donderdag 8 oktober 2009

Tien redenen pro Katholieke Eucharistie

1. Het Oude Testament geeft al een voorafschaduwing van de Eucharistie

Het Oude Testament voorspelde dat Christus het echte offer zou offeren aan God door de elementen van brood en wijn. In Genesis 14: 18 offerde Mechizedek, de koning van Salem (dat is Jeruzalem) en de priester des allerhoogsten Gods, een offer van brood en wijn. Psalm 110 voorspelt dat Christus priester zou zijn “naar de ordening van Melchizedek”, dat betekent een offer brengend van wijn en brood. We moeten niet naar het offer op Golgotha kijken, dat was immers niet een offer van brood en wijn. Maar de Mis voldoet wel aan dit criterium.
Verder betekent “naar de orde van Mel-chizedek” het volgende: “op de manier van Mechizedek”. Het verwijst niet naar orde, aangezien die er in het Oude Testament niet was. De enige “manier” die door Melchizedek getoond werd was die van het gebruik van brood en wijn. Een priester offert de offergave - wat de voornaamste taak van priesters in alle culturen is – dus het moet het brood en de wijn geweest zijn die Hij offerde.

2. Christus heeft het zelf zo gezegd

Joh. 6: 53-54 “Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.”


Matt. 26: 26-28 “En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.”
Marcus 14: 22-24 “En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven. En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.”
Lucas 22: 17-20 “En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.”

3. De Joden vatten Christus woorden letterlijk op en toch corrigeert Jezus hun niet

De Joden was dringend verboden bloed te drinken (zie o.a. Gen. 9: 4, Lev. 7: 27, 17: 10-12, Deut. 12: 23, enz.). De woorden van Jezus in o.a. Joh. 6 gaven de Joden dus aanstoot, vandaar dat velen Zijn rede hard vonden (Joh. 6: 60) en vele van Zijn discipelen wandelden van toen af aan niet meer met Hem (Joh. 6: 66). Nergens in de Schrift staat dat zo veel discipelen Hem verlieten. Toch neemt Jezus Zijn woorden niet terug. Hij legt zijn woorden ook niet verder uit, zelfs niet aan Zijn trouwste kring van twaalf apostelen. Sterker nog eerst zegt Hij het een beetje omwonden, op een manier die ook nog symbolisch op te vatten is (vers 51 “Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.”). Daarop strijden de Joden onder elkaar: “Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven?”. En dan zegt Hij het nog scherper in vers 53: “Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven.” Wanneer hij hiermee zo veel discipelen verliest zou je toch ten minste enige toelichting verwachten. Jezus is immers niet gekomen om de wet te ontbinden, geen tittel of jota van de wet zal vergaan, voordat hemel en aarde vergaan zijn. Dus ook die wet uit Lev. 17 wordt niet genegeerd, maar wordt vervuld.

4. De symbolische uitdrukking: “iemands vlees eten”, heeft een andere betekenis

Figuurlijk opvatten van de woorden: ‘mijn vlees eten en mijn bloed drinken’ is problematisch. De uitdrukking werd namelijk wel eens figuurlijk bedoeld en had ook een bepaalde betekenis voor de Joden – het was een gezegde net als bijvoorbeeld volgend gezegd: “want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God” (Luc. 16: 15). Zoiets als ons gezegde: ‘het regent pijpenstelen’, wanneer je zoiets zegt dan is dat figuurlijk bedoeld, maar het is ook duidelijk wat ermee bedoeld wordt. In het geval van dit voorbeeld betekent het dat het erg hard regent.
Dus wat betekende het wanneer de Joden zeiden: “eet het vlees en drink het bloed”? Als bewijs geef ik twee Bijbelteksten, één uit het Oude en één uit het Nieuwe Testament:
Micha 3: 3: “Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.”
Gal. 5: 15: “Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.”
Ik verzeker u dat Micha en Paulus beide niet verwezen naar kannibalisme. Ze bezigden de in die cultuur gebruikelijke uitdrukking waar ik al over sprak, en die betekent: “lasteren, vervolgen”.
Wanneer Jezus dus figuurlijk gesproken zou hebben in Johannes 6, dan zou Hij gezegd hebben: “vervolg Mij.” Erg, erg onwaarschijnlijk…....

5. Jezus gebruikt woorden die duiden op een letterlijke betekenis

Nadere uitleg: In vers 54, heeft Jezus (of misschien de Griekse auteur) het woord voor “eten” verandert van “phago” (gebruikt in bijvoorbeeld vers 53) in “trogo”. “Phago” is in het Koine Grieks een meer gebruikelijk klassiek woord voor eten. Het betekent letterlijk verslinden, consumeren, en het heeft inderdaad een figuurlijke betekenis. “Trogo” echter betekent letterlijk kauwen, vermalen, smakken, en het wordt gewoonlijk gebruikt voor eten van vlees. Het is een woord dat schreeuwt: “letterlijk!” En ik ken geen situatie waarin het figuurlijk gebruik wordt. Het feit dat Jezus in Johannes 6 sprak met min of meer letterlijke taal maakt het hoogst onwaarschijnlijk dat Hij het figuurlijk bedoeld heeft.

6. Paulus bevestigt dit

Zo verstond het ook Paulus in 1 Cor. 11:27 waar hij, sprekende over Christus' handelwijze aan het Laatste Avondmaal, zegt: "Zo dan wie onwaardiglijk dit brood eet of de drinkbeker des Heren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heren." Wanneer iemand een kruisbeeld moedwillig vernielt, kan men zeggen, dat hij daardoor Christus beledigt, die er door wordt voorgesteld, maar niet, dat hij zich aan Christus' lichaam vergrijpt. Zo kan men ook, wanneer brood en wijn alleen maar een teken van Christus' lichaam en bloed zouden zijn, wel zeggen, dat men Christus beledigt door dit onwaardig te nuttigen, maar niet, dat men zich aan zijn lichaam en bloed bezondigt, als in deze tekst. In vers 29 zegt hij: "Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heren." Dit kan alleen betekenen: geen onderscheid makende tussen gewone spijs en het lichaam des Heren. Dat kon St. Paulus echter alleen zeggen, als hij overtuigd was, dat hier geen gewone spijs is, maar het lichaam des Heren. “Schuldig zijn aan het lichaam en bloed” van iemand betekent dat je schuldig bent aan een misdaad als doodslag of iets dat net zo ernstig is.

7. Het woordje “is”wordt meestal in de letterlijke zin opgevat

Het Grieks in dit gedeelte, net als in de parallelplaatsen in de andere Evangeliën (Matt. 26: 26, Mar. 14: 22), luidt: Touto estin to soma mou. Paulus versie is een klein beetje anders: Touto mou estin to soma (1 Kor. 11: 24). Het wordt in alle gevallen vertaald met: “Dat is Mijn lichaam”. Het werkwoord estin is een equivalent van het Nederlandse is, en kan betekenen “is echt” of “is figuurlijk”. De gebruikelijke vorm is de eerstgenoemde (controleer in enig Grieks woordenboek), net zoals het Nederlandse is ook meestal letterlijk genomen wordt.

8. Het “doet dit tot Mijn gedachtenis” verwijst naar een offerplechtigheid

“Doet dat tot Mijn gedachtenis” kan ook vertaald worden als “Offer dit als mijn gedachtenisoffer”. De Griekse term voor “gedachtenis” is anamnesis, en elke keer dat het voorkomt in de Protestantse Bijbels (om het even of je kijkt naar het Griekse Nieuwe Testament of naar de het Griekse Oude testament) komt het voor in een sacramentele wijze. Bijvoorbeeld, het komt voor in de Griekse vertaling van Num. 10: 10: “Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis (anamnesis ) zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!” De Eucharistie is dus een gedachtenis, een herdenkingsoffer die we God brengen om te pleiten op de verdienste van Christus aan het kruis.

9. Offeren blijft geboden

Hoofdstuk 9 van de Hebreeënbrief begint immers met een onderzoek van het Oude Verbond. Mozes wordt beschreven nemende het bloed van de kalveren en geiten en dit gebruikend ter reiniging in de Tabernakel (Hebr. 9: 19-21; zie ook Ex. 24: 6-8 voor de oorsprong van dit deel). Onder de oude wet was herhaald bloedstorten noodzakelijk voor de verzoening van de zonden. Maar onder de nieuwe Christelijke bedeling is het bloed van Christus slechts één maal gestort, maar wordt wel continue aan de Vader aangeboden.

“Maar hoe kan dat nu?”. U moet hierbij in het oog houden dat Jezus dezelfde is gisteren en heden en altijd (Hebr. 13:8). Wat Jezus in het verleden deed is nu aanwezig voor God, en God kan het offer van Golgotha aan ons present stellen tijdens de Mis. “Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt” (1 Kor. 11: 26).

Jezus offert zichzelf niet opnieuw op als een bloedig en stervend offer in de Mis, maar we offeren onszelf op “tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande” (Rom.12: 1). En zoals deze passage duidelijk maakt, verlangt dit offeren van de offergave niet het vloeien van bloed. Want als dat zo zou zijn kunnen we onszelf niet offeren als een levend offer tot God. Jezus heeft Zijn bloed eens en voor altijd vergoten aan het kruis, en Hij offert zichzelf nu continue aan God, en op een onbloedige wijze, als een heilig en levend offer in onze plaats.

10. De eerste Christenen hebben het zo beleden

Ambrosius (339-394): “Wij verkondigen de dood des Heeren, zo dikwijls als wij de sacramenten die door het mysterie van het heilige gebed in het vlees en bloed van Christus worden veranderd!”

Augustinus (354-371): “Wat u ziet is het brood en de beker; dat is wat uw ogen u vertellen. Maar wat het geloof u gebied te accepteren is dat het brood het lichaam van Christus is en de beker is het bloed van Christus. Dit is misschien kort en bondig gezegd, wat genoeg kan zijn voor het geloof; echter geloof eist geen onderricht” (Homilie 227).

Justinus de martelaar (106-163): “Wij nuttigen dat immers niet als gewoon brood en gewone drank; maar wij zijn onderricht, dat zoals Jezus Christus, onze Zaligmaker, vlees geworden door het woord Gods, vlees en bloed bezat terwille van onze zaligheid, zo ook die spijs, waarover door het gebed, dat zijn eigen woorden bevat, dank gezegd is, waarmede ons vlees en bloed op haar beurt gevoed worden, vlees en bloed is van die vleesgeworden Jezus” (Apologia I, 66).

Andere kerkvaders die dit geleerd hebben:
• Johannes Chrysostomos (354-407)
• Johannes Damascenus (749)
• Ignatius uit Antioch (110)
• Irenaeus (140-220)
• Clement uit Alexandria (191)
• Hippolytus (217)
• Origenes (185-254)
• Cyprianus uit Carthago (251)
• Concilie van Nicea I (325)
• Cyril uit Jeruzalem (350)
• Ambrose uit Milaan (390)
• Theodore van Mopsuestia (405)
• Concilie van Ephesus (431)
• Tertullianus (160-220)
• Eusebius (265-339)
• Theodoretus van Cyrus (393-460)
• Ephrem de Syriër (526-546)
• Facundus van Hermiane (550)

Geen opmerkingen: