maandag 16 augustus 2010

Is door de erfzonde de geneigdheid tot het kwaad ontstaan en de menselijke natuur dus geheel bedorven?

De mens neemt een geheel enige plaats in de schepping in. Hij is geest en heeft daardoor iets van de engelen; hij is stof en heeft daardoor iets van de dieren. Ziel en lichaam hebben eigen neigingen, de ziel geestelijke, het lichaam stoffelijke. Het verstand verlangt bijv. naar kennis, het lichaam naar eten. De geest staat boven de stof, de ziel is dus voornamer dan het lichaam. Daarom mag het lichaam zich niet in alles botvieren, maar moet het zich aanpassen bij de ziel. Het lichaam kan dat alles echter niet weten, het heeft geen verstand. Daardoor kunnen er neigingen van het lichaam opkomen, die met de ziel in strijd zijn. Het lichaam moet dan beheerst worden door de ziel. Deze op haar beurt moet onderworpen zijn aan God. Zij kent God echter zeer onvolmaakt. Zij kan wel uit de schepping begrijpen, dat God het Hoogste Goed is, maar God zelf aanschouwt en geniet zij niet. Daardoor kunnen ook in de ziel neigingen opkomen die met God in strijd zijn, bijv. hoogmoed, en kan zij deze en de neigingen van het lichaam tot het kwade boven God verkiezen. De geneigdheid tot het kwade van ziel en lichaam is dus van nature aanwezig.

Het moet daarom een bijzonder voorrecht van God geweest zijn, dat de eerste mensen van de geneigdheid van het lichaam tot het kwaad geen last hadden. Mogelijk heeft God hun verstand zó bijzonder verlicht, dat deze neigingen niet konden opkomen zonder dat het verstand het bemerkte, en heeft Hij hun wil bijzonder versterkt om ze aanstonds in bedwang te kunnen houden. De neigingen van de ziel konden echter nog wel met God in strijd komen, wat blijkt uit het feit, dat zij begeerden door het eten van de verboden vrucht aan God gelijk te worden. Dat gebeurde echter niet zo makkelijk, want hun verstand werd nog niet verduisterd door onbeheerste neigingen van het lichaam.

De mens is dus met de geneigdheid tot het kwaad geschapen; zij is derhalve geen zonde, anders zou God de mens zondig geschapen hebben.

• H. Augustinus in "Contra Fortunatum Manichaeum", 17: "Ik vraag u dan nu, in verband met het zojuist gelezene, hoe zouden wij zonden hebben, als onze weerstrevende natuur ons dwingt te doen wat wij doen? Wie immers gedwongen wordt iets te doen, zondigt niet; wie echter zondigt, zondigt met vrije keuze."

• In "De nuptiis et concupiscentia", 1, 23, 25: "De begeerlijkheid, die alleen door het sacrament der wedergeboorte uitgeroeid wordt, brengt inderdaad een band met de zonde door de geboorte in de nakomelingen over, tenzij ook zij daarvan door de wedergeboorte verlost worden. Want de begeerlijkheid toch is geen zonde meer in de wedergeborenen, wanneer daarin niet wordt toegestemd om ongeoorloofde werken te doen, en de ledematen door hun heerseres, de geest, niet wordt uitgeleverd, om die dingen te bedrijven."

• In "Retractationes", 1, 14, 2: "Het schuldige der boze begeerlijkheid wordt bij het Doopsel weggenomen, maar de zwakheid blijft; maar iedere gelovige die goed vooruitgaat, verzet zich met grote ijver daartegen, totdat zij genezen wordt."

Misschien denkt u: "dat is maar een lange menselijke redenering, maar is er ook Bijbels bewijs voor deze redenering?"

St. Paulus zegt in Rom. 5:19: "Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens, velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van één, velen tot rechtvaardigen gesteld worden". Rechtstreeks wordt hier tegenover elkander gezet, wat Adam en wat Christus gedaan heeft. Door de zonde van Adam zijn wij echte zondaars geworden; door Christus worden wij dus ook tot echte rechtvaardigen, d.w.z. Van zonden gereinigden, gemaakt, en niet alleen maar als zodanig beschouwd. Door de erfzonde werden wij zondaars; wij worden dus rechtvaardigen doordat Christus de erfzonde wegneemt. De geneigdheid tot het kwaad blijft. Dat is dus niet de erfzonde.

St. Jacobus zegt in Jac. 1:14-15: "Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt; daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde, baart de dood." Onder het beeld van de voortbrenging van een mens wordt de bekoring hier voorgesteld als het lustgevoelen. Heeft de bevruchting plaats; d.w.z. Geeft men toe aan de bekoring die van dat lustgevoelen, de geneigdheid tot het kwaad, uitgaat, dan komt de zonde pas tot stand. De neiging is dus geen zonde, maar het toegeven daaraan.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

6 opmerkingen:

john logan zei

Bedankt voor de sterke citaten van Augustinus. Een boek wat zeer goed de bijbelse Katholieke leer uitlegt is over vrije wil en genade. Augustinus was zeker geen Calvinist. Augustinus echter was wel heel duidelijk over dat niemand recht heft op genade. Het is tenslotte genade. Augustines geloofte zeker in dat er weinigen gered zullen zijn aangezien de poort naar de redding erg small is en die naar de vernieteging zeer breed.

Ik ben momenteel ook hard bezig te onderzoeken in hoeverre de Jansenisten Augustinus verkeerd interpreteerden. Waarschijnlijk ben je wel met het Jansenisme bekend.

Hugo Bos zei

Jansenisme is inderdaad bekend.
Hier nog een ander artikel over het feit dat er maar weinigen zijn die gered worden:
http://echtkatholiek.blogspot.nl/2015/11/zijn-het-veel-mensen-die-verloren-gaan.html

john logan zei

Bedankt voor de link. Ik vroeg mij af, wat is uw mening over het Jansenisme?

Hugo Bos zei

Het is een ernstige ketterij. De schriften van o.a. Louise de Montfort zijn een goed tegengif.

john logan zei

Bedankt voor de verwijzing. Denkt u dat de Jansenisten Augustinus verkeerd interpreteerden?

Hugo Bos zei

Daarvoor ben ik onvoldoende op de hoogte met Augustinus. Helaas.