donderdag 13 augustus 2009

Plaats van Traditie in de Bijbel

God onderwijst ook door de Traditie/Overlevering, niet alleen door de Bijbel

Matt. 23:
1 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen, 2 Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op de stoel van Mozes; 3 Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.

Matt. 28:
19 Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
De Apostelen moeten het Evangelie gaan prediken (onderwijzen) aan alle volken (ook: Mar. 16: 15), niet slecht de Bijbelboeken gaan schrijven, het woord wordt dus gebracht die mondelinge verkondiging. En ze moeten alles onderhouden wat Hij geboden heeft, maar uit Joh. 20: 30 en 21: 25 blijkt dat niet alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft in de Bijbel staat.


Luc. 1:
1 Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben; 2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;
Er zijn dus veel zaken die onder hen al volkomen zekerheid hebben (vers 1) en die nu slechts beschreven worden, zodat “gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij (al) onderwezen zijt.” (vers 4).

Hand. 8:
30 En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest? 31 En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.
Het is dus niet genoeg om de Bijbel te lezen, we hebben een uitlegger nodig die de Bijbel voor ons uitlegt.

Hand. 15:
7 En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.
Petrus spreekt hier met gezag en beroept zich daarbij niet rechtstreeks op de Schrift, maar op wat God hem geopenbaard heeft (Hand. 15: 1-14).

Hand. 17:
28 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
Ook Paulus beroept zich op bronnen buiten de Bijbel, “hun poëten”.

1 Kor. 5:
9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;
Ook voor deze 1e brief aan de Korintiërs heeft Paulus aan hen geschreven , en deze brief heeft blijkens dit vers, eveneens gezag, ook al staat het niet in de Bijbel.

1 Kor. 11:
2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.

Fil. 4:
9 Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn.
De Christenen moeten dus navolgen wat ze in Paulus ontvangen, gehoord en gezien hebben, niet alleen wat er in de Schrift staat. Hetzelfde geldt voor Kol. 4: 16.

1 Tess. 2:
13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.
De Christenen moeten de prediking van Gods Woord geloven, niet slechts wat er in de Bijbel staat.

2 Tess. 2:
15 Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.

2 Tim. 2:
2 En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.
Wat ze ‘gehoord’ hebben moeten ze betrouwen aan getrouwen mensen, niet wat ze ‘geschreven hebben in de Bijbel’.

2 Pet. 1:
20 Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; 21 Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
De Schrift mag dus niet door de individuele gelovige eigenmachtig uitgelegd worden, maar de “heilige mensen Gods” (de ambtsdragers dus) zijn door Gods Geest gedreven en hebben gesproken.

2 Pet. 3:
16 Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
De ongeleerde (die niet kunnen lezen) mensen kennen Gods dus ook en kunnen het verdraaien, dit verondersteld en orale (mondelinge) traditie.

1 Joh. 4:
Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
De geesten moeten beproefd worden, en dat niet alleen maar door aan de Bijbel te toetsen, maar door die profeten te beproeven.

Geen opmerkingen: