donderdag 23 maart 2017

§ 42. Wat leert de Katholieke Kerk over het geloof en de goede werken?

Zij leert, dat het geloof het eerste en noodzakelijkste vereiste is om zalig te worden.

De Kerkvergadering van Trente zegt: “Het geloof, is het begin van 's mensen heil, de grondslag en de wortel van alle rechtvaardigmaking.” “Zonder het geloof is het onmogelijk God te behagen.” (Hebr. 6, 6) De Katholieke Kerk leert daarom ook, dat de goede werken, die niet uit het geloof voortkomen, ons absoluut geen bovennatuurlijke beloning geven. Maar daaruit besluit de Katholieke Kerk niet, dat het geloof alleen, zonder goede werken, genoeg is om zalig te worden. Integendeel, dit zou in strijd zijn met de leer van de Apostelen: “Al had ik een geloof, groot genoeg om bergen te verzetten, als ik de liefde niet heb, heb ik niets.” (1 Kor. 13, 2) Het geloof moet dus samen gaan met de liefde.

De Katholieke Kerk leert ook dat de mens zich moet toeleggen op goede werken. Waarom? Omdat de liefde,  die samen moet gaan met het geloof, van ons vraagt, dat wij Christus' geboden onderhouden. “Als gij Mij bemint, onderhoudt mijn geboden.” zegt Christus (Joh. 14, 5) en iets verder (v. 21) “Die Mijn geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het die Mij bemint.” Maar wat heeft Christus ons geboden? Heeft Hij ons gezegd, dat de goede werken niet nodig zijn? Absoluut niet. Christus heeft ons bijv. op het hart gedrukt, dat wij moeten bidden, voor anderen en voor ons zelf, dat we ons moeten verloochenen en versterven, dat we kwaad met goed moeten vergelden, dat we barmhartig en milddadig moeten zijn voor de armen en ongelukkigen. Maar zijn dat geen goede werken? Het is dus ongetwijfeld de wil van Christus, dat we niet alleen geloven, maar dat we ook goede werken verrichten; of, zoals de Apostel het in drie woorden volmaakt uitdrukt, Hij vraagt van ons: “een geloof dat werkt door de liefde” (Gal. 5, 6): het geloof is de wortel, de liefde de stam, de werken zijn de vruchten, het één moet uit het ander als vanzelf voortkomen.

Wat belangrijker is, Christus verzekert ons, dat Hij aan de verdoemden op de jongste oordeelsdag juist het gebrek aan goede werken als hoofdreden zal aanwijzen van hun vervloeking. “Ik was hongerig, en gij hebt Mij niet gespijzigd. Ik was naakt, en gij hebt Mij niet gekleed, enz....  Weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur!” (Math. 25, 41...)

Is nu, lezer, de leer van de Katholieke Kerk wat het geloof en de goede werken betreft niet veel redelijker dan die van Luther? Komt zij niet meer overeen met de uitspraken van de H. Schrift?

Maar misschien zegt u: Ik heb altijd gehoord, dat de Katholieken hun eeuwig heil alleen in hun goede werken zoeken, zonder de verdienste van Christus, en het was juist hiertegen dat Luther in verzet kwam.

Maar lezer, 1. Dan is Luther erg ongelukkig geweest in zijn woordkeuze, want zijn woorden drukken heel wat meer en heel wat anders uit. En 2. dat de Katholieken denken hun zaligheid te kunnen krijgen door hun goede werken alleen, zonder de verdienste van Christus, is eenvoudig een lasterlijk verzinsel. De Katholieke Kerk leert namelijk uitdrukkelijk, dat de bovennatuurlijke waarde van onze goede werken niet aan onze krachten, maar aan de goddelijke genade van Christus moet worden toegeschreven. Hier de woorden van de Kerkvergadering van Trente, waarin deze waarheid ons als een geloofspunt gegeven wordt:

“Wanneer iemand zegt: de mens kan door zijn werken, die óf uit kracht van de menselijke natuur óf als gevolg van de leer van de wet gedaan worden, voor God gerechtvaardigd worden, zonder de goddelijke genade van Jezus Christus, die zij in de ban.”  (Sess. VI. Can. 1). Kan het duidelijker en krachtiger?

Als Luther dus niets anders wilde beweren, dan dat de goede werken alleen, zonder de genade van Christus, ons niet zalig maken, dan leerde hij juist hetzelfde wat de Katholieke Kerk altijd geleerd heeft; en had hij daarom niet de minste reden om zich om dit punt tegen de Katholieke Kerk te verzetten. Bovendien begrijp ik dan ook niet waarom hij de Brief van de H. Apostel Jacobus niet met zijn leer kon verenigen en daarom de moed had om die brief als onecht, als vals, als een “strooibrief” te verwerpen, alleen omdat daar vaker in staat dat “het geloof zonder de werken dood is” (Jac. 2, 17. 20. 24. 26): De Katholieke Kerk vond van haar kant de leer van de H. Jacobus altijd helemaal met haar leer overeenstemmen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 11 maart 2017

§41. Wat leerde Luther over het geloof en de goede werken?

TWEEDE HOOFDSTUK – Het geloof en de goede werken.

§41. Wat leerde Luther over het geloof en de goede werken?

Volgens de leer van Luther is onze menselijke natuur als gevolg van de erfzonde in haar diepste wezen zo erg ontaard, dat we tot geen enkel goed werk meer in staat zijn, dat zelfs al onze werken, ook degene die we meestal goede werken noemen, slecht en zondig zijn. Alleen voor degene die in Christus geloven zijn ze niet zondig.

Ziehier Luthers eigen woorden: “Elk goed werk, al is het nog zo goed verricht, is een schandalige zonde. Ja zelfs ieder werk van de rechtvaardige is vloekwaardig, is een doodzonde.”

Daarom leerde Luther dan ook, dat goede werken absoluut niet nodig zijn om zalig te worden, en dat de mens door het geloof alleen zijn eeuwig heil kan en moet bewerken. “Nu ziet u,” lezen wij in zijn werken, “hoe rijk de Christen of de gedoopte is; want zelfs als hij het wil, kan hij zijn zaligheid niet verliezen, hoe erg hij ook zondigt, tenzij hij niet wil geloven. Geen zonde kan hem verdoemen, maar alleen het ongeloof”

Maar wat komt daar van terecht? Men kan namelijk de zwaarste zonde begaan, zonder daarom het geloof te verliezen. Als men dus aanneemt, dat het geloof alleen genoeg is om zalig te worden, dan zet men de deur open voor de grootste losbandigheid. En inderdaad, zonder daar voor terug te schrikken, durfde Luther zijn vriend Melanchton te schrijven: “zondig er maar op los, maar geloof nog sterker. Zondigen moeten wij, zolang we op aarde zijn. Het is genoeg, dat we zonder twijfel geloven in Christus, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt. De zonde zal ons niet van Christus scheiden, al zouden we ook duizend keer per dag de zwaarste zonden bedrijven.”

Wat denkt u lezer, is dat een heilige leer? Kan dat nu de leer zijn, die Christus aan deze wereld gegeven heeft, om de mens van zonde terug te houden en hem de weg naar de hemel te wijzen? Moest door deze leer de Kerk “hervormd” worden? Door deze leer het Evangelie tot nieuwe bloei komen? Is het niet dwaas de mens van natuur zo slecht voor te stellen, dat hij bij alles wat hij doet, noodzakelijk zondigt? Wie kan geloven dat de mens, al is hij ook een moslim of heiden, een zonde zou doen, als hij bijv. uit medelijden een aalmoes geeft aan een arme ongelukkige?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

§ 40. Korte samenvatting van hetgeen er gezegd is over de leer van de Protestanten ten opzichte van de Bijbel.

Het Protestantisme heeft als hoofdbeginsel dat het geschreven woord van de Bijbel alleen, genoeg is, om iedereen te leren wat hij op godsdienstig gebied wel of niet moet geloven en doen.
Dat hoofdbeginsel is rampzalig;

1º Omdat het uit zijn aard moet leiden en ook al overvloedig geleid heeft tot de grootste en rampzaligste geloofsverdeeldheden.

De H. Schrift is namelijk op veel plaatsen te onduidelijk om door iedereen te kunnen begrepen worden. Er moet dus buiten de H. Schrift nog een levend gezag zijn, dat de bevoegdheid bezit om tussen de uiteenlopende verklaringen, die aan veel gedeelten van de H. Schrift gegeven kunnen worden, uitspraak te doen, en op wiens uitspraak iedereen met volle zekerheid kan vertrouwen. Dat levend gezag nu is geen ander dan het onfeilbaar leergezag van de Kerk, aan wie de door God geopenbaarde waarheden ter bewaring zijn toevertrouwd.

Als men dus met Luther en Calvijn dat levend gezag van de Kerk verwerpt, en gelooft dat ieder het recht heeft om op eigen gezag uit de H. Schrift op te maken, wat men wel of niet moet geloven, dan moet het woord van de H. Schrift, aan de ene kant, door zijn onduidelijkheid op sommige plaatsen, aan de andere kant door de onwetendheid en hartstocht van de mensen, wel worden wat het bij de Protestanten al lang geworden is: de bron van de grootste verwarring en twisten op godsdienstig gebied.

2º Omdat het voor de Protestanten het middel wegneemt om zich met zekerheid te overtuigen dat hun hele Bijbel, zoals zij hem nu hebben, werkelijk het woord van God is.

De goddelijke ingeving van de H. Schrift in zijn geheel, kan niet uit de H. Schrift zelf, maar alleen uit de Apostolische Overlevering worden aangetoond. Houdt men dus vol, dat de mens niets anders hoeft te geloven dan wat er in de Bijbel geschreven staat, dan moet men ook toegeven, dat men geen degelijke grond heeft om te geloven dat alles wat de Bijbel leert, inderdaad het woord van God is.

Wanneer er dus onder de moderne Protestanten zoveel zijn, die het woord van de Bijbel niet meer als Gods woord eerbiedigen, dan is dit een gevolg van de leer van het Protestantisme zelf.

Tenslotte een woord over hetgeen de Katholieken zo vaak wordt verweten, namelijk dat zij in eerbied voor de Bijbel zouden onderdoen aan de Protestanten.

Bedoelt men daarmee dat de Protestanten er veel meer werk van maken om de hele Bijbel onder alle rangen en standen van het volk te verspreiden, dan geef ik dit volmondig toe. Zij ontzien zich namelijk niet om de Bijbel op markten en pleinen, zelfs in de lelijkste kraampjes, te koop aan te bieden en dat Boek der boeken in handen te geven ook aan diegenen die het de grootste moeite zou kosten een eenvoudig verhaal fatsoenlijk te lezen en te begrijpen.

Inderdaad vinden we onder de Katholieken niet zo’n ijver voor het verspreiden van de Bijbel. Zoals we al in § 36. zagen, staat de Katholieke Kerk – echter altijd met de grootste voorzorgen – aan haar kinderen het lezen van de H. Schrift toe; maar desondanks ziet zij er groot bezwaar in, de H. Schrift in haar geheel zo maar aan Jan en alleman in handen te geven.

En dat bezwaar is toch echt niet zomaar uit de lucht gegrepen. Als het namelijk waar is, dat de H. Schrift tot ieders nut is geschreven, dat zij voor iedereen de meest heilzame aanwijzingen en lessen bevat, dan volgt daaruit nog niet dat het voor iedereen aan te raden is zelf de H. Schrift in handen te nemen om door het zelf te lezen er de heilzame lessen uit te halen. De H. Schrift is toch op veel plaatsen heel moeilijk te begrijpen. Ligt het dan niet voor de hand dat lezers zonder enige ontwikkeling, zoals er toch duizenden zijn, groot gevaar zullen lopen aan de woorden van de H. Schrift een betekenis te geven, die er absoluut niet mee wordt bedoeld, en dat op het gezag van de H. Schrift, die zij niet hebben begrepen, de één dit en de ander juist het tegenovergestelde zal verkondigen? Ik denk dat de droevige ervaring dit maar al te duidelijk heeft bewezen. Het Protestantisme mag daarin dan wel geen bezwaar zien, de Katholieke Kerk doet dat wel. Zij gelooft dat zij door zo iets te bevorderen of toe te laten, te kort zou komen aan de plicht die Christus Zijn Kerk heeft opgelegd om de schat van geopenbaarde waarheden in al zijn zuiverheid te bewaren en daarom ook te waken, dat het geschreven woord van God niet roekeloos aan de meest onzinnige uitleggingen word overgelaten.

Wat denkt u, lezer, toont de Katholieke Kerk door deze bezorgdheid niet heel wat meer eerbied voor de Bijbel dan de Protestanten? Moet men niet eerlijk toegeven, dat het verspreiden van de Bijbel onder de vaak onontwikkelde mensenmassa niet alleen in strijd is met de diepe eerbied die wij aan Gods woord verschuldigd zijn? Maar bovendien ook, door het bevorderen van de meest tegenstrijdige verklaring van het woord van God, die de eenheid van geloofsleer in gevaar brengt, waardoor – zoals wij in § 13. zagen – de ware Kerk van Christus zich moet onderscheiden? Is daarom deze verspreiding van de Bijbel werkelijk niet het geschikte middel om de ware Kerk van Christus in één van haar meest kenmerkende eigenschappen, haar geloofseenheid, aan te randen en te bestrijden?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

donderdag 9 maart 2017

§39. De zekerheid echter, die de gewone gelovigen over de goddelijke ingeving van de H. Schrift hebben, steunt bij hen niet onmiddellijk op de Apostolische Overlevering, maar op het onfeilbaar leergezag van de Katholieke Kerk.

Aan de hand van het bovengenoemde kan men wellicht opmerken: laat de Katholieke Kerk of haar oversten uit de Apostolische Overlevering maar opmaken dat, volgens de leer van de Apostelen, onze Bijbelboeken door Gods ingeving geschreven zijn, die Overlevering is toch geen geschikt middel voor de gewone gelovigen. Deze zijn namelijk niet in staat deze oude geschriften door te snuffelen om te onderzoeken wat de Apostelen wel of niet hebben gepredikt.

Deze opmerking, die niet alleen voor deze waarheid, maar ook voor veel anderen geldt, klopt helemaal. Want het zou er echt droevig uit zien als de gewone gelovigen door eigen studie moesten onderzoeken en uitmaken, welke waarheden door de Apostelen mondeling aan de Kerk zijn overgeleverd. Maar gelukkig is dit absoluut niet nodig. Zij hebben daarvoor een ander, veel veiliger, middel: het onfeilbaar leergezag van de Katholieke Kerk. Een Katholiek is namelijk in merg en been overtuigd dat de Katholieke Kerk de ware Kerk  is die door Christus is gesticht. Deze innerlijke overtuiging koestert hij, omdat hij, ook zonder veel geleerdheid, makkelijk inziet, dat de kernmerken die de ware Kerk van Christus moet bezitten, alleen in de Katholieke Kerk te vinden zijn. Ook weet hij dat Christus aan Zijn Kerk Zijn altijddurende bijstand heeft beloofd toen Hij zei: ‘Zie, Ik ben met u tot aan het einde der eeuwen’, Hij weet ook dat Christus tot Zijn Kerk heeft gezegd: ‘Die u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij’ en daarmee iedereen in geweten verplicht, de leer van de Kerk als Zijn leer te eerbiedigen. Daarom is ook elke Katholiek innerlijk overtuigd, dat de Katholieke Kerk, die hij als de ware Kerk van Christus erkent, hem in geloofszaken nooit zal of kan bedriegen. Als Christus namelijk met Zijn Kerk is, kan Hij onmogelijk toelaten dat zij, door het verkondigen van een valse leer, de mensen in dwaling zou brengen, en nog veel minder zou Christus ons in geweten kunnen verplichten om een leer die in strijd is met de waarheid, als Zijn leer te omhelzen. Welnu, de Katholieke Kerk, die zich zo duidelijk als de ware Kerk van Christus toont, leert dat volgens de Apostolische Overlevering, die bepaalde boeken op ingeving van God zijn geschreven, en dit is voor elk kind van deze Kerk meer dan genoeg, om helemaal overtuigd te zijn van de waarheid van deze leer.

Al geloven dus zowel de Protestanten als de Katholieken dat de H. Schrift op Gods ingeving is geschreven, toch bestaat er tussen hen het enorme verschil, dat de Katholiek weet waarom hij dit gelooft. Hij gelooft namelijk die waarheid, omdat de Katholieke Kerk, van wiens onfeilbaar leergezag hij helemaal overtuigd is, hem leert dat die waarheid door de Apostelen mondeling is gepredikt en dus in de Apostolische Overlevering is omvat. De Katholiek kan zich dus verantwoorden, maar de Protestant niet. Hij houdt zich namelijk alleen aan het woord van de Bijbel: maar daaruit kan men absoluut niet opmaken dat die boeken die hij als boeken van de H. Schrift beschouwt, werkelijk op ingeving van God zijn geschreven en dus het geschreven woord van God zijn.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 4 maart 2017

§38. Dat de H. Schrift, zoals die nu in haar geheel is samengesteld, op ingeving van God is geschreven, weet de Katholieke Kerk niet uit de H. Schrift zelf, maar alleen door de Apostolische Overlevering.

Uit de nagelaten geschriften van de oudste Kerkvaders en Kerkvergaderingen is het helemaal duidelijk dat de Kerk vanaf de tijd van de Apostelen, de goddelijke ingeving van de H. Schrift als een geloofspunt, d.w.z. als een door God geopenbaarde waarheid, heeft voorgesteld. Het moet dus zo zijn dat, óf de Kerk was toen al op een dwaalspoor; maar wat klopt er dan van Christus’ belofte ‘Zie, ik ben met u tot aan het einde der eeuwen’? óf God heeft werkelijk geopenbaard, dat de H. Schrift op Zijn ingeving werd geschreven. En van die openbaring moest de Kerk helemaal zeker zijn; anders kon zij deze waarheid niet voorstellen als een geloofspunt. Maar hoe kon de Kerk nu die zekerheid bezitten? Zoals wij al zagen in §36 kon dat niet voor alle boeken uit de H. Schrift zelf; want dat bijv. het Evangelie van de H. Johannes op Gods ingeving is geschreven, vinden we nergens in de H. Schrift, dus kon de Kerk die zekerheid alleen hebben gehad door de mondelinge prediking van de Apostelen, m.a.w. uit de Apostolische Overlevering.

Ziedaar, hoe het geloof in de goddelijke ingeving van de H. Schrift, in ieder geval in haar geheel en in ieder deel afzonderlijk, op de Apostolische Overlevering steunt, zoals de tweede verdieping van een gebouw steunt op de eerste. Een Protestant dus, die met Luther en Calvijn de Apostolische Overlevering verwerpt, en beweert niets te geloven, dan datgene wat in de H. Schrift staat, graaft de grond onder zijn eigen voeten weg; want hij maakt het voor zichzelf onmogelijk, te bewijzen dat zijn H. Schrift werkelijk het woord van God is. Hij breekt de eerste verdieping af, zonder te bedenken dat door het afbreken van de eerste, ook de tweede verdieping niet anders kan, dan in elkaar te storten.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 11 februari 2017

§37. Dat men alleen het woord van de Bijbel moet geloven, is in strijd met de waarheid. We moeten net zo goed de Apostolische Overleveringen geloven. Wat verstaat men hieronder?

De Apostelen moesten, zoals wij weten, de waarheden verkondigen die Christus hen of in eigen persoon had geleerd of hun later door de ingeving van de Heilige Geest duidelijker zou openbaren. ‘Ik zal Mijn Vader bidden, en Hij zal u een andere Vertrooster geven, de Geest van de waarheid. En als die Geest van de waarheid tot u gekomen zal zijn, zal hij u in alle waarheid leren.’ (Joh. 14, 17; 16, 13).

Dat wij dus alle waarheden, die de Apostelen verkondigden, moeten geloven, is voor iedereen helemaal duidelijk. Maar nu komt de vraag: hebben de Apostelen al die waarheden opgeschreven? Nee, en dit weten wij zowel van de H. Schrift als van de Kerkvaders en de gebruiken van de oorspronkelijke Kerk.

Of zegt Paulus niet tot de gelovigen van Thessalonika: ‘Onderhoudt de overleveringen die gij geleerd hebt, hetzij door ons woord, hetzij door ons schrijven’? (2 Thess. 2, 15). Blijkt niet uit de brieven van de Apostelen zelf en uit de Evangeliën, dat deze en met name de eerste, eigenlijk ‘gelegenheids-schriften’ waren en dus niet opgesteld met het doel om de hele leer van Christus te onderwijzen, maar slechts enkele, bijzondere punten, afhankelijk van de omstandigheden? Wij geven graag toe dat al de hoofdpunten van de Christelijke leer in het Nieuwe Testament zijn neergeschreven; maar waar leest men bijv. het voorschrift van de kinderdoop, die toch al gebruikelijk was in de eerste tijd van de Kerk? Waar vinden we het gebod om, in plaats van de sabbat de Zondag te vieren, zoals de christenen vanaf het begin hebben gedaan? Waar staat in de hele H. Schrift deze hoofdleer van het Protestantisme: De H. Schrift alleen is genoeg? Lezen we er niet juist het tegenovergestelde, bijv. in de bovengenoemde Bijbeltekst? En al volgt uit de woorden: ‘Gaat over de hele aarde en predikt het Evangelie aan alle schepselen’ (Mark. 16, 15) dan wel niet dat Christus niet heeft geboden Zijn leer op te schrijven, toch volgt uit die plechtige opdracht wel, dat prediken in de letterlijke zin het hoofdmiddel moest zijn om Christus’ leer te verspreiden; zoals dit duidelijk blijkt uit de krachtige woorden van Paulus tot de Romeinen (10, 13-15): ‘Ieder die  de naam van de Heer aanroept, zal zalig worden. Maar hoe zullen zij Diegene aanroepen, in wie zij niet geloven? Of hoe zullen zij geloven in Diegene van wie zij niet gehoord hebben? Maar hoe zullen zij horen zonder een prediker? En hoe kunnen zij prediken, als zij niet gezonden worden?’ En hoe is het te verklaren, dat als schrijven de hoofdtaak van de Apostelen was, maar net de helft van hen, en slechts naar aanleiding van bijzondere omstandigheden, die taak zou hebben volbracht?

Welnu, die waarheden die of door Christus zelf, of door de H. Geest aan de Apostelen zijn geopenbaard, en niet door hen, noch door de Evangelisten werden opgeschreven, maar eenvoudig door de Apostelen mondeling zijn gepredikt – die waarheden noemen wij Apostolische Overleveringen; en dat deze waarheden net zo goed door God zijn geopenbaard en daarom net zo goed geloofd moeten worden als diegenen die de Apostelen hebben opgeschreven, hoeft niet bewezen te worden. Of wordt de waarheid pas geloofwaardig als zij opgeschreven is?

Het is dus niet waar, dat men alleen datgene hoeft te geloven, wat in de Bijbel geschreven staat; want de Bijbel of H. Schrift is niet de enige bron, waarin we door God geopenbaarde waarheden vinden. Naast de H. Schrift staan de Apostolische Overleveringen, en deze laatste zijn voor ons in zeker opzicht zelfs belangrijker dan de H. Schrift zelf. Waarom? Omdat zoals zo meteen nog duidelijker zal blijken, de goddelijke ingeving van de hele H. Schrift en daarom de grondwaarheid dat dit Boek niets dan Gods woord bevat, alleen uit de Apostolische Overlevering kan worden bewezen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 5 februari 2017

§36. Uit de Bijbel alleen kunnen de Protestanten onmogelijk bewijzen dat de hele Bijbel, zoals zij die bezitten, Gods woord bevat. Hoe oordeelt de Katholieke Kerk over het lezen van de Bijbel?

Ongeveer vier jaar geleden ging ik op bezoek bij een goede, oude heer, in de veronderstelling dat hij katholiek was en wellicht mijn hulp kon gebruiken. Bij binnenkomst werd ik op een nette manier erop gewezen dat ik mij vergist had. Onze huisheer was protestant en zat met lofwaardige eerbied de Bijbel te lezen.

‘Zo,’ begon ik, ‘Om de tijd te verdrijven wat aan het lezen?’ ‘Excuus, mijnheer, ik lees de Bijbel, het woord van God, en zo iets leest men niet om de tijd te verdrijven, ik zoek en vind daarin voedsel voor mijn ziel.’ ‘Nu, in ieder geval, ik prijs uw eerbied voor het woord van God’.

‘Maar mijnheer, hoe kunt u dat zeggen? Ik dacht toch echt dat u een Katholiek priester was, en terwijl u mij prijst om mijn eerbied voor het woord van God, denkt u hetzelfde woord van God van uw gelovigen te moeten ontnemen. De Katholieken mogen de Bijbel toch niet lezen.’

‘Wel zeker mogen de Katholieken de Bijbel lezen, maar niet elke Bijbel die hen door de eerste de beste in de hand wordt gedrukt. Dat zou toch niet verstandig zijn. De minder ontwikkelde Katholieken kunnen namelijk niet onderscheiden of die Nederlandse, Franse of Duitse vertaling die zij voor zich hebben, trouw is of niet, en zouden dus gevaar lopen een valse Bijbel onder de ogen te krijgen. Maar is de vertaling goedgekeurd door de Paus, of onder goedkeuring van een Katholiek bisschop, voorzien van ophelderende aantekeningen, van Pausen of andere geleerde katholieke schrijvers overgenomen, dan mag zo’n vertaling door elke Katholiek worden gelezen. Die voorzorgen worden trouwens niet eens gevraagd van de meer ontwikkelde Katholieken, die in staat zijn de Bijbel in een kerkelijke of geleerde taal, zoals het Latijn of Grieks, te lezen.’

‘Kijk, dat wist ik echt niet, ik dacht echt dat het Bijbellezen voor de Katholieken eenvoudigweg verboden was. Maar nu begrijp ik nog minder dan eerst, waarom de Katholieken zo weinig gebruik maken van de Bijbel.’

‘Dat de Katholieken weinig gebruik maken van de Bijbel, geef ik absoluut niet zomaar toe. Bedoelt u met de ‘Katholieken’ de Katholieke Kerk in het algemeen, dan klop uw bewering absoluut niet. De Katholieke godgeleerdheid put namelijk al haar argumenten en opvattingen in de eerste plaats uit de H. Schrift; en door de Katholieken zijn hele bibliotheken over de H. Schrift en haar verklaringen vol geschreven; ook de officiële, zogenaamde liturgische gebeden en plechtigheden van de Katholieke Kerk zijn vol met aanhalingen uit de H. Schrift, niet minder dan de godsdienstige geschriften van haar kinderen, te beginnen met de Kerkvaders en te eindigen met de eenvoudigste boekjes van geestelijke stichting, die dagelijks onze pers verlaten.’

‘Nee, maar ik bedoel dat de gewone gelovigen van uw Kerk zo weinig de H. Schrift lezen en horen lezen.’ ‘Ook hier mag ik niet maar zo mee instemmen, want, (hier laten we onze priesters even buiten beschouwing omdat zij door het bidden van de getijden in een jaar in hoofdzaak de hele H. Schrift doorlopen) de gewone gelovigen die hun kerkelijke plichten vervullen, horen iedere Zon- en feestdag een gedeelte van het H. Evangelie, voorafgegaan door een Schriftgedeelte uit het Oude of Nieuwe Testament, voorlezen en daarna meestal in de preek uitleggen en toepassen. En het is zeker de wens van de Kerk, dat, rekening houdend met het bovengenoemde, haar kinderen goed en veel gebruik maken van het lezen van de H. Schrift – ruimer dan in de praktijk meestal gebeurt, helaas. Dit is daarentegen niet de schuld van de Kerk, maar van diegenen die haar wensen niet opvolgen.

‘Maar u zult toch niet ontkennen dat er bij de Protestanten veel meer werk wordt gemaakt van de Bijbel dan bij de Katholieken?’

‘Dat wil zeggen de orthodoxe Protestanten, die geen geloofsregel buiten de Bijbel kennen, zijn er natuurlijk op uit om het Boek dat voor hen alles is, zoveel mogelijk te lezen en te verspreiden. Daar ik toegeef dat daardoor bij hen het gebruik van de Bijbel algemener is, durf ik ook te beweren dat de manier van de Bijbel gebruiken bij de Katholieke Kerk veel beter en verstandiger is. Als een goede moeder zoekt zij voor haar kinderen het meest geschikte voedsel uit, en wil niet dat deze, om zo te zeggen, niet klaargemaakt door hen gebruikt worden; terwijl het Protestantisme de Bijbel, zonder verklaring, iedereen in de handen geeft, ook aan de minst ontwikkelden en onwetenden.

‘Maar de Bijbel zegt toch, dat alles wat daar geschreven staat, is geschreven om ons te onderrichten.

‘Zeker waar; maar datgene, wat voor onze onderrichting is geschreven, kan ophouden nuttig te zijn en zelfs heel gevaarlijk worden voor degenen die het niet begrijpen; of herinnert u zich niet meer dat Petrus in zijn tweede brief zegt dat er in de brieven van Paulus ‘sommige dingen voorkomen, die moeilijk te begrijpen zijn en daarom, net zoals de overige Schriften, door ongeleerde en lichtzinnige mensen verkeerd uitgelegd worden, tot hun eigen verderf?’ (2 Petr. 3, 16).

‘Dat is zo, en ik geef graag toe, dat veel plekken in de Bijbel voor gewone mensen niet makkelijk te begrijpen zijn; maar ondertussen blijven er nog genoeg plekken over die door iedereen makkelijk te begrijpen zijn, en daarom ook met vrucht gelezen kunnen worden, en ik denk dat dit genoeg reden is om het lezen van de Bijbel bij iedereen aan te bevelen als meest nuttig.’

‘Ik zou daar absoluut mee instemmen, als ik er maar zeker van was dat diegenen die de Bijbel in handen kregen, daarin niets anders lezen, dan wat zij begrijpen en wat zij menen te begrijpen zo begrijpen als het door de H. Geest bedoeld is. Maar dat dit niet gebeurt, weten we allemaal. Zo hoorde ik bijv. laatst iemand beweren dat alle kerkgebouwen afgebroken moesten worden, want de man had in zijn Bijbel gelezen dat we de Heer ‘moeten aanbidden in geest en waarheid’. De Katholieke Kerk probeert – en wel uit eerbied voor de H. Schrift – zulke misbruiken te voorkomen, zonder de nuttigste inhoud van de H. Schrift van haar kinderen te ontnemen. Met datzelfde doel heeft zij bijv. ook altijd ervoor gezorgd dat de verhalen en zedenlessen van de H. Schrift beknopter, en voor het gewone volk op een makkelijk begrijpbare manier, worden samengevat in een boek dat meestal ‘De Geschiedenis van de Bijbel’ of ‘Bijbelse Geschiedenis’ heet, zoals u deze ook heeft; wel een bekentenis, ook van uw kant, dat de Bijbel zoals hij daar ligt, niet door iedereen van jong en oud, geleerd en ongeleerd, met vrucht kan gelezen worden.’

‘Nu, ja, dat op dergelijke wijze het gevaar voor misverstand en dwaze toepassingen het best worden voorkomen, zal ik niet ontkennen. Maar, nu we toch over zulke zaken aan het praten zijn, wil ik u nog iets zeggen’ ‘En dat is?’ ‘Een poosje geleden was ik hier in gesprek met een Katholiek van naam. We kwamen al snel uit op een godsdienstig gesprek. Natuurlijk waren we het niet met elkaar eens. Maar toen ik om me te verdedigen een beroep deed op de Bijbel, het geschreven woord van God, had de man de moed mij ronduit te verklaren, dat wij, Protestanten, eigenlijk niet eens het recht hebben om onze Bijbel als het woord van God te beschouwen. Vindt u dat niet te ver gaan?’

‘De toon waarop u dat gezegd werd kan dan wel een beetje ongepast zijn, maar wat de zaak betreft, moet ik eerlijk bekennen, dat ik het eigenlijk met hem eens ben.’ ‘Maar, waarom dat?’

‘Het is namelijk een bekend feit dat Luther de Bijbel, zoals hij die uit de Katholieke Kerk meenam, op meer dan één plaats eigenmachtig heeft vervalst en nu geloof ik toch niet, dat u een brief, ook al was hij door uw eigen hand geschreven, nog als uw brief zou erkennen, als een ander dacht er goed aan te doen, daarin verschillende wijzigingen aan te brengen, hier iets weg te halen, daar iets toe te voegen enz. Maar ook dit belangrijk bezwaar terzijde gelaten, en dus ook verondersteld, dat uw Bijbel nergens vervalst zou zijn, dan nog blijft het waar, dat de Protestanten, als zij consistent willen blijven, onredelijk handelen door de Bijbel zoals zij die bezitten, zonder twijfel te beschouwen als het woord van God.’ ‘Maar is de Bijbel dan niet werkelijk door de ingeving van de Heilige Geest geschreven?’ ‘Ongetwijfeld; maar hoe kunt u, als Protestant, zeker zijn van die goddelijke ingeving over alle boeken van de Bijbel?’

‘Wel, uit de Bijbel zelf. Weet u dan niet, dat én Petrus én Paulus getuigen dat de Heilige Schriften geschreven zijn op ingeving van God? (Zie bijv. 2 Tim. 3, 16; 2 Petr. 1, 20-21).

‘Zeker, weet ik dat, en aangenomen dat hun getuigenis slaat op al die boeken van het Oude Testament, die in die tijd door het Joodse volk als heilige boeken werden geëerd, net zoals die boeken van het Nieuwe Testament die toen al waren geschreven en met hetzelfde gezag door de Apostelen aan de gelovigen werden meegedeeld, hoeveel en welke zijn dan die boeken die daarbij gerekend moeten worden? De Katholieken bijv. rekenen daaronder ook de twee boeken van de Makkabeeën; De Protestanten daarentegen niet. Kunt u dan, met alleen de Bijbel in de hand, bepalen wie van de twee er gelijk heeft? Bovendien, toen de H. Petrus en Paulus dat getuigenis gaven, waren nog niet alle boeken van het Nieuwe Testament, bijv. het Evangelie van Johannes, geschreven. Is bovenstaand getuigenis nu ook genoeg om te besluiten dat ook dit later geschreven boek werkelijk Gods woord is?’

‘Maar hoe kunt u, Katholieken dat dan zeker weten?’ ‘Dat weten wij onfeilbaar zeker, steunend op het gezag van de H. Kerk, die herhaaldelijk en uitdrukkelijk heeft verklaard, welke boeken tot de H. Schrift horen’ ‘Hoe kan uw Kerk dat weten? Kan haar uitspraak er soms voor zorgen dat het ene boek door God is ingegeven en het andere niet?’ ‘Dat weet de Kerk uit de Overlevering; en omdat u die verwerpt, verwerpt u ook het enige middel om met volle zekerheid te weten, wat tot de H. Schrift hoort en wat niet. De uitspraak van de Kerk zorgt niet, dat een boek door Gods ingeving geschreven is, maar maakt, dat wij zeker weten, welke boeken door Gods ingeving zijn geschreven: ziedaar een hemelsbreed verschil. Maar al zou zij ook helemaal zeker weten, welke boeken er in de H. Schrift horen, dan bleven er namelijk nog 2 punten over, waar u, als Protestant, nooit volkomen zeker over kunt zijn, namelijk 1º of uw vertaling de oorspronkelijke tekst juist weergeeft, en 2º wat op veel plaatsen de ware betekenis is van de H. Schrift.

‘Ja, maar wij hebben onze dominees, die wij bij twijfel kunnen raadplegen.’ ‘Zijn die onfeilbaar?’ ‘De hemel beware ons! Maar zij weten er toch zeker meer van dan de gewone burger.’ ‘En dat is genoeg om met onfeilbare zekerheid te weten, wat u op goddelijk gezag moet geloven, wat u moet doen en laten om zalig te worden?’

En om nu terug te keren tot ons uitgangspunt, een Protestant, die aan zijn beginsel trouw wil blijven, is volkomen in zijn recht wanneer hij zo redeneert: ‘Volgens mijn leer hoef ik op godsdienstig gebied niets te geloven, wat niet in de Bijbel staat: welnu, in de Bijbel staat niet dat alle boeken die hij bevat, door Gods ingeving zijn geschreven, dus hoef ik ook niet te geloven dat alles wat er in de Bijbel te lezen is, door Gods ingeving geschreven is; daarom geloof ik ook niet meer dat het woord van de Bijbel werkelijk het zuivere woord van God is.’ En zover is het dan ook al bij velen gekomen. Onder de moderne Protestanten zijn er zelfs velen, die er absoluut geen geheim van maken dat zij aan de goddelijke ingeving van de Bijbel niet meer geloven. Het is zeker droevig, en nog droeviger omdat dit verschijnsel een natuurlijk gevolg is van de Protestantse leer zelf.

De oude heer beloofde mij, dat hij eens op zijn gemak en ernstig over dat alles zou nadenken en wij scheidden als beste vrienden. Kort daarop vernam ik tot mijn spijt dat familieaangelegenheden hem genoodzaakt hadden ergens anders te gaan wonen.

Komen wij nu even op een paar punten van ons onderhoud terug.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 22 januari 2017

§35. De grondregel van de Protestanten, dat de Bijbel alleen genoeg is om te weten wat wij moeten geloven, valt om veel redenen niet te verdedigen.

DERDE GEDEELTE – Enkele hoofdpunten van het verschil tussen Katholieken en Protestanten.

Het is niet onze bedoeling hier alle punten te bespreken, waarin de leer van de Protestanten in het algemeen van de leer van de Katholieke Kerk afwijkt. Wie het vorige ernstig heeft overdacht, moet overtuigd zijn, dat onder alle kerken die zich christelijk noemen, de Katholieke Kerk de enige ware is, en men dus met onderwerping en liefde moet aannemen, alles wat God ons door middel van haar laat geloven: “Wie u hoort, hoort Mij, wie u versmaadt, versmaadt Mij!” (Luc. 10, 16)

Wij willen daarom alleen degene die al overtuigd zijn, krachtig bevestigen, of liever, sommige bezwaren wegnemen, die op bepaalde punten gemaakt kunnen worden; en het daarom kort hebben over meer algemeen bekende leerstukken en instellingen, om te laten zien, hoe redelijk de leer van de Katholieke Kerk is en hoe ongegrond daarentegen de leer van de Protestanten. Voor veel niet-katholieke lezers zal hierdoor ook de ware leer van de Kerk wat die leerstukken en gebruiken betreft, duidelijk worden.

Hier wat wij in het kort zullen bespreken:

1.            De Bijbel
2.            Het geloof en de goede werken   
3.            De Biecht en de Aflaten
4.            Het vagevuur
5.            Het H. Sacrament van het Altaar
6.            De verering van de Heiligendag
7.            De wonderen  

EERSTE HOOFDSTUK - DE BIJBEL

§35. De grondregel van de Protestanten, dat de Bijbel alleen genoeg is om te weten wat wij moeten geloven, valt om veel redenen niet te verdedigen.

De Hervormers verwierpen het leergezag van de Kerk en het gezag van de Apostolische Overlevering als bron van de geopenbaarde waarheid. En wat kwam daarvoor in de plaats? De Bijbel en het vrije onderzoek. Terwijl de Katholiek als geloofsregel het woord van God aanneemt in de H. Schrift, de Apostolische Overlevering en verkondigd door het onfeilbaar leergezag van de Kerk, d.i. het geschreven en ongeschreven woord van God zoals de onfeilbare Kerk dit voorstelt, verwerpt de Protestant het ongeschreven woord van God, zodat hij alleen de bijbel overhoudt, en stelt hij, i.p.v. het leergezag van de onfeilbare Kerk, ieders persoonlijke opvatting en rede als komende van de Heilige Geest.

Hij stelt dus het gezag van iedereen afzonderlijk in plaats van het gezag van de Kerk, en terwijl hij ontkent dat de Kerk door de H. Geest voor dwaling wordt behoed, wijst hij de bijstand van de H. Geest aan iedere gelovige bijbellezer toe, waardoor deze wel niet echt onfeilbaar wordt, maar toch het woord van God zo verstaat hoe het hem het beste lijkt.

Bij deze bijzondere bijstand van de H. Geest zullen wij niet lang stilstaan, maar ons beperken tot de eenvoudige opmerking dat deze niet bewezen wordt, niet noodzakelijk is en als hij bestond, aanleiding zou geven tot de meest tegenstrijdige meningen, zoals uit de geschiedenis van de Hervorming duidelijk blijkt. We zien dit namelijk al bij haar opkomst.

Uit dezelfde woorden van de H. Schrift, haalde  namelijk de één vaak de tegenovergestelde leer van die, die  een ander daarin dacht te vinden. Maar Gods Geest kan zich niet tegenspreken. De bewering dat iedere gelovige Bijbellezer bij zijn opvatting van de woorden van de H. Schrift door Gods Geest zou worden geleid, is dus zeker in strijd met de waarheid.

Maar laten we nu eens even de volgende grondregel uitdiepen: De Bijbel, de Bijbel alleen, is genoeg om de mens te leren wat hij op Gods gezag wel of niet moet geloven.

Wat zou hier vanzelfsprekend op volgen? Zoals ik net al zei, werd de Bijbel, die op veel plekken onduidelijk is, al snel, zelfs waar het om de belangrijkste waarheden ging, door de één zo en door de ander in tegenovergestelde zin verstaan en uitgelegd. Iedereen die goed kon praten of schrijven, kreeg aanhangers voor zijn denkwijze en vormde een sekte, en wat de één verdedigde, werd straks door een ander ontkend. Wie bezat nu de waarheid? Iedereen tegelijk? Dat kon niet. Door wie en hoe moest dan de zaak opgelost worden en die onderlinge geschillen uit de weg geruimd? Door het gezag van Luther of Calvijn? Maar het stond nu eenmaal vast, dat het geschreven woord van de Bijbel alleen genoeg was, en iedereen het recht had, om dat geschreven woord naar zijn eigen inzicht te verklaren. Elke verplichtend leergezag had men als een onnodige ballast overboord gegooid. Men hoefde zich dus niets aan te trekken van het gezag van Luther of Calvijn of wie dan ook[1].

Daarom is het hoofdbeginsel van het Protestantisme, dat het geschreven woord van de Bijbel genoeg is om de mens te leren wat hij wel of niet moet geloven, en dat iedereen bevoegd is om op eigen gezag uit de Bijbel zijn godsdienstleer te halen – geen gezonde of heilige, maar een
verderfelijke leer: omdat zij uit haar aard moet leiden tot de grootste verwarring op godsdienstig gebied. Zij maakt op deze manier van de Bijbel, hoe heilig die op zichzelf ook is, een bron van de meest noodlottige verdeeldheden.

En bleef het hierbij; maar het kan bijna niet anders of deze godsdienstige verdeeldheden moeten op hun beurt aanleiding geven tot iets dat duizendmaal erger is, namelijk de godsdienstige onverschilligheid. Als tegenwoordig nl. een Protestant de waarheid wil zoeken tussen al die uiteenlopende sekten en leringen die het Protestantisme heeft voortgebracht, dan ligt het voor de hand dat hij de moed in de schoenen laat zinken en moedeloos zegt: ‘met al dat geharrewar word ik niets wijzer. Ik geloof, net zoals de meeste andere Protestanten, dat Christus werkelijk God is, maar wat ik voor de rest nog moet geloven, kan ik niet achter komen, en zal daarom wel niet zo nauw luisteren.’

Maar, lezer, wij hebben al eerder gezien dat zulke taal niet alleen dwaas is, maar ook goddeloos. Want als Christus werkelijk God is, luistert het namelijk wel nauw wat wij geloven en of wij ons bij Zijn Kerk aansluiten of niet; dan is het voor ons een grote plicht de leer die Hij verkondigd heeft te geloven, en ons te onderwerpen aan het gezag van de Kerk die Hij gesticht heeft. Dan kan dus ook een beginsel, waaruit een godsdienstige onverschilligheid volgt, niet de ware zijn.

Nog een paar vragen.

Als men de Openbaring alleen uit de Bijbel en door het Bijbellezen kan leren kennen, hoe moeten dan degenen die niet kunnen lezen zalig worden? Hebben zij aan die Openbaring misschien geen behoefte?

Als de Bijbel alleen moet bepalen wat men wel of niet moet geloven, waaraan moet men zich dan houden als, zoals vaak het geval is, de woorden van de Bijbel onduidelijk zijn of meer uitleg vragen? Hoe komt men dan te weten wat de Bijbel eigenlijk bedoelt? De Bijbel zelf bepaalt dat niet. Kijk toch eens, lezer, in ons burgerlijk wetboek heeft men met de grootste zorg geprobeerd alle onduidelijkheden te vermijden, en toch is dat wetboek alleen niet voldoende. Iedereen begrijpt namelijkdat er behalve dat boek nog levend gezag moet zijn, d.w.z. rechters, die vanwege het hoofd van de Staat de wettige macht en bevoegdheid bezitten om bij onenigheid te beslissen over de juiste zin van het woord, en daardoor het volk beschermen tegen verkeerde uitleggingen en dwaze toepassingen.

Denk hier eens serieus over na en vertel mij oprecht of het beginsel: ‘de Bijbel alleen’ te verdedigen valt.



[1] In zijn Tafelgesprekken (Uitg. V. 1566, blz. 5) beklaagt Luther zich dan ook dat ,adelijken, burgers, boeren en bijna iedereen van hogere en lagere stand, zich verbeelden het Evangelie veel beter te kennen dan hij, doctor Luther, of St. Paulus zelf,’ Verg. De Katholiek 1883 blz. 268.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 15 januari 2017

§34. Is de Katholieke Kerk ook in die zin Apostolisch, dat zij de leer van de Apostelen trouw en zuiver heeft bewaard?

Voor een Katholiek is die vraag eenvoudig op te lossen. Omdat hij namelijk uit andere gegevens innig overtuigd is dat de Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is, weet hij ook helemaal zeker, dat hetgeen wat deze Kerk ons leert, onmogelijk met de leer van de Apostelen in strijd kan zijn.

Wat diegenen betreft, die nog steeds naar de ware Kerk van Christus zoeken, hun denk ik in herinnering te moeten brengen, wat ik al gezegd heb, namelijk: dat ongeletterden nooit in staat zijn op eigen gezag en door eigen studie te bepalen, wat de Apostelen wel of niet hebben geleerd. Zij kunnen dit alleen weten door het onfeilbaar leergezag van die Kerk, aan wie Christus de verkondiging van zijn leer toevertrouwd en daarvoor zijn voortdurende bijstand heeft beloofd. Zolang zij dus niet weten, wat de ware Kerk van Christus is, kunnen zij ook onmogelijk aangaande alle geloofspunten -met zekerheid weten, welke leer door de Apostelen werd verkondigd. En weten zij dit niet, dan kunnen zij de leer van de Katholieke Kerk, of van welke kerkgenootschap ook, niet vergelijken met de leer van de Apostelen, om daaruit op te maken of zij in alles wel met elkaar overeenstemmen.

Toch is het mogelijk zich op een andere manier ervan te overtuigen, dat de leer van de Apostelen, wat die ook geweest is, door de Katholieke Kerk trouw en zuiver wordt bewaard. Zoals we al gezien hebben, zijn namelijk de herders van de Katholieke Kerk ongetwijfeld de wettige opvolgers van de Apostelen. Maar dan is het dus net zo zeker, dat het Apostolisch leergezag in die wettige opvolgers blijft voortbestaan, dat daarom ook voor hen, net zoals voor de Apostelen het woord van Christus geldt: “Die u hoort, hoort Mij; die U versmaadt, versmaadt Mij.” (Luc. 10, 16). Maar als Christus nu wilde, dat wij niet alleen de leer van de eerste herders van zijn Kerk, maar ook die van hun wettige opvolgers als Zijn leer eerbiedigen, en als die wettige opvolgers geen andere zijn dan de herders van de Katholieke Kerk, dan is het dus logisch, dat de onverdeelde leer van de herders van de Katholieke Kerk onmogelijk in strijd kan zijn met de leer, die Christus aan zijn Apostelen toevertrouwde om te verkondigen.

Bovendien zal men moeten toegeven, dat de Katholieke Kerk in de eerste eeuwen, toen de H. Ignatius van Antiochië, de H. Irenaeus, de H. Athanasius, de H. Johannes Chrysostomus, de H. Hieronymus en de H. Augustinus tot haar zonen hoorde, toch zeker nog de ware leer van de Apostelen verkondigde. Het is ook zeker, dat de Katholieke Kerk zich altijd onderscheiden heeft door een voorbeeldige zorg en waakzaamheid voor het zuiver bewaren van haar geloofsleer, die zij namelijk terecht als de grondslag van alles, als de bron van haar leven ziet. Zij heeft het, zoals wij zagen, in de loop van de tijd, om verschillende goede redenen nodig of nuttig geacht bepaalde punten van de haar toevertrouwde leer openlijker en plechtig voor te stellen om te geloven. Maar nooit heeft de Katholieke Kerk ook maar iets geleerd, of als geloofspunt gegeven, wat in strijd was met de leer, die zij tot dan toe had verkondigd. Nee, wat de Katholieke Kerk in de eerste eeuwen leerde en geloofde, dat leert en gelooft zij nog. Het woord van de grote Apostel naar zijn leerling Timotheus stond haar altijd voor de geest: “O Timotheus, bewaar het u toevertrouwde pand”, de schat van de waarheid, rein en ongeschonden! (1 Tim. 6, 20)

Een Protestant kan een geloofspunt, dat hij vandaag aanneemt, morgen openlijk verwerpen, zonder dat iemand er tegen in verzet komt. Zo gaat het niet, en zo ging het nooit in de Katholieke Kerk. Wanneer ooit een Katholiek ook maar één punt van de katholieke geloofsleer durft te verwerpen, dan hield hij daardoor onmiddellijk op een kind van de Katholieke Kerk te zijn. Daarvan was men altijd zo innig van overtuigd, dat men zo iemand zelf niet meer de naam Katholiek gaf. Dit zien we vaak in de geschiedenis van de verschillende ketterijen, die in de loop van de tijd aan de leer van de Kerk iets wilden veranderen. Haar volgelingen verloren de naam katholiek, en werden door de Kerk niet meer erkend als haar kinderen.

Hierom is de Katholieke Kerk vaak zwaar verweten, dat zij een vijandin is van ontwikkeling en vooruitgang. Dit verwijt klopt ongetwijfeld niet, als men daarmee bedoelt, dat de Kerk de ontwikkeling van het verstand, de bevordering van de goede zeden of zelfs de vooruitgang op het gebied van kunst en industrie in de weg zou staan. De Kerk heeft niet alleen het eeuwig, maar ook, alhoewel niet op de eerste plaats, het tijdelijk geluk van de mens op het oog; zij wil namelijk de hele mens gelukkig maken. Wil men door dat verwijt te kennen geven, dat de Katholieke Kerk in haar geloofs- en zedenleer nooit of te nimmer de minste verandering duldt, ja, dan heeft men gelijk, om de eenvoudige reden dat de waarheid niet kan veranderen[1]. Maar dan is dat geen verwijt, maar integendeel een lofrede, die laat zien met wat voor een onverbiddelijke strengheid de Kerk steeds vasthield aan de taak, die Christus haar oplegde, toen hij zei: “Gaat dus heen; onderwijst alle volken..... en leert ze onderhouden al wat Ik u heb geboden. Ziet, Ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld.”, dat alles, maar ook dat alleen, wat Christus zelf, niet wat een ander, geleerd heeft; “Ziet, Ik blijf altijd bij u”, u kunt dus niet afdwalen, “tot aan het einde der wereld” (Math. 28, 19-20).

Besluit van dit gedeelte

We hebben dus gezien en begrepen, dat de Kerk door Christus gesticht een eigenschap bezit, die, als beken uit een bron, uit de aard zelf van die Kerk voortvloeien, en dus ook onafscheidelijk met haar zijn verenigd: waar de Kerk van Christus is, zijn de eigenschappen, en waar die eigenschappen zijn, is de ware Kerk; net als wanneer ik zeg: waar een redelijke ziel en een lichaam tot één wezen verenigd zijn, daar is een mens en waar een mens is, daar is een redelijke ziel en een lichaam. En terwijl de bedoelde eigenschappen voor iedereen zichtbaar zijn, zijn zij ook de kenmerken, waaraan de Kerk van Christus eenvoudig en zonder twijfel herkend en van andere kerkgenootschappen onderscheiden kan worden.

Deze kenmerkende eigenschappen zijn, zoals wij al gezien hebben, de volgende vier:
1.            De ware Kerk van Christus moet Eén zijn en wel in twee opzichten. Zij moet namelijk staan onder de gehoorzaamheid van een zichtbaar Opperhoofd, die de wettige opvolger moet zijn van de H. Petrus, door Christus zelf aangesteld om in zijn plaats, dus als plaatsvervanger van Christus, de Kerk te besturen. Bovendien moet zij ook één zijn, wat haar Geloofsleer betreft, en dus altijd en overal dezelfde leer verkondigen.
2.            De ware Kerk van Christus moet een Heilige Kerk zijn; d.w.z. haar leer, haar instellingen en genademiddelen moeten zó zijn, dat zij hen, die haar leer en leiding trouw volgen, werkelijk opvoert tot meer dan gewone deugd, tot volmaaktheid en heiligheid; dit is namelijk ook het doel, waarvoor Christus zijn Kerk heeft gesticht. En omdat er in Jezus' ware Kerk altijd mensen gevonden worden, die in alles haar leiding zo trouw mogelijk volgen, spreekt het ook vanzelf, dat die Kerk zich altijd op ware Heiligen zal kunnen beroemen.
3.            De ware Kerk van Christus moet Katholiek zijn, d.w.z. over de hele wereld verspreid, omdat zij van haar Goddelijke Stichter de taak ontving om zijn heilige leer te verkondigen aan alle volken van de aarde, en zij, als ware Kerk van Christus, aan die roeping niet ontrouw kan worden.
4.            De ware Kerk van Christus moet Apostolisch zijn, d.w.z. haar overheden, haar herders moeten niet alleen de leer van de Apostelen verkondigen, maar ook door een onafgebroken en wettige opvolging met de eerste herders van de Kerk, de Apostelen, in verbinding staan.

In welke christelijke kerkgenootschap vindt men nu al deze vier eigenschappen? Ik denk dat ik nu duidelijk genoeg heb laten zien, dat zij alle vier aanwezig zijn in de Katholieke Kerk, en aan de andere kant net zo duidelijk dat zij in geen andere christelijke kerkgenootschap gevonden worden.

Om maar enkele punten in herinnering te brengen: waar is bij de Protestanten een zichtbaar opperhoofd, de wettige opvolger van de H. Petrus? Hoe staat het met hun eenheid van geloofsleer? Ontbreekt in het Lutheranisme het Calvinisme niet duidelijk de Apostoliteit? Of staan hun herders of geestelijke overheden onafgebroken in lijn met de Apostelen? De Anglicaanse Kerk, even terzijde gelaten dat zij aan een wellustige koning Hendrik VIII haar ontstaan te danken heeft, is zij werkelijk katholiek of algemeen verspreid? En kunnen we dit ook niet zeggen van de zogenaamde Oud-Roomsen en bij de Griekse Schismatieken?

Maar, lezer, als dit nu allemaal zo duidelijk is, kan of mag men dan beweren, dat de mens, die oprecht de waarheid zoekt, een groot verstand nodig heeft of geleerd moet zijn, om te zien, dat de Katholieke Kerk, en zij alleen, de ware Kerk is, die door Christus werd gesticht? Dat denk ik toch echt niet.

De Katholieke Kerk, ik beken het graag, heeft èn in haar leer èn in haar voorschriften dingen, die voor de eigenliefde en gemakzucht van de mens juist niet aangenaam zijn. Zij leert bijv., dat niet iedereen het recht heeft om de woorden van de H. Schrift volgens zijn persoonlijke opvatting te verklaren en zo op eigen gezag uit te maken, wat men wel of niet geloven moet. Zij leert, dat de macht, die Christus aan de priesters van zijn Kerk gegeven heeft om de zonde te vergeven of te behouden, ook de verplichting met zich mee brengt om de zonden aan de priester bekend te maken, te biechten; zij houdt de leer in stand, dat het huwelijk, eens tussen Christenen gesloten, alleen door de dood kan worden ontbonden en dat daarom, zolang de beide eerste echtgenoten leven, een tweede huwelijk in de ogen van God geen waarde heeft, en niets anders is dan een ongeoorloofde samenleving. Zij verplicht haar kinderen, onder zware zonde, op alle Zon- en bepaalde Feestdagen de H. Mis bij te wonen; zij schrijft verschillende vasten- en onthoudingsdagen voor. Dat is voor de hoogmoedige en zinnelijke mensen absoluut niet “plezierig” en ik begrijp goed, dat iemand, die daar niet van jongs af aan mee gewend is, dit kan afschrikken. Is het niet zo? Maar wij hebben het hier niet over de vraag, in welke Kerk men het plezierigst en makkelijkst kan leven: Maar we hebben het over de vraag, welke Kerk door Christus, onze Goddelijke Heiland, is gesticht; wat de Kerk is, tot wie Christus sprak: “Gaat en verkondigd het Evangelie aan alle schepselen”; “Die u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij” (Marc. 16,15; Math. 28,20; Luc. 10,16).

Nu dan, op die vraag heb ik nu denk ik een duidelijk en goed antwoord gegeven. De ware Kerk is geen andere dan die, die de wettige opvolger van Petrus als haar zichtbaar Opperhoofd heeft en als de plaatsvervanger van Christus eerbiedigt; die na 1900 jaar de storm van de vervolging getrotseerd en de haat en smaad van de goddelozen gedragen heeft en nu nog in jeugdige kracht en fierheid voor ons staat, is geen andere dan de Katholieke Kerk.

De bewijzen die de goddelijke Voorzienigheid ons gegeven heeft voor de waarheid, voor de goddelijke stichting van de katholieke Kerk, zijn zo duidelijk, zo doorslaand, dat we veilig het woord van de geleerde, vrome Richard van St. Victor, kunnen herhalen: “Zouden we ons bedriegen door de Katholieke Kerk als de ware, door Christus gestichte Kerk te erkennen, dan hebben wij die dwaling niet aan ons zelf te wijten, maar dan zouden wij door God zelf bedrogen zijn.”

Mocht u, lezer, na dit alles nog niet helemaal overtuigd zijn van de waarheid van de Katholieke Kerk, dan wil ik graag hiervoor de schuld op mij nemen; dan denk ik, dat ik in mijn betoog niet zo duidelijk ben geweest, als ik wilde en dacht te zijn. Maar sta mij toe, dat ik u, als vriend, die oprecht het beste met u voorheeft, een praktische raad geef. Herinner u, wat ik u bij onze kennismaking ook zei, dat namelijk het geloof, ik bedoel het bovennatuurlijk, in de ogen van God verdienstelijk geloof, een gave van God is, die niet alleen door redeneringen kan worden opgelegd. Ja zelfs, al zou het mij helemaal gelukt zijn u duidelijk de waarheid van de Katholieke Kerk te doen inzien, daarmee bent u nog niet van de schat van het geloof verzekerd. Dat geloof bestaat namelijk niet alleen in het inzien en begrijpen, maar in de kinderlijke en nederige onderwerping van ons verstand aan al de waarheden, die God geopenbaard heeft en door zijn Kerk ons laat geloven, ongeacht of die waarheden voor ons bekrompen verstand te begrijpen zijn of niet; ongeacht of de plichten die zij opleggen, ons bevallen of niet. Wat dus doen? Bidden, lezer, goed en oprecht bidden; want, nog eens, dat is het belangrijkst. Bid dus elke ochtend en avond, dat God u met zijn genade helpt, om de ware, door Christus gestichte Kerk te mogen kennen en na die Kerk erkend te hebben, u met een kinderlijke bereidwilligheid aan haar leer en leiding te onderwerpen. Zo'n gebed is ongetwijfeld aangenaam aan God en kan onmogelijk worden verstoten. Dezelfde Christus namelijk, die wil, dat u zijn Kerk eerbiedigt en gehoorzaamt, dus ook zeker wil, dat u haar kent, heeft gezegd: “Vraagt en u zult verkrijgen, klopt en u zal worden opengedaan.” (Math. 7, 7) Hij zal dus uw vurig en volhardend gebed verhoren; daar mag u niet aan twijfelen. Door zijn genade verlicht, zult u de waarheid in haar volle glans zien, uw pijnlijke onzekerheid zal plaats maken voor de meest rotsvaste overtuiging, en dankbaar voor Gods hulp, zult gij u in de armen werpen van Haar, aan wie Christus de grote taak toevertrouwde, alle mensen de enige en onfeilbare weg naar de hemel te wijzen, door de verkondiging van zijn goddelijke leer, de uitoefening van zijn goddelijk gezag en het uitdelen van zijn hemelse genademiddelen. Door altijd trouw te zijn aan die taak, heeft zij al aan vele duizenden van haar kinderen in dit leven de zoetste tevredenheid en in het andere leven de kroon der Heiligen gegeven.

In het derde en laatste gedeelte willen wij proberen enkele misten te verjagen, die u, ook al heeft u de waarheid al erkend, nog kunnen verduisteren, door enkele bezwaren te beantwoorden, die uit het verschil van belijdenis tussen Katholieken en Protestanten kunnen opkomen.



[1] Als we deze eenvoudige en onweerlegbare redenering goed bekijken, is dit genoeg om het Protestantisme van dwaling te overtuigen; “de waarheid verandert niet; u verandert; dus bent u de waarheid niet.” Dit is de sluitrede, die ten gronde ligt aan het beroemde werk van Bossuet: Histoire des variations des églises protestantes.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen