donderdag 19 augustus 2010

Wanneer de geneigdheid tot het kwaad niet de erfzonde is, wat is de erfzonde dan wel?

Christus neemt de smet der erfzonde werkelijk weg. De geneigdheid tot het kwaad en de ellende van het leven, die een gevolg zijn van de erfzonde, neemt Hij niet weg. Hij schenkt alleen de heiligmakende genade, waardoor de erfzonde wordt weggenomen. Aangezien men dan zonder erfzonde is door het bezit van de heiligmakende genade, moet men met de erfzonde besmet geweest zijn door het gemis daarvan door de zonde der eerste mensen.

Door de heiligmakende genade krijgen wij een nog meer op God gelijkend leven in ons. De heiligmakende genade is iets goddelijks, en andere voorrechten die God aan de eerste mensen schonk, als geneigdheid tot het goede, vrijdom van lijden en dood, stelden slechts natuurlijke gebreken buiten werking en pasten daardoor de menselijke natuur meer aan bij dit goddelijke. Het goddelijke, waarom het ging, wordt teruggeschonken, het daaraan ondergeschikte natuurlijke blijft afwezig.

Bron: http://www.stpiusx.be/protestantse-opwerpingen-tegen-de-katholieke-kerk (met toestemming overgenomen)

Geen opmerkingen: