend argument te geven tegen de claims van Evangelische en fundamentalistische Protestanten. Dit wordt uitgelegd in de essay van John Henry Newman met de titel “Inspiratie in haar relatie tot de openbaring”.

Newman’s argument

Hij schreef: “Het is duidelijk dat deze passage geen argument geeft voor de gedachte dat de heilige Schrift , zonder de Traditie, de enige regel van het geloof is; want, hoewel de heilige Schrift nuttig is tot lering, staat er toch niet dat ze afdoende is. De apostel Paulus zegt dat ook de Traditie noodzakelijk is (2 Thess. 2: 15 ). Verder refereert de apostel in dit gedeelte aan de Schrift die Timótheüs in zijn jeugd geleerd heeft.

Nu, een groot deel van het Nieuwe Testament was in zijn jeugd nog niet geschreven: sommige van de brieven waren nog niet eens geschreven toen Paulus dit schreef, en geen van de boeken van het Nieuwe Testament waren toen al erkend en geplaatst in de Canon van de Schriftuurlijke boeken. Hij refereert dus aan de boeken van het Oude Testament, wanneer dit iets bewijst dan bewijst het ‘te veel’, namelijk dat de boeken van het Nieuwe Testament niet noodzakelijk zijn als regel van het geloof.”

Verder lezen Protestanten 2 Timótheüs 3: 16-17 meestal niet in hun context. Wanneer u deze tekst leest in de context van de omliggende gedeeltes, dan ontdenkt u dat Paulus verwijzing naar de Schrift deel is van zijn vermaning aan Timótheüs om Schrift en Traditie als zijn gids te gebruiken. In de twee verzen direct aan dit deel voorafgaand staat: “Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt; En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.” (2 Tim. 3: 14-15).

Paulus vertelt Timótheüs om te blijven in hetgeen hij geleerd heeft, en wel om twee redenen: ten eerste omdat hij weet van wie hij het geleerd heeft – van Paulus zelf – en ten tweede, omdat hij onderwezen is in de Schriften. Het eerste is een rechtstreekse beroep op de apostolische Traditie, de mondelinge overlevering die Paulus aan Timótheüs gegeven heeft. De Protestanten moeten 2 Timótheüs 3: 16-17 dus uit hun context halen, om uit te komen bij de theorie van het Sola Scriptura. Maar wanneer je de tekst in het verband leest, is het duidelijk dat hier het belang van de apostolische Traditie geleerd wordt!

De Bijbel ontkent dat ze genoeg is als volledige regel van het geloof. Paulus zegt dat veel van de Christelijke leer te vinden is in de mondeling doorgegeven Traditie (2 Tim. 2: 2 ). Hij onderwijst ons en zegt: “staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.” (2 Tess. 2: 15).

Deze mondelinge leer werd aanvaard door de Christenen, net zoals ze de geschreven leer aanvaarden die later tot hen kwam. Jezus leerde zijn discipelen: “Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij” (Luc. 10: 16). De Kerk, in de persoon van de apostelen, heeft het leergezag van Christus ontvangen; de Kerk zou Zijn vertegenwoordiger zijn. Hij roept ze, zeggende: “Gaat dan henen, onderwijst al de volken” (Matt. 28: 19).

En hoe moest dit gedaan worden? Door prediking, mondelinge instructie: “Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” De Kerk zou altijd een levende leraar zijn. Het is een fout om het “Woord Gods” te beperken tot het geschreven woord alleen, of om te suggereren dat al deze leringen gereduceerd zijn tot geschriften alleen. De Bijbel ondersteunt die gedachte nergens.

Tevens is het duidelijk dat de mondelinge leer van Christus tot het eind der dagen zou blijven bestaan. “Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.” (1 Pet. 1: 25). Let op, het Woord is “verkondigd” – dat is, mondeling gecommuniceerd. Dat Woord zal in der eeuwigheid blijven. Het zal niet vervangen worden door een geschreven verslag zoals de Bijbel (wel aangevuld, maar niet vervangen), en zou blijvend haar gezag hebben.

Dit wordt duidelijk gemaakt wanneer de apostel Paulus Timótheüs vertelt: “En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.” (2 Tim. 2: 2). Hier zien we de eerste paar links in de keten van apostolische Traditie die doorlopend doorgegeven is tot op deze dag. Paulus instrueert Timótheüs om de mondelinge leer (Traditie) die hij ontvangen heeft van de Apostelen door te geven. Hij moest deze doorgeven aan mannen die bekwaam zijn om te leren, daarmee de keten bestendigend. Paulus geeft deze instructie niet lang voor zijn dood (2 Tim. 4: 6-8), daarmee Timótheüs herinnerend hoe hij zijn ambt moet uitvoeren.

Wat is Traditie?

In deze discussie is het belangrijk om in gedachte te houden wat de Katholieke Kerk bedoeld met Traditie. De term refereert niet aan legenden of mythologische verslagen, het omvat ook geen tijdelijke gewoonten die mogelijk veranderen, wanneer de omstandigheden veranderen, zoals de stijl van de priesterkleding, of bepaalde persoonlijke vormen van devotie van heiligen, of bepaalde liturgische zaken. De heilige apostolische Traditie bestaat uit de leer die de apostelen mondeling doorgegeven hebben door hun prediking. Deze leringen overlappen grotendeels (misschien zelfs geheel) de inhoud van de Schrift, maar de wijze waarop ze doorgegeven zijn is verschillend.

Ze zijn doorgegeven door en toevertrouwd aan de Kerk. Het is noodzakelijk dat Christenen geloven in deze Traditie en die navolgen, zoals ze dat ook met de Bijbel doen (Luc. 10: 16 ). De waarheid van het geloof is voornamelijk aan de leiders van de Kerk gegeven (Ef. 3: 5 ), die met Christus het fundament van de Kerk vormen (Ef. 2: 20 ). De Kerk wordt door de Heilige Geest geleid, die deze leer ook voor bederf en dwaling bewaard (Joh. 14: 25-26, 16: 13 ).

Het geloof doorgeven

Paulus leert ons wat Traditie is: “Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;…. Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.” (1 Kor. 15: 3, 11). De Apostel prijst hen die de Traditie gedachtig zijn: “En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.” (1 Kor. 11: 2).

De eerste Christenen waren: “volhardende in de leer der apostelen” (Hand. 2: 42) lang voor het Nieuwe Testament er was. Vanaf het eerste begin was de volheid van Christus leer te vinden in de Kerk, als een levend lichaam van Christus, niet in een boek. De leer van de Kerk, met haar mondelinge apostolische Traditie, was gezaghebbend. Paulus zelf citeert wat Jezus hem mondeling doorgegeven heeft: “Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.”(Hand. 20: 35).

Dit is een uitspraak die niet in een van de Evangeliën staat en dus mondeling moet zijn doorgegeven aan Paulus. Ja, de Evangeliën zelf zijn een mondelinge Traditie die opgeschreven is (Luc. 1: 1-4 ). En wat meer is, Paulus citeert Jezus niet alleen maar. Hij citeert ook uit vroege Christelijke geestelijke liederen, zoals in Éfeze 5: 14. Deze en andere dingen zijn de Christenen gegeven “door den Heere Jezus” (1 Tess. 4: 2).

Fundamentalisten zeggen dat Jezus de Traditie veroordeeld. Ze noemen bijvoorbeeld wat Jezus zegt: “Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?” (Matt. 15: 3). Paulus waarschuwt: “Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;” (Kol. 2: 8). Maar deze verzen veroordelen slecht verkeerde menselijke tradities, niet waarheden die mondeling overgeleverd zijn en aan de Kerk toevertrouwd door de Apostelen. Deze latere waarheden maken deel uit van de apostolische Traditie, die onderscheiden moet worden van de menselijke tradities en gewoontes.

“Geboden van mensen”

Overweeg eens Matthéüs 15: 6-9, een gedeelte dat Fundamentalisten en Evangelischen vaak gebruiken om hun positie te verdedigen: “En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting. Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.” Kijk goed naar wat Jezus hier zegt.

Hij veroordeelt niet alle tradities. Hij waarschuwt slecht dat deze tradities Gods Woord krachteloos maken. In dit geval gaat het om de huichelarij van de Farizeeërs die geveinsd hun goederen aan de tempel wijden, om zo er onderuit te komen om ze te wijden aan ondersteuning van hun ouders die op leeftijd zijn. Door dit te doen ontweken ze het gebod “Eert uw vader en uw moeder” (Ex. 20: 12).

Op andere plaatsen leert Jezus zijn volgelingen om de tradities te onderhouden, namelijk die tradities die niet in strijd zijn met Gods geboden. “Zeggende: De schriftgeleerden en de farizeeën zijn gezeten op den stoel van Mozes; Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.” (Matt. 23: 2-3).

Wat Fundamentalisten en Evangelischen helaas vaak doen is het woord “Traditie” (inzettingen), wat ze lezen in Matthéüs 15: 3 en Kolossenzen 2: 8, toepassen op elke traditie, die dientengevolge alle afgewezen moeten worden. Ze vergeten dat deze term op een andere wijze gebruikt wordt, niet zoals in 1 Korinthe 11: 2 en 2 Thessalonicenzen 2: 15, waar het gebruikt wordt om te beschrijven wat wij geloven moeten. Jezus veroordeeld niet alle tradities; Hij veroordeeld alleen verkeerde tradities, of het nu in leer of in praktijk is, die de Christelijke waarheden ondermijnen. De andere tradities moeten we gehoorzamen, zoals de Apostelen ons ook leren. Paulus gebied de Thessalonicenzen om alle tradities die hij hen gegeven had te houden, of ze nu mondeling zijn of geschreven.

De onfeilbare Kerk

De taak die voor ons ligt is om te bepalen wat de authentieke traditie is. Hoe weten we welke tradities Apostolisch zijn en welke slechts menselijk zijn? Het antwoord is hetzelfde als het antwoord op de vraag hoe we weten welke boeken Apostolisch (gezaghebbend en canoniek) zijn en welke slechts menselijk. Namelijk door te luisteren naar het magisterium (leergezag) van Christus’ Kerk. Zonder het leergezag van de Katholieke Kerk, zouden we niet met zekerheid weten welke Schriftuurlijke boeken gezaghebbend zijn. Wanneer de Kerk ons de canon van de Schrift openbaart, kan ze ons ook de “canon van de Traditie” openbaren, door vast te stellen welke Tradities doorgegeven zijn door de Apostelen. Immers, Christus beloofd dat de poorten van de hel de Kerk niet zullen overweldigen (Matt. 16: 18 ) en het Nieuwe Testament zelf verklaard dat de Kerk “een pilaar en vastigheid der waarheid” is (1 Tim. 3: 15).

P.s. Aanbevolen te lezen: http://redelijk-christelijk.blogspot.com/2009/10/wat-is-traditie.html
en: http://redelijk-christelijk.blogspot.com/2009/10/de-bijbel-lezen-door-de-ogen-van-de.html

Lees meer...

dinsdag 8 september 2009

Relikwieën


Catholic Answers, San Diego: 2004, http://www.catholic.com/library/Relics.asp (vertaald door Hugo Bos).

Veel niet-katholieke gelovigen hebben grote moeite met de sacramentele aspecten van het Katholicisme – en niet alleen met de zeven sacramenten. Waar ze een hekel aan hebben is de vermenging van materie met geest, de gave van iets spiritueels – genade – door middel van fysieke zaken. Dat is immers wat sacramenten zijn. Deze neiging om een wig te drijven tussen geest en materie stamt van een erg oude dwaling die dualisme genoemd wordt, of Marcionisme en Manicheïsme. Marcion leerde dat de God van het Oude Testament slecht was vanwege het scheppen van materie, maar de God van het Nieuwe Testament is een ander en goede God, die ons opheft tot het niveau van de geest. Hoe minder we vastzitten aan materie, hoe dichter we bij God zijn. Het is overbodig te zeggen dat dit niet te verenigen is met de sacramenten die God gegeven heeft en ook niet met de incarnatie – de menswording – van God.

Bij de sacramenten resulteren gewone materiële zaken, zoals water, wijn, brood, olie en oplegging van handen, in het geven van genade. Gerelateerd aan de sacramenten zijn de sacramentalia, objecten zoals medailles, gezegende palmen, heilig water en as. Het gebruik ervan kan mensen leiden tot, of doen reageren op, de genade. Veel niet-katholieke mensen geloven ten onrechte dat de Katholieke Kerk leert dat deze sacramentalia feitelijk de genade verlenen. Maar een van de grootste problemen zijn voor deze protestanten toch wel de relikwieën van heiligen – de botten, as, kleren, persoonlijke bezittingen van de apostelen en andere heilige mensen die door de Kerk herdacht worden en soms in verband gebracht worden met wonderlijke genezingen en andere handelingen van God.

Hier volgt de wijze waarop Bart Brewer, ex priester en hoofd van de Mission to Catholics International, zijn bezwaar formuleert in zijn autobiografie, ‘Pelgrimsreis vanuit Rome’:

“Een andere dogma dat de Katholieken al eeuwen lang hindert is de verering van relikwieën en de claims dat ze magische kracht hebben. Zelfs Maarten Luther vroeg zich af hoe het kan dat er 26 Apostelen in Duitsland begraven liggen, terwijl er in de gehele Bijbel maar 12 zijn geweest! En er wordt gezegd dat wanneer je alle stukjes hout, waarvan gezegd wordt dat ze van Christus kruis komen, bij elkaar voegt, dat je dan een tientonner vragenwagen nodig zou hebben om hem te dragen. Het is toch wel duidelijk dat de meeste relikwieën bedrog zijn. En er is niets in de Bijbel wat de verering van relikwieën ondersteunt, zelfs al zouden ze echt zijn.” (Pag. 132).

Dit is toch wel een unieke paragraaf, omdat elke zin minstens een of twee blunders bevat. Laten we ze langsgaan.

De eerste claim is dat relikwieën Katholieken al eeuwen lang hinderen. Gezien de hoge achting die Katholieken door de jaren heen voor de relikwieën gehad hebben, is deze stelling absurd. Het zijn niet de Katholieken die erdoor gehinderd werden – het waren de niet-katholiek mensen (en ex-katholieken).

En de Kerk claimt niet dat relikwieën magische krachten hebben. Opvallend is dat Brewer ook geen enkel Katholiek werk citeert waar een dergelijke claim gedaan wordt – omdat een dergelijk werk niet bestaat. Het sacramentele systeem is tegengesteld aan magie. Bij magie wordt iets materieels beschouwd als oorzaak van iets spiritueels; met andere woorden, van een lagere oorzaak wordt geloofd dat het een hoger effect heeft.

Geen magie in sacramenten

De sacramenten (en afgeleid daarvan sacramentalia en relikwieën) dwingen God niet om op een bepaalde manier te werken. Hun gebruik hangt van God af, die hun effectiviteit oprichtte, het effect is dus goddelijk, niet van natuurlijke oorsprong. Het is God die het gebruik van relikwieën goedkeurt; het is geen kwestie van God overweldigen door eigen kracht of door de krachten van de natuur, wat magie probeert te doen.

Toen Jezus de blinde man genas, in Joh. 9: 1-7, gebruikte de Heer toen magische modder en speeksel? Was het een soort magisch drankje dat Hij mengde, of was het simpelweg zo dat Jezus materie gebruikte in verband met de overdracht van zijn genade? De Heere is geen dualist. Hij heeft de materie gemaakt, Hij heeft de materie lief, en had geen scrupules om zelf materie te worden, om zo onze redding te bewerken.

In de volgende zin maakt Brewer de relikwieën belachelijk door te verwijzen naar Luther’s commentaar, maar de repliek zou hem toch duidelijk moeten zijn. Afgezien van het feit dat er meer dan twaalf apostelen in de Bijbel genoemd worden (er zijn er minimaal 16, Paulus, Barnabas, Jacobus de rechtvaardige en Matthias meetellend), is er geen reden om aan te nemen dat het skelet van een heilige op één plek bewaard moet worden in een reliekschrijn. We weten, daarentegen, over de eerste Christenen die de botten bewaarden van hen die gestorven waren tijdens vervolgingen, dat dit ongebruikelijk is. Het was gebruikelijker om de botten te verdelen, zodat meerdere gemeenschappen een deel van de reliek zouden krijgen, de schedel hier, de handen daar, en de botten nog ergens anders. Daarom is gepast dat meerdere steden claimen dat ze de reliek van een bepaalde heilige hebben.

Tientonner met aanbidding?

Nu het klassieke argument. Zoals Brewer het formuleert, wanneer je alle zogenaamde delen van het echte kruis bijeenvoegt zou je een tientonner nodig hebben om hem te vervoeren. Dat is een moderne manier om de beschuldiging te formuleren. Vroeger werd gezegd dat al die stukken bij elkaar genoeg zouden zijn om een oorlogsschip te bouwen, maar goed oorlogsschepen worden tegenwoordig niet meer van hout gemaakt.

Hoe het ook zij, de beschuldiging is nonsens. In 1970 heeft een Fransman, Rohault de Fleury, alle relikwieën van het kruis gecatalogiseerd, inclusief de relikwieën die volgens overlevering bestaan hebben, maar verloren gegaan zijn. Hij mat de bestaande relikwieën en schatte de grootte van de verloren relikwieën. Hij telde alles bij elkaar op en stelde vast dat wanneer je alle aan elkaar lijmt, dat je dan hooguit genoeg hebt voor een derde van het kruis. Het schandaal is dus niet dat er te veel hout is. Maar het schandaal is dat het grootste deel van het ware kruis, nadat het in de vierde eeuw in Jeruzalem opgegraven was, opnieuw verloren gegaan is.

Brewer’s volgende aanklacht is deze: “Het is toch wel duidelijk dat de meeste relikwieën bedrog zijn.” Het is echter in het geheel niet duidelijk. Er is zeker niets, van wat hij zegt, dat daarop wijst. Is er fraude geweest? Zeker. Maar in de meeste gevallen weet men dat relikwieën echt zijn, of is er gegronde reden om aan te nemen dat ze echt zijn, zelfs wanneer compleet bewijs onmogelijk.

Neem het fameuze doodskleed van Turijn, wat al jarenlang door wetenschappers onderzocht is. De wetenschapper geven toe dat ze niet kunnen vaststellen dat het doodskleed het feitelijke begrafeniskleed van Christus was – ze geven toe dat dat onmogelijk is – maar ze zeggen ook dat ze misschien in staat zijn om de mogelijkheid van fraude uit te sluiten. Dat betekent, ze laten blijkbaar zien dat het kleed een doodskleed was gedragen door iemand die op dezelfde manier gekruisigd was als Christus, mogelijk in dezelfde periode (er is veel discussie over de leeftijd van het kleed, en de C14 methode die gebruikt is is onvolkomen), en in hetzelfde gebied als waar Christus gekruisigd is.

De meeste relikwieën kunnen ook niet op fraude berusten, omdat ze van gewone heiligen zijn waarvan de geschiedenis bekend is en waarvan de overblijfselen nooit verloren gegaan zijn.
De Kerk heeft nooit verklaard dat een bepaald relikwie – zelfs van het kruis – echt is. Maar de Kerk geeft haar goedkeuring aan relikwieën die met redelijke waarschijnlijkheid echt zijn.

Is er ruimte voor twijfel?

Is er altijd ruimte voor twijfel bij hen die daarnaar op zoek gaan? Natuurlijk. En wanneer dit zo is bij het doodskleed van Turijn, is het zeker het geval bij andere relikwieën.

De scepticus kan altijd zeggen, “dit is mogelijk niet zus of zo geweest”, of “Je hebt misschien ongelijk”, en we moeten toegeven dat dit zo is. Er is mogelijk een fout ingeslopen, of neprelikwieën zijn mogelijk verwisseld voor de echte relikwieën.

We beoordelen relikwieën op dezelfde manier als we de geloofwaardigheid van andere dingen beoordelen. Heeft George Washington echt in een bepaald bed geslapen? We moeten speurwerk verrichten om erachter te komen. Maar we weten het misschien nooit zeker. We moeten misschien vertrouwen op waarschijnlijkheden. Aan de andere kant kunnen we onomstotelijk bewijs hebben, wat alleen maar ontkend kan worden door een scepticus die meent dat George Washington sowieso nooit bestaan heeft.

Zo is het ook met relikwieën. Sommige zijn ontegenzeggelijk echt. Bij andere is dat zo zeer aannemelijk dat het vreemd zou zijn om aan de echtheid te twijfelen. Bij sommige is het slechts waarschijnlijk. En van sommige, ja echt, is het onwaarschijnlijk dat ze echt zijn (maar we willen ze toch niet weggooien, voor het geval we ernaast zitten en een echt relikwieën weggooien).

Geen verering?

Tenslotte concludeert Brewer dat “er is niets in de Bijbel wat de verering van relikwieën ondersteunt, zelfs al zouden ze echt zijn.” Wederom: niet waar.

Een van de meeste ontroerende getuigenissen van verering van een relikwie is die van Christus eigen Lichaam. In plaats van Zijn lichaam aan het kruis te laten, om door de Romeinen afgenomen te worden en weggegooid (zoals destijds de gewoonte was), heeft Josef van Armatea moedig bemiddeld bij Pilatus, om Christus’ lichaam te krijgen (Matt. 27: 60). Nicodemus kwam en doneerde honderd pond van specerijen om te wikkelen in de doodsdoeken (Joh. 19: 39), een hoeveelheid specerijen die alleen maar voor de meest geëerde doden gebruikt werd. En nadat Hij begraven was, gingen de vrouwen direct het graf bezoeken (Matt. 28: 1) om Christus lichaam verder te zalven met specerijen, alhoewel het lichaam al in het verzegelde graf lag (Mar. 16: 1; Luc. 24: 1). Deze daden van devotie waren veel meer dan de gebruikelijke eer die getoond werd aan de overblijfselen van een dode; het waren betuigingen van groot respect voor het lichaam van de meest heilige man – in dit geval, de heiligste man die ooit geleefd heeft, want Hij was de geïncarneerde God.

Relikwieën in het vroege Christendom

Er wordt expliciet gesproken van de verering van relikwieën in een heel vroeg geschrift over het martelaarschap van Polycarpus, dit is geschreven door de mensen uit Smyrna in 156 na Christus. In dit geschrift beschrijven ze de gebeurtenissen na de verbranding van Polycarpus op de brandstapel “We namen zijn botten, die waardevoller zijn dan kostbare edelstenen en fijner dan het zuiverste goud, en legden ze op een gepaste plaats, waar de Heere het ons mogelijk maakt om bijeen te komen, zodat we in blijdschap en vreugde de geboortedatum van zijn martelaarschap kunnen vieren.”

Bij het bespreken van de verering van relikwieën in de vroege Kerk schrijft de anti-katholieke historicus Adolph Harnack: “…geen van de gerespecteerde kerkvaders beperkte het. Maar zij allen, zelfs de Cappadociërs, keurden het goed. De talloze wonderen door botten en relikwieën leken hun verering te bevestigen. De Kerk wilde deze praktijk dus niet opgeven, hoewel er een gewelddadige aanval tegen kwam van een paar heidenen en afgezien daarvan door de Manicheeërs” (Harnack, Geschiedenis van het dogma, tr., IV, 313).

In de vierde eeuw verklaarde de grote Bijbelgeleerde Jerome: “We aanbidden niet, we verafgoden niet, uit angst dat we zouden buigen voor het schepsel in plaats van voor de schepper, maar we vereren de relikwieën van martelaren, opdat we Hem beter vereren, wiens martelaren zij zijn” (Ad Riparium, i, P.L., XXII, 907).

Relikwieën in de Schrift

Houdt in gedacht wat de Kerk zegt over relikwieën. Ze zegt niet dat er magische krachten in zitten. Er zit niets in die relikwieën zelf, of het nu een bot van de apostel Petrus betreft of water van Lourdes, dat helende krachten heeft. De Kerk zegt slechts dat de relikwieën de aanleiding kunnen zijn voor Gods wonderen, en hierin volgt de Kerk de Schrift.

Het gebruik van de botten van Elia brachten een dode man tot leven: “Daarna stierf Elísa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars. En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elísa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elísa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.” (2 Kon. 13: 20-21). Dit is een ongeëvenaard Bijbels voorbeeld van een wonder van God door contact met een relikwie van een heilige!

Vergelijkbare gevallen zijn de bloedvloeiende vrouw die genezen werd door het aanraken van Christus’ kleed, en de zieken die genezen werden toen Petrus schaduw hem beschaduwde (Hand. 5: 14-16). “En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus; Alzo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren.” (Hand. 19: 11-12).

Als dit geen voorbeelden zijn van het gebruik van relikwieën, wat dan wel? In het geval van Elisa is er sprake van een Lazarus-achtige opstanding uit de doden, door contact met de botten van de profeet. In de Nieuwtestamentische voorbeelden, zijn het dingen (een kleed, de schaduw, zweetdoeken en gordeldoeken) die gebruikt werden om effect te sorteren. Er is dus een perfecte congruentie tussen de hedendaagse Katholieke praktijk en de aloude praktijk. Wanneer je alle hedendaagse Katholieke relikwieën als fraude afwijst, moet je ook deze Bijbelse voorbeelden als fraude afwijzen.

Lees meer...

woensdag 19 augustus 2009

De Bijbel over de Apostolische opvolging

De gewijde Kerkleiders delen in Jezus ambt en autoriteit
Matt. 10:
40 Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
Jezus deelt zijn gezag met de Apostelen die hij zend.

Matt. 18:
18 Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
De apostelen krijgen Christus autoriteit, om zo op aarde te laten zien welke besluiten ook in de hemel bindend zijn. Zonder dit centrale gezag in de Kerk zou er chaos uitbreken, wat je binnen het Protestantisme ook ziet gebeuren.

Luc. 9:
1 En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.
Christus geeft zijn Apostelen gezag over natuurlijke en bovennatuurlijke zaken. Ook: Luc. 10: 19.

Luc. 10:
16 Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.

Luc. 22:
29 En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft;
De Vader geeft het Koninkrijk aan de Zoon, en de Zoon geeft het aan zijn Apostelen.

Num. 16:
28 Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de HEERE mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.

Joh. 13:
20 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.

Joh. 16:
14 Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen.

Joh. 17:
18 Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden.

Hand. 20:
28 Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.

1 Pet. 2:
25 Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.
De Apostelen zijn herders en opzieners over de kudde (Hand. 20), net als Jezus Herder en Opziener genoemd wordt (1 Pet.). Ze delen dus hetzelfde gezag en dezelfde Geest.

De herders moeten de kudde weiden en zijn verantwoording schuldig aan God: Jer. 23:1-8; Ezech. 34:1-10.

Ef. 2:
20 Gebouwd het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
De Apostelen zijn het fundament van de Kerk, waaruit blijkt dat het niet ophoudt met de Apostelen, er wordt op dit fundament verder gebouwd.

Dit gezag wordt doorgegeven middels het sacrament van wijding

Hand. 1:
25 Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats. 26 En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthías, en hij werd met gemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.
Het eerste wat Petrus deed, nadat Jezus ten hemel opgevaren was, is een vervanger voor Judas aanstellen. Dit is het begin van de Apostolische successie, waarbij Matthias gewijd wordt en volledig Apostolisch gezag krijgt.

Hand. 6:
6 Welken zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op.
Het Apostolische gezag wordt doorgegeven via wijding middels opleggen van handen. Naarmate de Kerk groeide werden meer ambtsdragers aangesteld.

Hand. 9:
17 En Ananías ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. 18 En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt. 19 En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.
Zelfs Paulus, die door God zelf geroepen was, werd pas in zijn Apostolisch ambt bevestigd nadat de handen hem opgelegd werden door een andere Apostel.

Hand. 13:
3 Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.

2 Kor. 1:
21 Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God;

Kol. 1:
25 Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods;

1 Tim. 3:
1 Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.
Een ambt wordt door iemand vervuld, maar het houdt niet op wanneer hij sterft, maar wordt voortgezet door zijn opvolger, zoals ook bij het ambt van burgemeester, wanneer de ene burgemeester weg gaat, wordt een opvolger benoemd.

1 Tim. 4:
14 Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps.
Ook hier wijding door opleggen van handen.

1 Tim. 5:
22 Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein.
Het gezag om handen op te leggen, en bisschoppen of ouderlingen te benoemen, moet met voorzichtigheid uitgeoefend worden.

2 Tim. 1:
6 Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen.
Paulus herinnert Timoteus aan het ambt dat hij ontvangen heeft door oplegging van de handen.

2 Tim. 4: 1-6, hier geeft Paulus aan het eind van zijn leven zijn Apostolisch ambt door aan Timoteus.

2 Tim. 2:
2 En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.
Paulus draagt over aan Timoteus, die weer overdraagt aan de derde generatie enzovoorts.

Ex. 18:
25 En Mozes verkoos kloeke mannen, uit gans Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, en oversten der tienen; 26 Dat zij het volk te allen tijde richtten, de harde zaak tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten.
Ook Oudtestamentisch was er dus een duidelijke hiërarchie.

Num 27:
18 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man, in wien de Geest is; en leg uw hand op hem;
Wijding gebeurde in het Oude Testament middels handoplegging.

Jezus wil dat we het Apostolische gezag gehoorzamen

Hand. 5:
12 En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Sálomo. 13 En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.
Het volk erkenden het bijzondere Apostolische gezag en durfde zichzelf niet een dergelijk gezag aan te meten.

Hand. 16:
4 En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden.

1 Kor. 5:
3 Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, alsof ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten, 4 In den Naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus, 5 Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.
De Oudsten hebben het gezag om een Anathema (excommunicatie) uit te spreken, iemand uit te leveren aan de Satan.

2 Kor. 2:
17 Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.

2 Kor. 3:
6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

2 Kor. 5:
20 Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.

2 Kor. 10:
1 Voorts ik Paulus zelf bid u, door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die, tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u; …..6 En gereed hebben, hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn….. 8 Want indien ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping zo zal ik niet beschaamd worden;

1 Tess. 5:
12 En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in den Heere, en u vermanen; 13 En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander.

1 Tim. 5:
17 Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.

Hebr. 13:
17 Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.

Lees meer...

donderdag 13 augustus 2009

Diverse Katholieke thema’s in de Bijbel

God onderwijst ook door de traditie, niet alleen door de Bijbel

Matt. 23:
1 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen, 2 Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op de stoel van Mozes; 3 Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.

Matt. 28:
19 Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
De Apostelen moeten het Evangelie gaan prediken (onderwijzen) aan alle volken (ook: Mar. 16: 15), niet slecht de Bijbelboeken gaan schrijven, het woord wordt dus gebracht die mondelinge verkondiging. En ze moeten alles onderhouden wat Hij geboden heeft, maar uit Joh. 20: 30 en 21: 25 blijkt dat niet alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft in de Bijbel staat.

Luc. 1:
1 Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben; 2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;
Er zijn dus veel zaken die onder hen al volkomen zekerheid hebben (vers 1) en die nu slechts beschreven worden, zodat “gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij (al) onderwezen zijt.” (vers 4).

Hand. 8:
30 En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest? 31 En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.
Het is dus niet genoeg om de Bijbel te lezen, we hebben een uitlegger nodig die de Bijbel voor ons uitlegd.

Hand. 15:
7 En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.
Petrus spreekt hier met gezag en beroept zich daarbij niet rechtstreeks op de Schrift, maar op wat God hem geopenbaard heeft (Hand. 15: 1-14).

Hand. 17:
28 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
Ook Paulus beroept zich op bronnen buiten de Bijbel, “hun poëten”.

1 Kor. 5:
9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;
Ook voor deze 1e brief aan de Korintiërs heeft Paulus aan hen geschreven , en deze brief heeft blijkens dit vers, eveneens gezag, ook al staat het niet in de Bijbel.

1 Kor. 11:
2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.

Fil. 4:
9 Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn.
De Christenen moeten dus navolgen wat ze in Paulus ontvangen, gehoord en gezien hebben, niet alleen wat er in de Schrift staat. Hetzelfde geldt voor Kol. 4: 16.

1 Tess. 2:
13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.
De Christenen moeten de prediking van Gods Woord geloven, niet slechts wat er in de Bijbel staat.

2 Tess. 2:
15 Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.

2 Tim. 2:
2 En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.
Wat ze ‘gehoord’ hebben moeten ze betrouwen aan getrouwen mensen, niet wat ze ‘geschreven hebben in de Bijbel’.

2 Pet. 1:
20 Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; 21 Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
De Schrift mag dus niet door de individuele gelovige eigenmachtig uitgelegd worden, maar de “heilige mensen Gods” (de ambtsdragers dus) zijn door Gods Geest gedreven en hebben gesproken.

2 Pet. 3:
16 Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
De ongeleerde (die niet kunnen lezen) mensen kennen Gods dus ook en kunnen het verdraaien, dit verondersteld en orale (mondelinge) traditie.

1 Joh. 4:
Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
De geesten moeten beproefd worden, en dat niet alleen maar door aan de Bijbel te toetsen, maar door die profeten te beproeven.

Beelden in de Kerk

Deut. 4:
15 Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak; 16 Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw, 17 De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt; 18 De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde; 19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.
De Israelieten mochten geen beeld van God maken, God die toen nog niet geopenbaard was, zoals Hij zich later openbaarde in Jezus Christus. Ze zouden ertoe verleid worden om God in de vorm van een afgebeeld dier te vereren, zoals veel volken om hen deden.

Ex. 3;
2 En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. 3 En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt.
Later verschijnt God wel in de vorm van een duif of vuur, etc. Ook: Ex. 3: 2-3; Dan. 7: 9; Matt. 3: 16; Mar. 1: 10; Luk. 3: 22; Joh. 1: 32; Hand. 2: 3.

Deut. 5:
8 Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van hetgeen boven in den hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is; 9 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE, uw God, ben een ijverig God..

Ex. 25:
18 Gij zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels. 19 En maak u een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelve. 20 En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkander zijn; de aangezichten der cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn. 21 En gij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat gij in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben. 22 En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israëls.
De Israëlieten mochten geen gesneden beeld maken, toch betekent dit verbod niet dat ze geen enkel beeld mogen maken, ook niet dat er geen beelden mogen zijn in de het huis van God (de tempel). Ze moesten immers een beeld maken van de cherubs, een hemels figuur, die natuurlijk niet aanbeden (mocht) worden, maar die de aandacht van de mensen op het hemelse moest vestigen.

Num. 21:
8 En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. 9 En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
De slang mocht natuurlijk niet aanbeden worden, maar moest de blik van de mensen ophoog richten, op het bovennatuurlijke.


1 Kon. 6:
23 In de aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout; elks hoogte was tien ellen.

1 Kon. 7:
36 Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom.
Ook de beelden die in de tempel van Salomo gemaakt werden, o.a. cherubs, leeuwen en palmbomen, konden Gods goedkeuring wegdragen.

2 Kon. 18:
4 Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehûstan.
Pas toen de mensen die beelden gingen aanbidden werd God vertoornd en vernietigde de beelden.

Col. 1:
15 Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.
Het enige beeld dat Katholieken aanbidden is dat van Christus, die het Beeld (Grieks: “Eikon”) is van de onzichtbare God.

Krachten uit kunnen gaan van voorwerpen (relikwieën) van heiligen (bijvoorbeeld botten)

2 Kon. 13:
20 Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars. 21 En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.

Hand. 5:
15 Alzo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht. 16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwamen gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken, en die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden.

Hand. 19:
11 En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, 12 zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren. 13 En ook enige van de rondreizende Joodse geestenbezweerders waagden het over hen, die zulke boze geesten hadden, de naam van de Here Jezus te noemen met de woorden: Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt. 14 Het waren nu zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse overpriester, die dit deden. 15 Maar de boze geest antwoordde en zeide tot hen: Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie zijt gij? 16 En de mens, in wie de boze geest was, sprong op hen af, overweldigde hen tezamen en bleek zoveel sterker dan zij, dat zij zonder kleren en gewond uit dat huis moesten vluchten.

De Bijbel spreekt over het vagevuur (zonder het woord te gebruiken, het zoals het woord drie-enigheid niet gebruikt wordt)

Ps. 68:
18 Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid! 19 Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!

Matt. 12:
32 En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
Jezus heeft het dus over vergeving van de zonden na ‘deze eeuw’ (Grieks: ‘en to mellonti’), wat meestal verwijst naar het eeuwige leven (zie. Bijv.: Mar. 10: 30; Luk. 18: 30; 20: 34-35; Ef. 1.21). In de hel is geen vergeving, en in de hemel is geen vergeving meer nodig, het moet dus wel verwijzen naar een andere plaats dan hemel of hel.

Luc. 12:
43 Zalig is de dienstknecht, welken zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzo doende. 44 Waarlijk, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal. 45 Maar indien dezelve dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; en zou beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden; 46 Zo zal de heer deszelven dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen. 47 En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden. 48 Maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geëist worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eisen.
Wanneer de Heer komt (op de jongste dag) zullen sommigen veel slagen krijgen, maar toch uiteindelijk eeuwig leven, en anderen weinig.

Luc. 16:
23 En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot. 24 En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lázarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam….. 27 En hij zeide: Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis; 28 Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.
De rijke man was niet in de hemel, want daar is geen lijden van ondragelijke pijn. Maar hij was ook niet in de hel, hij kende namelijk medelijden met zijn broers. Maar in de hel is geen medelijden en ontferming, omdat medelijken en compassie gaven van God zijn, en zij die in de hel zijn die zijn voor eeuwig gescheiden van Gods genade. Waar is dus de rijke man: in het vagevuur.

1 Kor. 3:
14 Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen. 15 Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.

1 Kor. 15:
29 Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt? 30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?

Ef. 4:
8 Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven. 9 Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? 10 Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.

1 Pet. 3:
18 Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest; 19 In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, 20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.

Lees meer...