Willibrorduskerk mijn kerkelijk thuis

Willibrorduskerk mijn kerkelijk thuis

maandag 29 augustus 2016

§6. Is de ware Kerk van Christus zichtbaar?

Aanleiding tot deze vraag gaf mij de volgende ontmoeting.

Op een dag moest ik naar de stad B…. Reeds had ik in een coupé 2e klas rustig plaats genomen en was het signaal voor het vertrek gegeven, toen door een van de conducteurs mij nog een zwaarlijvig reisgenoot in aller haast werd toegeduwd. De man ging recht tegenover mij zitten, en, na beide punten van zijn indrukwekkende snor zo ver mogelijk uit elkaar gedraaid te hebben, nam hij mijn persoon tot twee-driemaal van top tot teen op, met een blik, die scheen te betekenen, dat het niet zijn schuld was, van zo dichtbij met een R.K geestelijke in aanraking te komen. Nu, ik kon er waarschijnlijk ook niets aan doen, en probeerde, zoals weinig reizigers gewend zijn, door een onschuldig praatje over het mooie weer mijn norse overbuurman wat vriendelijker te stemmen. Dit lukte tamelijk goed, en we waren al gemoedelijk aan het praten, toen we een plaatsje voorbij stoomden, waar dichtbij het station een soort triomfboog omhoog rees. ‘Hé!’ riep mijn reisgezel verwonderd uit, ‘wat moet dat betekenen?’ – ‘Och’ hernam ik ‘ik meen gehoord te hebben, dat de bisschop dezer dagen aan dat dorp een bezoek heeft gebracht. Wat daar staat, zal waarschijnlijk het overblijfsel van een ereboog zijn’. Deze onschuldige opheldering trof echter een gevoelige plek. Mijn reisgezel begon hevig uit te varen tegen die dwaze paapse afgoderij, die bijgelovigheden en uiterlijkheden van de Roomsen. ‘Van al die rommel’, zo besloot hij ‘ben ik niet gediend. Meen daarom niet dat ik ongelovig ben. Ik ben Christen, zo goed als iemand. Ik dien de Heer Christus in mijn hart, erken Hem als de Verlosser, en probeer volgens de geest van het Evangelie te leven. Daarom juist gruw ik van al die roomse uiterlijkheden en vertoningen’.

Ik liet de brave man op zijn gemak uitpraten, maar vroeg toen, of de Roomse Kerk vóór het ontstaan van het Protestantisme, zich ook al aan zovele dwaasheden schuldig maakte? ‘Wel zeker’, luidde het antwoord, ‘dat weet u net zo goed als ik; ’t was toen nog wel zo erg als tegenwoordig’. – ‘Goed’ hernam ik, ‘maar waar moet dan destijds de ware Kerk van Christus wel geweest zijn? Of bestond ze in die dagen niet meer?’ – ‘Zeker bestond ze, net zoals ze nu nog bestaat; maar onder de ware Kerk versta ik niets anders dan de vereniging van al diegenen, die het ware geloof aan de Heer Jezus Christus in hun hart bezitten, en dat geloof is iets geheel inwendigs, wat niet door u, noch door mij, noch door iemand, tenzij door God alleen kan worden gezien. De Ware Kerk van Christus is onzichtbaar en het is een dwaasheid te vragen, waar en bij wie ze juist te vinden is’.

De man blies hierop triomfantelijk een dikke rookwolk door de coupé, en zag mij aan als wilde hij vragen, wat er op zulke redenering wel kon worden tegengesproken. En toch, lezer, daar viel ontzaglijk veel op tegen te spreken.

Want vooreerst: De H. Paulus of liever de H. Geest zelf heeft een andere mening. Immers, nadat de Apostel tot de Romeinen gezegd heeft: ‘want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging,’ voegt hij er gelijk aan toe: ‘en men belijdt met de mond ter redding.’ (Rom. 10,10); met andere woorden, men moet uitwendig belijden, wat men inwendig gelooft. En dat deed mijn reismakker immers zelf? Hij zelf toch voelde er behoefte aan uitwendig te kennen te geven, wat hij inwendig geloofde. Bovendien als het geloof inwendig en het hart bewaard moet blijven en zich uitwendig niet hoeft te tonen, vraag ik u: Hoe zal men dan de rechtgelovigen van de niet-rechtgelovigen kunnen onderscheiden? Hoe zullen zij hun herders of overheden kennen? Hoe zullen zij in geloofs- of godsdienstzaken met elkander in overleg of gemeenschap kunnen treden?

Maar gaan we verder. Christus heeft o.a. verschillende sacramenten ingesteld. Hoeveel. Laten we voor nu achterwege; maar laten we aannemen, zeven. Dit moet een waar dienaar van Christus dus vooreerst vast geloven. Maar die Sacramenten zijn niet ingesteld voor Christus om alleen geloofd, maar voor alles om toegediend en ontvangen te worden. Al gelooft men inwendig onwrikbaar vast, dat er een Doopsel bestaat, door Christus ingesteld, als u dat Doopsel niet hebt noch wilt ontvangen, zal u dat inwendig geloof alleen bitter weinig baten om zalig te worden: ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.’ (Marc. 16, 16).

Nog meer: nadat Christus (zoals we later zullen bespreken) tot Petrus gezegd had: ‘Hoed mijn lammeren, hoed mijn schapen,’ moest Petrus zeker vast geloven, dat de zorg over heel de kudde aan hem was toevertrouwd, dat hij dus als de plaatsvervanger van Christus op aarde, als het zichtbaar Opperhoofd van Christus’ Kerk was aangesteld. Dat geloof was weer geheel en al inwendig; maar moest het zich ook niet uitwendig tonen? Moest Petrus soms inwendig de lammeren en de schapen van Christus hoeden? Of moest hij, moesten de overige Apostelen en herders van Jezus de gekruiste niet prediken, de Sacramenten toedienen, opvolgers aanstellen, zich openlijk tonen en belijden als volgelingen van de Godmens? Maar zijn dit dan niet allemaal, hoezeer door het inwendige bezield, toch uiterlijke handelingen? Kon en moest dat niet uitwendig worden waargenomen? En zouden de gewone gelovigen, als ware leerlingen van Christus, kunnen volstaan met alleen inwendig te geloven dat Christus de H. Petrus en zijn wettige opvolgers met het bestuur van Zijn Kerk heeft belast? Wel nee; van dit inwendig geloof moeten zij uitwendig blijk geven door hun bereidvaardige onderwerping en gehoorzaamheid, door te leven volgens de wetten, hen door Petrus en zijn opvolgers opgelegd. Men kan de Kerk van Christus dus niet onzichtbaar noemen, omdat het geloof, op zichzelf genomen, iets inwendigs en dus onzichtbaar is.

Evenmin kan men zich hier beroepen op de woorden van Christus, dat ‘de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid.’ (Joh. 4, 23). Immers:

1. Bij enig nadenken zal iedereen begrijpen dat het de bedoeling van Christus volstrekt niet was door onze woorden alle uitwendige verering geheel uit te sluiten. Verbeeld u, lezer, dat u eerbiedig geknield, met neergeslagen ogen en gevouwen handen, vroom het ‘Onze Vader’ bidt, zou ik u dan om die uitwendige vroomheid, die u daar aan de dag legt, mogen verwijten, dat u de Heer niet in geest en waarheid aanbidt? Ik geloof dat u heel vreemd zou opkijken van ene dergelijk verwijt. Terecht zou u mij verwijzen naar het voorbeeld van Christus zelf, die, gelijk het Evangelie uitdrukkelijk vermeldt, de knieën boog, toen Hij in de Hof van Olijven tot Zijn Hemelse Vader bad. ( Luc. 22, 41) We zullen dus wel volkomen aan het verlangen van Christus voldoen, mits we zorg dragen dat onze vroomheid niet alleen uitwendig is, maar ook inwendig oprecht is gemeend, uit ons hart voortkomt en door onze geest bezield. Doch

2. Al moeten wij de Heer in geest en waarheid aanbidden, hebben wij daarom geen andere plichten te vervullen? Zeker wel, niet waar? Immers willen wij ware volgelingen van Christus zijn, dan zullen we – zoals net al is aangetoond, toch ook Zijne heilige leer niet alleen inwendig moeten geloven, maar ook uitwendig moeten belijden; dan zullen we het wettig gezag van de Kerk, tot wie Christus heeft gezegd: ‘Die U hoort, hoort Mij; die U versmaadt, versmaadt Mij’ (Luc. 10,16), niet alleen inwendig moeten eerbiedigen, maar die eerbied ook uitwendig door daden van onderwerping moeten tonen; dan zullen we ook gebruik moeten maken van de heiligingsmiddelen of H. H. Sacramenten, welke Christus aan Zijn Kerk heeft achtergelaten. Al is dan ons geloof en onze inwendige godsvrucht onzichtbaar, die verschillende handelingen van geloof en godsvrucht, waartoe wij door de wil van Christus verplicht zijn, zijn noodzakelijk uitwendig en zichtbaar voor iedereen.
Kortom, indien Christus Zijn Kerk gesticht heeft om ons onder haar leiding God te leren dienen, gelijk God door ons gediend wil zijn, en indien de mens God niet alleen inwendig moet dienen, met de geest, zoals de engelen, die zuivere geesten zijn, maar met ziel en lichaam, omdat hij mens is, en God dus ook moet ‘verheerlijken in zijn lichaam’ (1 Kor. 6, 19-20), dan volgt daaruit noodzakelijk, dat die Kerk of godsdienst niet alleen inwendig, maar ook uitwendig of zichtbaar moet zijn. Bovendien kan men onmogelijk ontkennen, dat de Kerk, zoals zij door Christus werd gesticht, alle vereisten heeft van een goed geregelde maatschappij, dat wil zeggen: een vereniging, wiens leden, door een onderlinge band verbonden, gemeenschappelijk samenwerken tot een zelfde doel. Christus immers wilde niet, dat zijn volgelingen zijn heilige leer alleen maar inwendig zouden geloven en voor de rest, geheel en al onafhankelijk van elkaar, ieder zijn eigen weg zou gaan; nee, Hij wilde, dat zij door een onderlinge band verenigd zouden blijven, dat er onder hen orde en ondergeschiktheid zou bestaan en de ene door de andere zou worden gesteund en geholpen. Christus stelde toch (zoals we later zullen zien) al zijn volgelingen, geheel zijn kudde, onder de leiding van een wettig gezag, toen Hij tot Petrus sprak: ‘Weid Mijn lammeren, weid Mijn schapen’ (Joh 21, 15,17). Er zouden dus in de Kerk wettige overheden zijn, met de bevoegdheid om te gebieden, en dus ook onderdanen met de verplichting om te gehoorzamen. Sommigen zouden belast worden met de prediking van Gods woord, anderen de verplichting hebben dat gepreekte woord met een leerzaam hart aan te horen (Ef. 4, 11). Sommigen zouden uitdelers zijn van de door Christus ingestelde heiligingsmiddelen of Sacramenten, anderen zouden die Sacramenten uit hun handen ontvangen (1 Kor. 4, 1).

U ziet dus, dat, volgens de wil van Christus, de kinderen van Zijn Kerk niet alleen streven naar hetzelfde doel, maar dat er tussen hen ook een onderlinge band bestaat, die hen allen tot één lichaam, tot één geheel, verenigt, en dat zij, net zoals de verschillende ledematen van een lichaam, ook onderling samenwerken om hun gemeenschappelijk doel te bereiken. Maar dan moet men toch toegeven, dat de Kerk, zoals zij door Christus gesticht werd, wel degelijk een goed geregelde maatschappij vormt, en dus net zoals elke andere goed geregelde maatschappij of vereniging, uit de aard van de zaak zichtbaar moet zijn.

En wat kwam er van terecht, als het anders was? Verbeeld u eens, dat de ware godsdienst uitsluitend en geheel in ieders hart besloten en verborgen moest blijven, en dat de Kerk van Christus dus onzichtbaar zou zijn, dan zouden de herders van die Kerk de verplichting hebben om de kinderen van de Kerk in Jezus’ leer te onderrichten, hen aan de genademiddelen door Christus ingesteld, deelachtig te maken, hen te vermanen, te berispen, en hen, als ze halsstarrig zijn, zelfs buiten de gemeenschap der Kerk te sluiten (Matth. 18, 17) en zij zouden niet eens kunnen onderscheiden, wie wel en wie niet tot die Kerk horen! Mag men serieus beweren, dat Christus, de oneindige Wijsheid zelf, zo’n onmogelijke Kerk gesticht zou hebben?

Ik zou trouwens wel eens willen weten, hoe Christus Zijn Kerk heeft kunnen vergelijken met een stad op de berg, met een licht op de kandelaar, - hoe Christus iedereen de verplichting heeft kunnen opleggen, om naar de stem van Zijn Kerk te luisteren, als die Kerk niet zichtbaar en uitwendig kenbaar zou zijn.

Dit neemt echter niet weg, dat de Kerk van Christus ook onzichtbaar kan en moet genoemd worden in zeker opzicht. Daarover willen wij hier alleen zeggen, dat er immers mensen kunnen zijn, en zeker weten zijn er veel, die uit onschuldige onwetendheid van de ware leer van Christus afwijken, het wettig door Christus aangewezen gezag niet kennen en daaraan dus ook niet gehoorzamen, verscheidene van de door Christus ingestelde Sacramenten nooit ontvangen. Welnu, wanneer deze mensen, zoals we veronderstellen, geheel te goeder trouw dwalen en daarbij God met een oprecht hart dienen, zijn zij zonder twijfel Gods vrienden, en ook werkelijk kinderen van Jezus’ Kerk. Maar, omdat men zulke mensen door geen enkel uitwendig teken als ledematen van de ware Kerk kan onderscheiden; omdat zij ook uitwendig natuurlijk niet volbrengen, wat een gewoon kind van de Kerk volbrengen moet, daarom zijn wij, Katholieken, gewend te zeggen, dat zij niet tot het lichaam, maar tot de ziel van de Kerk horen, d.w.z. niet tot de Kerk in zover deze voor ons zichtbaar is, maar in zover zij gezegd kan worden te bestaan uit allen, die God dienen naar de mate van het hen geschonken licht.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zondag 28 augustus 2016

§5. Mag men nog van godsdienst veranderen, als men onder eed heeft gezworen in zijn godsdienst te zullen volharden?

Het antwoord op deze vraag denk ik het best duidelijk te maken met het volgende voorbeeld.

Iemand, die door een ziekte nooit de kerk kan bezoeken, heeft een boek aangeschaft, waarvan hij denkt dat het heel godsvruchtig is, en aan God onder eed beloofd, dat hij voor zijn geestelijk welzijn, daaruit elke zondag een hoofdstuk zal lezen. Natuurlijk moet hij die belofte nakomen. Maar wat gebeurt er? Nadat hij enkele stichtende hoofdstukken heeft gelezen, komt hij hier en daar uitspraken en beweringen tegen, die absoluut in strijd zijn met de waarheid. Een beetje ongerust geworden, onderzoekt hij verder en komt er achter, dat er ook op godsdienstig gebied beginselen in voorkomen, die niet te verdedigen zijn. Hij komt dus tot het besluit, dat, tegen zijn verwachting, de inhoud en strekking van dat boek, absoluut niet deugen. Wat nu? Moet hij zich nu toch aan zijn gezworen belofte houden? Moet hij als gezond voedsel blijven gebruiken, waarvan hij ontdekt heeft dat het gif is? Nee, dat begrijpt zelfs een kind.

Welnu, zo is het precies met iemand, die onder eed beloofd heeft te zullen volharden in een godsdienst, die hij, weliswaar ten onrechte, maar toch te goeder trouw, als de ware godsdienst aanzag. Zolang hij helemaal te goeder trouw in die vaste overtuiging blijft, moet hij zijn belofte natuurlijk nakomen, en mag hij dus niet veranderen, want dit zou in strijd zijn met zijn geweten. Maar ziet hij later gegronde redenen om aan de waarheid van zijn godsdienst te twijfelen, dan is hij, omdat het hier gaat om een zaak van hoogste belang, verplicht te onderzoeken, in zoverre hij daartoe in staat is, en zeer zeker is hij ook verplicht voor dat belangrijk onderzoek de hulp en de verlichting van God af te smeken.

Wordt het hem nu duidelijk, dat hij zich vergist heeft, en dat de godsdienst die hij voor de ware hield, toch werkelijk de ware godsdienst niet is, dan mag hij niet alleen, maar dan moet hij veranderen. Hij heeft weliswaar gezworen in die godsdienst te zullen volharden, maar u begrijpt, nu hij duidelijk inziet, dat wat hij beloofd heeft, God niet behaagt, hij die eed niet langer mag houden. Men kan namelijk door niets ter wereld, ook niet door een eed, in geweten verplicht zijn, iets te doen waarvan men weet dat het in strijd is met Gods heilige wil.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

vrijdag 26 augustus 2016

§4. Maar is het niet schandalig en laf van godsdienst te veranderen?

Dat ligt er aan. We hebben namelijk net gezien, dat alle mensen naar geweten verplicht zijn, zich te onderwerpen aan die Kerk, die door Christus werd gesticht, en dus ook die geloofsleer te geloven en te belijden, die door die Kerk wordt voorgehouden. Leeft men dus in de ware, door Christus gestichte Kerk, dan zou het zeker een zware zonde zijn van godsdienst te veranderen; maar is de Kerk, waar men bij hoort, niet de ware Kerk van Christus, dan mag men daar niet in blijven, dan moet men van godsdienst veranderen.

Veronderstellen we eerst eens, dat het Protestantisme de ware godsdienst is. Dan hebben zij, die 400 jaar geleden de Katholieke Kerk vaarwel zeiden en zich bij de leer van Luther aansloten, niet alleen groot gelijk gehad, maar dan was het eenvoudig hun plicht, dan moesten zij dit doen, en zijn alle Katholieken, ook nu nog, naar geweten verplicht dat voorbeeld te volgen.
Stelt u eens voor: de protestantse godsdienst leert, dat het in strijd is met Gods eer, dat het een soort afgoderij is, de Heiligen te vereren en aan te roepen; nu doe ik dat als Katholiek toch, met nog allerlei andere dingen, die door de protestantse leer als dwaas en zondig worden veroordeeld, zou ik nu met al die fouten en dwaasheden mogen doorgaan, als het Protestantisme de waarheid bezit? Nee! Dan ben ik naar geweten verplicht, daar een eind aan te maken en protestant te worden.

Maar laten we nu het omgekeerde veronderstellen, dat de Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is: mag dan een Protestant of welke andere niet-Katholiek, maar rustig blijven wat hij nu eenmaal is? Natuurlijk niet. De Katholieke Kerk leert bijv. dat Petrus, de plaatsvervanger van Christus en het zichtbaar opperhoofd van Jezus' Kerk is; dat dus alle kinderen van die Kerk eerbied en gehoorzaamheid aan de Paus verschuldigd zijn. Zij leert dat in het H. Sacrament van het Altaar, onder de uitwendige gedaante van brood en wijn, Christus zelf werkelijk tegenwoordig is, met zijn Godheid en mensheid. En dat dus daarom aan dat H. Sacrament goddelijke eer bewezen hoort te worden. Zij leert, dat er in het andere leven, behalve de hel en de hemel, nog een derde plaats is, die zij Zuiveringsplaats of Vagevuur noemt, waar de zielen van hen, die niet schuldig genoeg zijn voor de hel en niet onschuldig genoeg voor de hemel, eerst aan Gods rechtvaardigheid moeten voldoen en dat het goed en heilzaam is voor die zielen te bidden. De Protestant gelooft hier allemaal niets van, spot er zelfs mee; maar mag hij dat doen en blijven doen, als de Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is? Nee, absoluut niet.

Daarom is iedereen verplicht de ware godsdienst te belijden, en dus als hij die niet bezit, van godsdienst te veranderen, om de ware te omhelzen. Niet veranderen zou in dit geval zeker een zware zonde zijn, die alleen niet toegerekend zou worden, als zij onvrijwillig is, met ander woorden, wanneer men blijft wat men is, omdat men, hoewel niet terecht, maar toch zonder oneerlijke bedoelingen, denkt in de ware godsdienst te leven.

Hier nog een paar voorbeelden ter verduidelijking. Het is een zware zonde, een grote som geld te houden, die van iemand anders is; En toch kan het zijn, dat ik hierdoor niet schuldig ben in Gods ogen; wanneer ik namelijk zonder oneerlijke bedoelingen denk, dat dit geld van mij is. Het uitspreken van een godslastering is op zich zelf een zware zonde; denkt iemand echt, dat wat hij zegt, geen godslastering maar bijv. een schietgebed is, dan zou hij door die woorden uit te spreken, zijn geweten niet bezwaren, maar zelfs verdienstelijk kunnen handelen.

Maar zoals het in deze gevallen zo is, dat alleen de eerlijke bedoelingen ervoor zorgen dat, hetgeen in zichzelf groot kwaad is, iemand niet als groot kwaad word aangerekend, zo is het ook wat de godsdienst betreft. Als dus die eerlijke bedoelingen ophouden, als wij inzien, dat wij inderdaad niet in de ware Kerk van Christus leven, dan is het een zware plicht voor ons om van godsdienst te veranderen, en absoluut niet schandalig en laf, maar een eervolle en moedige daad, waar God ons voor zal belonen en elk redelijk denkend mens ons om zal prijzen. In vrijwillige dwaling volharden, dat is schandalig, de erkende waarheid niet durven belijden, dat is laf. Een geloofsleer blijven aanhangen, terwijl men inziet, dat die leer niet de leer is, die Christus zijn Kerk heeft toevertrouwd te verkondigen, dat is in strijd met het geweten, dat is zonde, dat is zich voor Christus schamen bij de mensen. En u weet dat Jezus, volgens zijn eigen woord, met ons zal handelen bij zijn hemelse Vader, zoals wij met Hem gehandeld hebben bij de mensen. De H. Augustinus zegt: dwalen is menselijk, in de dwaling volharden is duivels.

Hieruit, lezer, zult u begrepen hebben, hoe onnozel het praatje is, dan men vaak hoort: “och, ieder in het zijne”. “ieder moet maar blijven wat hij is.” Nee, men moet alleen blijven wat men is, als wat men is, goed is. Of moet een zieke maar ziek, een hongerige maar hongerig, een drenkeling maar in het water, een verdwaalde, en dit is geen vergelijking meer, maar ons geval zelf, maar op de verkeerde weg blijven? Dat gaat tegen het gezond verstand in. Anders zou men ook moeten beweren, dat onze voorouders beter heidenen konden blijven, en de zendelingen dwazen zijn, om met levensgevaar in onbekende streken een andere godsdienst aan de ongelovigen te gaan verkondigen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

zaterdag 20 augustus 2016

§3. Is men naar geweten verplicht, zich aan het gezag en de leer van Christus' Kerk te onderwerpen?

Zonder twijfel, begaan degene, die voldoende weten, welke Kerk de ware Kerk van Christus is, en zich toch niet aan die Kerk willen onderwerpen, een zware zonde.

Christus heeft zijn heilige leer verkondigd om aan alle mensen de weg naar de hemel te wijzen. Het was dus noodzakelijk, dat die goddelijke en zaligmakende leer altijd bewaard en overal verkondigd zou worden. Daarom beval Christus zijn Kerk, voordat hij deze wereld verliet, in zijn naam, zijn heilige leer overal te verspreiden: “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo ook zend ik U.” (Joh. 20,21)
“Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde, gaat dus en onderwijst alle volken, hen dopende in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heiligen Geest. Gaat over heel de wereld en verkondigt het Evangelie aan alle schepsels, leert hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.” (Math. 28,19; Marc. 16, 15)

Maar als nu Christus zijn Kerk verplicht, om zijn leer en zijn geboden aan ons en alle mensen te verkondigen, en haar daarvoor met zijn goddelijk gezag heeft bekleed: “Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zo ook zend Ik u”, is het dan niet dwaas te denken, dat Christus ons zou vrijlaten, om naar eigen goeddunken het gezag van zijn Kerk te erkennen of te versmaden, haar leer te omhelzen of te verwerpen?

Wat zou u zeggen van een koning, die iemand aanstelde om in zijn naam wetten af te kondigen, maar tegelijkertijd zijn onderdanen vrij liet om zich aan die afkondiging wel of niet te storen? Dat is namelijk een tegenspraak!

De mens is dus wel degelijk verplicht, zich te onderwerpen aan het gezag en de leer van die Kerk, aan wie Christus de verkondiging van zijn heilige leer heeft toevertrouwd.

Net zo duidelijk blijkt dit uit de woorden, die Christus tot zijn Apostelen sprak: “Die u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij.” (Luc. 10, 16). Hiermee zei de Zaligmaker zo duidelijk mogelijk, dat wij het woord van zijn Kerk als Zijn woord moeten eerbiedigen; zodat zij, die niet naar de leer van zijn Kerk willen luisteren, niet alleen de Kerk, maar Christus zelf en zij hemelse Vader versmaden.

Hieruit volgt dus, dat zij, die voldoende weten, welke Kerk de ware Kerk van Christus is, en toch, hetzij uit gemakzucht, hetzij uit menselijk zwakte of om welke reden ook, zich niet aan die Kerk willen onderwerpen, schuldig zijn aan een zware zonde. En zolang zij met opzet daarin blijven voortleven ontzeggen ze zichzelf alle recht op de hemel.

Maar is die zonde niet vrijwillig, of anders gezegd, leeft men zonder oneerlijke bedoelingen buiten de ware Kerk, dan is het logisch, dat God ons die onvrijwillige zonde niet zal toerekenen; en dat men dus, als men bij zijn dood geen andere zware zonde op zijn geweten heeft, om dat onvrijwillig ongeloof niet verloren zal gaan. Zo leert de Katholieke Kerk, en is dat niet hoogst redelijk?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

woensdag 17 augustus 2016

§2. Hoe kunnen wij weten, wat Christus geopenbaard of geleerd heeft?

Als Christus wil, dat alle mensen die leer geloven en belijden, die Hij zelf heeft verkondigd om ons de weg naar de hemel te wijzen, dan is het ook noodzakelijk dat Hij het middel heeft achtergelaten, dat alle mensen in staat stelt zijn heilige leer met absolute zekerheid te kennen.

En wat is dat middel? De Bijbel denkt u misschien? Nee, lezer, toch niet. De Bijbel, wel is waar, is het Boek der boeken; maar wat voor nut heeft een boek voor iemand, die niet kan lezen? En nu zijn er duizenden en miljoenen mensen, die niet kunnen lezen, en dus met een boek, zelfs met dat heilige Boek alleen, niets kunnen beginnen.

En wat degenen betreft, die wèl kunnen lezen, ook voor hen is de Bijbel niet genoeg, om daaruit de leer van Christus met zekerheid te putten. Waarom niet? Om vele redenen, waar wij later uitvoeriger op terugkomen. Hier wil ik er maar een paar aanstippen.

De eerste is, dat van hen, die kunnen lezen, verreweg de meesten absoluut geen geleerden zijn. Maar als ze dàt niet zijn, hoe zullen ze dan met zekerheid kunnen beoordelen, of de Bijbel, die hun wordt voorgehouden, een ware, een onvervalste Bijbel is, waarop ze veilig kunnen vertrouwen?

Maar, behalve dit: De Bijbel is, zoals u zeker weet, op veel plekken minder duidelijk, en de plekken die duidelijk, ja overduidelijkst zijn, kan iedereen zo opvatten, of beter gezegd, zo verdraaien naar zijn eigen zin en eigen belang, dat ook hiervan geldt: “zoveel hoofden, zoveel zinnen.” De geschiedenis heeft het in overvloed geleerd. Welke woorden bijv. zijn eenvoudiger en duidelijker, dan die Christus uitsprak tijdens het laatste avondmaal, toen Hij het brood nam, het zegende, brak, en onder zijn leerlingen uitreikte, en zei: “Neemt en eet, dit is mijn lichaam.” En toch! Luther leerde, dat men in het  avondmaal werkelijk het lichaam en bloed van Christus ontvangt; die leer vond hij duidelijk uitgedrukt in de woorden van de Bijbel. Maar Calvijn haalde uit dezelfde woorden juist het tegenovergestelde, dat men namelijk in het avondmaal het lichaam en bloed van Christus niet werkelijk ontvangt. Deze twee leren kunnen onmogelijk allebei de ware leer van Christus zijn, en het is dus zeker, dat òf Luther, òf Calvijn uit de woorden van de Bijbel niet de ware leer van Christus haalde. Maar als nu een Luther of een Calvijn aan die duidelijke woorden van de H. Schrift een uitleg gaf, die ongetwijfeld met de leer van Christus in strijd is; als er bovendien duizenden, ja miljoenen mensen zijn, die de Bijbel niet eens kunnen lezen, dan kan men toch echt niet beweren, dat de Bijbel voor alle mensen het enige en voldoende middel is, om de leer van Christus zonder twijfel te kennen.

Christus heeft ons daarom een ander middel gegeven, dat onder het bereik van alle mensen valt, dat geschikt is voor ongeleerden en geleerden; en dat middel is het Leergezag van zijn Kerk, of anders gezegd, de leer, die de Kerk, door Christus gesticht, op Christus' gezag, verkondigt; zodat men, om het antwoord te vinden op de vraag: wat heeft Christus geleerd? Wat is de ware leer van Christus? Alleen hoeft te vragen: wat leert de Kerk van Christus? Want: “die Haar hoort, hoort Hem.” (Luc. 10, 16)

Met die Kerk bedoelen we natuurlijk geen stenen of houten gebouw, maar de vereniging van de ware leerlingen of volgelingen van Christus, aan welke vereniging Christus zelf de naam Kerk gaf, toen hij tot Petrus zei: “Gij zijt Petrus (d.i. steenrots) en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen.” (Math. 16, 18)

Christus heeft de oversten van die Kerk, namelijk aan de Apostelen, waarvan Hij het hoofd was, voordat Hij deze wereld verliet, deze last opgelegd: “Gaat en onderwijst alle volken en leert hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb.” (Math. 28, 19-20)

De Kerk dus, door Christus gesticht, of beter, de overheden van die Kerk, de Apostelen en hun wettige opvolgers, zij moeten, op bevel van Christus, de leer, door Christus verkondigd, aan alle generaties  verkondigen. En van hen kunnen wij dus weten, welke waarheden Christus heeft geopenbaard.

Ten slotte een kleine opmerking: Ik heb wel eens andersdenkenden ontmoet, die bezwaar maken tegen het woord “Kerk”. Van “Kerk” door Christus gesticht, wilden zij niets weten; wèl van een “Gemeente” door Christus gesticht.

Nu, lezer, als wij elkaar maar begrijpen. Christus zelf sprak geen Nederlands, en heeft dus noch het woord “Kerk”, noch het woord “Gemeente” gebruikt. In het Latijn en het oorspronkelijk Grieks Nieuw-Testament lezen we “Ecclesia”. Dat woord hebben onze katholieke voorvaders altijd vertaald met “Kerk”. Hetzelfde deden en doen nog alle katholieken in Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, en als ik mij niet vergis in heel Europa, in zoverre zij allen daarvoor hetzelfde woord gebruiken, waarmee zij in hun taal gewend zijn een kerkgebouw aan te duiden.

Spreekt u liever van “Gemeente”, wilt u zelfs de kerkgebouwen daarom “Gemeentehuizen” noemen, ga uw gang; maar wat voor nut dat heeft, begrijp ik niet. In ieder geval zult u er wel geen moeite mee hebben, dat ik mij houd aan die naam, die de oudste brieven gebruikten en die het minst gevaar oplevert, het Kerkbestuur met het Gemeentebestuur te verwarren.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

dinsdag 16 augustus 2016

§1. We dienen allen één Heer, Christus; wat we dus verder geloven, komt niet zo nauw.

EERSTE GEDEELTE - Over de ware Kerk van Christus in het algemeen.

§1. We dienen allen één Heer, Christus; wat we dus verder geloven, komt niet zo nauw.

Deze spreuk horen we zo vaak, dat het wel de moeite waard is, deze eens nauwkeurig te onderzoeken.

Men zegt: we dienen allen één Heer. Zeker, als we allen de Heer dienen, dan dienen we allen één en dezelfde Heer; want niet alleen “kan niemand twee Heren dienen”, maar ook bestaat er maar één Heer. Of nu alle mensen werkelijk de Heer dienen, daar mogen we gerust een vraagteken achter zetten. Want er zijn er heel veel, die slechts leven voor hun gemak en hun plezier, en zich eigenlijk over de Heer, over God en zijn gebod, niet druk maken. Men zou dus beter kunnen zeggen: alle mensen moeten één en dezelfde Heer dienen.

“Goed”, zegt u, “dat is zo; maar dat heeft als gevolg, dat het niet zo precies komt, wat men verder gelooft.”

Juist het tegendeel: dat heeft als gevolg dat alle mensen naar geweten verplicht zijn, datgene te geloven, wat die éne Heer geleerd of geopenbaard heeft; Dat is toch het allereerste en allernoodzakelijkste om Hem te dienen.

Was er meer dan één Christus geweest, dan zou A kunnen geloven, wat de éne Christus had geleerd, en B zich kunnen houden aan de leer van de andere Christus. Maar nu er maar één Christus is, die zijn ware Godheid duidelijk door woorden en werken bewezen heeft, en wij allen die éne Christus moeten dienen, d.w.z. doen wat Hij wil. Nu zijn alle mensen verplicht de leer van die éne Christus te eerbiedigen en te geloven, én omdat zij de leer van God zelf, en dus ook de onfeilbare, ware leer is, én omdat Christus dit van ons verlangt en verlangen moet.

Of denkt u, dat het Christus, onze Goddelijke Leermeester, niet uitmaakt, of wij de door Hem geopenbaarde waarheden, geloven of niet geloven?

Als bijv. Christus, wat de Katholieken beweren, aan de Apostelen en hun wettige opvolgers werkelijk de macht gegeven heeft om de zonden te vergeven, zou u dan aannemen, dat het Christus niet uitmaakt, of wij die macht dankbaar erkennen en er ernstig gebruik van maken, of er minderwaardig de schouders voor ophalen en er de spot mee drijven? Dat kan niet!

Nee, als het Christus echt onverschillig is, wat wij wel of niet geloven van zijn leer, dan moet men eenvoudig toegeven, dat, vergeef mij de uitdrukking, Christus iets dwaas gedaan heeft door zijn Goddelijke leer aan de wereld te verkondigen. Die moeite had Hij zich dan wel kunnen besparen.

Wil iemand niet geloofd worden, of maakt het hem niet uit of men hem gelooft of niet, dan doe hij er het best aan om te zwijgen. Maar als nu de Zoon van God niet alleen tot ons spreekt, maar de belangrijkste waarheden verkondigt; wanneer Hij die waarheden bevestigt door vele wonderen en uiteindelijk met zijn bloed; wanneer Hij, God als Hij is, juist mens is geworden, om ons die waarheden  te kunnen verkondigen, die voor onze ogen met wonderen te bevestigen, en daarvoor zijn leven te geven, dan vraag ik iedereen, of het Christus misschien onverschillig kan zijn, of wij die waarheden aannemen of verwerpen, of net doen alsof Hij ons niets had gezegd? Zou dat zijn: Christus dienen?

Bovendien, als het niet zo nauw komt, welke leer men gelooft en belijdt, is het dan ook van de kant van de Apostelen en van zoveel duizenden martelaren geen dwaasheid geweest, voor het geloof in die leer van Christus hun bloed en leven te offeren?

Is het dan niet dwaas van zovelen de oceanen over te steken, om die leer, ten koste van vele gevaren en ontberingen, aan de heidenen te verkondigen? En heeft Christus zelf niet tot zijn Apostelen gezegd: “Gaat en doopt alle volkeren”, en niet alleen dit maar ook: “Gaat en onderwijst alle volkeren, hen dopende en hen lerende onderhouden alles wat Ik u bevolen heb?” (Math.28,19-20).

Wil men daarom gezond en verstandig redeneren, dan hoort men te zeggen: wij moeten allen één en dezelfde Heer, Christus dienen; dus mogen wij op godsdienstig gebied niet geloven wat wij willen, maar wij zijn allen naar geweten verplicht, die geloofsleer te geloven en te belijden, die die éne Heer, Christus, aan de wereld verkondigd en geboden heeft te geloven.
Dat is zo klaar als de dag.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

Kennismaking

Lezer, wie u bent weet ik niet, ook niet met welke bedoeling u dit boekje openslaat. Maar omdat u mij de eer aandoet om kennis te willen maken met dit werkje, zal ik u van mijn kant zeggen wie en wat ik ben, en welk doel mij bij het schrijven daarvan voor ogen heeft gestaan.

Mijn naam en beroep vindt u op het titelblad. Ik ben katholiek, en wel priester, behorend tot een door de Katholieke Kerk goedgekeurde religieuze orde, maar daarom hoeft u, ook wanneer u niet katholiek bent, zich niet te laten terugschrikken. Geloof me, de katholieke priester is zo boosaardig niet, als hij soms door onwetendheid of kwade trouw wordt afgeschilderd. En wat mijn persoon betreft, ik heb een gezworen afkeer van alles wat naar hatelijkheid neigt. Ik gun anderen het genoegen door scherpe en bittere woorden hun tegenstanders te kwetsen en te beledigen. Het nut van zulke praktijken heb ik nooit begrepen, vruchten heb ik er nooit van gezien.

Waarom nu en voor wie schreef ik dit werkje? Niet voor volslagen ongelovigen of geheel onverschilligen op het gebied van godsdienst, maar voor hen die mijn standpunt delen dat Christus de mens geworden zoon van God is, en de goddelijke Verlosser en Leermeester van de mensenEn die daarom naar Hem willen luisteren en Hem volgen. Dus behalve voor mijn geloofsgenoten ook voor alle gelovige Protestanten.

De eerste, Katholieken, wil ik in staat stellen, om niet alleen op een makkelijke en duidelijke manier rekenschap te geven van hun geloof, maar ook om helder en goed de tegenwerpingen op te lossen, die hun door andersdenkenden meestal voorgehouden worden. En wat de laatsten betreft, ik spreek uit ervaring, er zijn er zoveel onder hen die  openhartig genoeg zijn om ronduit te bekennen, dat zij te midden van de ontelbare godsdienstige en ongodsdienstige sekten, waarin het Protestantisme is verdeeld, echt niet meer weten, waaraan zich te houden. Zij zouden zo graag de waarheid bezitten.

Zeker, dat verlangen is heel natuurlijk. Naar niets, zegt de grote Augustinus, dorst de mens vuriger dan naar de waarheid. Pijnlijk, erg pijnlijk moet het dus zijn, steeds in onzekerheid te leven en de edelste en machtigste begeerte van het mensenhart onbevredigd te zien. Nu dan, ik wil hen zo goed mogelijk de helpende hand bieden, om zich uit die zo pijnlijke, maar ook zo noodlottige onzekerheid te redden.

Waar is de waarheid, de volle waarheid, die Christus op aarde kwam brengen? In welke genootschap die zich Christelijk noemt is zij te vinden?

Denk niet, lezer, dat wij om die waarheid te ontdekken, bij elke kerkgenootschap aan de deur hoeven te kloppen, om verantwoording te vragen van zijn leer. Christus, die de mens kent en liefheeft, schonk hem daarvoor een veel eenvoudiger middel. Hij heeft zijn godsdienst, zijn Kerk, met enkele tekenen uitgerust, waaraan elk mens van goede wil haar eenvoudig van alle dwaling kan onderscheiden. Die tekenen van de waarheid wil ik u laten zien; ik wil u laten zien waar zij te vinden zijn en u doen besluiten, dat alleen de katholieke godsdienst de ware Kerk van Christus is, omdat zij en zij alleen de tekenen van de ware Kerk van Christus bezit en laat zien. Tenslotte zal ik u aantonen, dat de gebruikelijke bezwaren, die door de protestanten tegen de Katholieke Kerk worden aangevoerd, inderdaad slechts vooroordelen zijn, meestal gebaseerd op een verkeerde voorstelling of uitlegging, die men van jongs af van een katholieke leerstuk of gebruik gehoord heeft.

Zal het mij lukken? Ik weet het niet, maar toch, met Gods hulp, ben ik er van overtuigd dat het zeker iets goeds zal opleveren. Bij mijn dagelijkse omgang met Protestanten heb ik onder hen zo vaak karakters ontmoet, die mij veel te rechtschapen lijken om niet rondweg en ridderlijk de waarheid te erkennen, als hen dit maar op een duidelijke en overtuigende manier voor ogen werd gehouden; hier hoop ik voor te zullen zorgen. Dat ik een mooie stijl heb, kunt u niet zeggen. Het enige doel, wat ik voor ogen houd, is de waarheid zo duidelijk mogelijk uiteen te zetten, in de eenvoudigste woorden die ik kan vinden.

Ik gaf eerst aan mij werkje de titel: “een bezadigd woord”, en hoewel ik om kort te gaan de titel vereenvoudigde, beloof ik u lezer, een bezadigd woord zal het zijn. Ik houd niet van overdrijven, ook niet van hartstochtelijk redeneren, en zoals ik al gezegd heb, nog minder van verwijten en beledigende uitspraken.

Maar lezer, omdat ik nu omwille van u alles wil vermijden wat u ook maar iets zou kunnen tegenhouden, dan mag ik toch zeker ook van uw kant wel iets vragen. Ik durf er van uit te gaan, dat u, als Protestant, dit boekje niet zult lezen, zonder het oprecht verlangen onpartijdig de waarheid te onderzoeken; maar mag ik u er dan aan herinneren, dat het ware geloof een gave van God is, die nog ik u nog u uzelf kunt geven? Wat ik u daarom allervriendelijkst, maar ook aller dringendst wil vragen is dit: dat u bij het onderzoeken een kinderlijk en nederig gebed niet achterwege zult laten. En mag ik zo vrijmoedig zijn, u voor te stellen, om tenminste zolang u dit boekje aan het lezen bent bij uw morgen- en avondgebed een “Onze Vader” te voegen. Met welk doel? Om van God te vragen dat u katholiek wordt? Nee, dat zeker niet. Want zolang de waarheid u niet genoeg gebleken is, zou deze vraag niet alleen dwaas, maar zelfs in strijd zijn met uw geweten.

Nee, wat u in deze belangrijke zaak op de eerste plaats nodig heeft, en dus door een kinderlijk gebed van God hoort te vragen is, dat God u met zijn genade verlicht, zodat u duidelijk mag inzien, welke Kerk, de Kerk is, die door Christus werd gesticht, en aan welke Kerk Hij zijn voortdurende bijstand heeft beloofd; en dat diezelfde genade u ook de nodige moed schenkt, om, wanneer u met Gods hulp zijn ware Kerk hebt leren kennen, u ook met kinderlijke gehoorzaamheid aan haar leer en voorschriften te onderwerpen.

Wat denkt u, lezer, is deze raad niet goed, dit verzoek niet redelijk? Want als het ware geloof een genade is, en als geloven tot zaligheid iets is van ons verstand en onze wil, wat is er dan redelijker dan dat wij God bidden, met zijn genaden ons verstand te verlichten en onze wil te versterken? Als daarenboven het geloof een gave is, die God, vergeet dit niet, altijd geeft aan wie er Hem oprecht om vraagt; als men zonder die gave van het geloof, volgens het woord van de Apostel, “onmogelijk aan God kan behagen” (Hebr. 11,6) en van die gave dus onze zaligheid afhangt, hoe aangenaam zou dan zo'n verzoek aan God zijn en voor uzelf zeer nuttig, ja zelf noodzakelijk.

Vandaar dan ook, dat ik dit gebed meer op prijs stel dan alle redenering, en het veel beter zou zijn, dat u bidt zonder dit boekje te lezen, dan dat u het zult lezen zonder te bidden.

Maar wilt u beide doen, des te beter; want dan is er niets meer wat ontbreekt aan uw ijver om de waarheid te kennen en uw zielig zalig te maken. Want dan doet u van uw kant wat u kunt, en vraagt u  van God wat u niet kunt, en zo hoort het te zijn, dat is alles wat God van ons kan verlangen.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

Waar is de Kerk van Christus

In de komende maanden wordt het boekje van pastoor M. van der Hagen stukje bij beetje op dit blog gepubliceerd. Het taalgebruik is een beetje gemoderniseerd om het geheel leesbaarder te maken. Het origineel kunnen we u desgewenst in PDF toesturen.

Het boekje in opgebouwd uit vragen/stellingen en is daardoor heel prettig leesbaar en het is gemakkelijk om losse thema's op te zoeken. Ik wens u veel leesplezier en hoop dat het eraan bijdraagt dat velen tot Christus en zijn Kerk komen.

Inhoudsopgave:

Kennismaking

EERSTE GEDEELTE - Over de ware Kerk van Christus in het algemeen.

§1. We dienen allen één Heer, Christus; wat we dus verder geloven, komt niet zo nauw.

§2. Hoe kunnen wij weten, wat Christus geopenbaard of geleerd heeft?

§3. Is men naar geweten verplicht, zich aan het gezag en de leer van Christus' Kerk te onderwerpen?

zondag 15 mei 2016

Bijeenkomst met Mgr. Athanasius Schneider








































Brief van de overkant


Introductie op de ‘Brief van de overkant’:
Deze brief beschrijft het tragische verhaal van de eeuwige verdoemenis van een jonge vrouw die Annie heet. Het verhaal en de hieronder beschreven brief zijn beide gevonden in de papieren van een overleden non die in de buitenwereld bekend stond als Claire en die samengewerkt had met deze veroordeelde vrouw. Deze brief werd, kort nadat Annie overleed ten gevolge van een auto-ongeluk, aan Claire geopenbaard.

Het verhaal kreeg een imprimatur van het bisdom Trier (Duitsland) in 1953, de publicatie ervan werd als zeer leerzaam gezien. Hoewel een Imprimatur geen garantie is voor de authenticiteit, geeft het wel de garantie dat het document vrij is van leerstellige fouten. De brief is eerst verschenen in een boek met openbaringen en profetieën. Pastoor Bernhardin Krempel, doctor in de theologie, publiceerde het en gaf de brief meer autoriteit door het toevoegen van voetnoten, die laten zien dat deze brief geheel en al overeenstemt met de katholieke Leer. We publiceren deze voetnoten in dit artikel.

Het verhaal

Ik had een vriendin. Dat wil zeggen, we stonden dicht bij elkaar als vrienden en buren. Daarnaast werkten we samen in hetzelfde kantoor.

Later, toen Annie getrouwd was, zag ik haar nooit meer terug. Vanaf het moment dat we elkaar ontmoetten, was er tussen ons een soort sympathie, niet zozeer vriendschap. Dus toen zij na haar huwelijk verhuisde naar een mooie villawijk, miste ik haar niet heel erg.