zaterdag 21 mei 2011

De Bijbel over het Vagevuur

De Bijbel spreekt over het vagevuur, zonder het woord te gebruiken, zoals ook het woord Drie-enigheid niet gebruikt wordt

In het Oude Testament wordt er meestal van uitgegaan dat de doden in het dodenrijk (de sjeool) zijn. Hierbij wordt weinig onderscheid gemaakt tussen goeden en slechten.

Ps. 68:
18 Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid! 19 Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!
Hier wordt verwezen naar de zielen die in het voorgeborchte van de hel (de gevangenis) zijn en die Christus vrijgemaakt heeft door zijn verlossing en verzoening aan het kruis, waarna Hij nedergedaalt is ter helle en de zielen van de gelovigen tot God te brengen.



Matt. 12:
32 En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
Jezus heeft het dus over vergeving van de zonden na ‘deze eeuw’ (Grieks: ‘en to mellonti’), wat meestal verwijst naar het eeuwige leven (zie. Bijv.: Mar. 10: 30; Luk. 18: 30; 20: 34-35; Ef. 1.21). In de hel is geen vergeving, en in de hemel is geen vergeving meer nodig, het moet dus wel verwijzen naar een andere plaats dan hemel of hel.
39 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet. 40 Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.
Dit gedeelte wordt nader uitgelegd in Rom. 10: "6 Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen. 7 Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen."

Luc. 12:
43 Zalig is de dienstknecht, welken zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzo doende. 44 Waarlijk, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal. 45 Maar indien dezelve dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; en zou beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden; 46 Zo zal de heer deszelven dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen. 47 En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden. 48 Maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geëist worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eisen.
Wanneer de Heer komt (op de jongste dag) zullen sommigen veel slagen krijgen, maar toch uiteindelijk eeuwig leven, en anderen weinig.

Luc. 16:
23 En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot. 24 En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lázarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam….. 27 En hij zeide: Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis; 28 Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.
De rijke man was niet in de hemel, want daar is geen lijden van ondragelijke pijn. Maar hij was ook niet in de hel, hij kende namelijk medelijden met zijn broers. Maar in de hel is geen medelijden en ontferming, omdat medelijken en compassie gaven van God zijn, en zij die in de hel zijn die zijn voor eeuwig gescheiden van Gods genade. Waar is dus de rijke man: in het vagevuur.

Hand. 2:
27 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien. 28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht. 29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. 30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; 31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
Hier wordt Psalm 16 aangehaald en toegepast op Christus.

1 Kor. 3:
14 Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen. 15 Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.

1 Kor. 15:
29 Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt? 30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?

Ef. 4:
8 Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven. 9 Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? 10 Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.

Kol. 2:
15 En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.

1 Pet. 3:
18 Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest; 19 In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, 20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
Onder de "den geesten, die in de gevangenis zijn" worden de zielen  van de rechtvaardige overledenen verstaan die in hun toemalige toestand nog geen toegang tot God hadden.

Geen opmerkingen: