zaterdag 29 oktober 2016

§24. Is de Katholieke Kerk heilig in die zin, dat degenen die haar leer en leiding volgen, daardoor tot de ware volmaaktheid en heiligheid komen?

Eerst merken wij op, dat er in de Katholieke Kerk veel mensen zijn geweest, nog steeds zijn en helaas altijd zullen zijn, die absoluut niet heilig leven, maar zich aan veel en grote zonden schuldig maken.

Maar de vraag is of zij dat doen omdat zij Katholiek zijn? Of zij zondigen door de leer van de Kerk te volgen, of door deze juist niet te volgen? Want dat iemand niet heilig wordt, die niet leeft zoals de Kerk dat wil, kan absoluut niet tegen de heiligheid van de Kerk getuigen; maar het getuigt integendeel het sterkst voor de heiligheid van de Katholieke Kerk, als iemand die naar haar leer, wetten en instellingen leeft, daardoor inderdaad heilig wordt. Of bewijst het iets tegen de heiligheid van Christus of Zijn leer, dat Judas een verrader werd en verloren ging? Absoluut niet, omdat Judas goddeloos werd, door niet naar Christus, maar naar zijn eigen bedorven hart en geldlust te luisteren; niet door Christus te volgen, maar door Christus niet te volgen, viel hij in de afgrond van de zonde. Wij beweren dus en willen bewijzen, dat door de leer, wetten en instellingen, kortom door de hele leiding van de Kerk, elke Katholiek het sterkst tot heiligheid wordt aangespoord, en, alleen wanneer hij die leiding volgt, tot ware heiligheid zal komen.

De twee grootste obstakels op de weg van de deugd zijn, zoals wij weten, de hoogmoed van de geest en de wellust van het lichaam. Daar tegenover staan de nederigheid en de versterving. Vandaar het woord van de goddelijke Heiland: ‘Als u niet wordt als de kleine kinderen, zult u het rijk der hemelen niet binnengaan.’ En: ‘Die na Mij komen wil, verloochent zichzelf, neemt zijn kruis op en volgt Mij.’ (Matth. 18, 3 en 16, 24).

Na het geloof zijn de nederigheid en de zelfverloochening of versterving de twee steunpilaren waarop het gebouw van onze deugd hoort te rusten.

Zonder nederigheid is er namelijk geen ware gehoorzaamheid, geen kinderlijke onderwerping aan het wettige gezag, geen geduld, geen ware naastenliefde, geen vrede; en zonder versterving is het onmogelijk onze zinnelijke en gemakzuchtige natuur binnen de perken te houden van het geoorloofde, maar valt men in de grofste zonden en buitensporigheden.

Op welke manier werkt de Katholieke Kerk de beoefening van deze twee deugden dan in de hand?

De nederigheid. – Terwijl het Protestantisme de ijdelheid van de mensen en het verlangen naar onafhankelijkheid streelt door het vrije onderzoek hoog op te stellen, eist de Katholieke Kerk in geloofszaken volledige onderwerping aan haar wettig leergezag. De vraag, wat God geopenbaard heeft, en hoe die geopenbaarde waarheden moeten worden verstaan en uitgelegd, oftewel wat men op het gezag van God wel of niet moet geloven, laat de Katholieke Kerk niet over aan het vrije onderzoek, aan het welbevinden van de eerste de beste. Nee, zij wil dat haar kinderen op godsdienstig gebied in onderwerping aannemen en geloven, wat zij hen door haar goddelijk gezag te geloven voorhoudt.

Het is waar dat de onderwerping die de Katholieke Kerk in geloofszaken eist, redelijk, zelfs hoogst redelijk is. Een Katholiek begrijpt helemaal dat hij verstandig handelt, wanneer hij in alles wat het geloof betreft zich laat leiden door de Kerk, en zijn eigen inzicht en oordeel onderwerpt aan het oordeel van Haar aan wie Christus de verkondiging van Zijn leer heeft toevertrouwd en tot wie Hij gezegd heeft: ‘Ik zal de Vader vragen, en Hij zal u een andere Trooster geven, de Geest van de waarheid, zodat Hij met u blijft in eeuwigheid. Als die Geest van de waarheid zal gekomen zijn, zal Hij u in alle waarheid onderwijzen,’ ( Joh. 14, 16-17; 16, 13) ‘En zie, Ik ben met u alle dagen tot het einde van de eeuwen.’ (Matth. 28, 20) ‘Wie u hoort, hoort Mij, wie u verwerpt, verwerpt Mij’. (Luc. 10, 16) Maar hoe redelijk die onderwerping ook is, toch wordt daarvoor echte nederigheid vereist. De mens heeft zijn verstand namelijk zo hoog staan, hecht zoveel waarde aan zijn eigen mening en oordeelt zo graag helemaal onafhankelijk dat hij daarom zijn eigenliefde altijd min of meer geweld moet aandoen om zijn eigen opvatting of oordeel te laten varen en te onderwerpen aan het oordeel van anderen.

Maar juist daarom is ook de kinderlijke onderwerping die de Katholiek aan het leergezag van de Kerk is verschuldigd, veel geschikter om de geest van nederigheid te bevorderen dan het vrije onderzoek, dat door het Protestantisme werd ingevoerd, waardoor de eigenliefde wordt gevoed en gevleid, en waardoor aan iedereen op godsdienstig gebied een recht wordt verleend, dat echt niet aan iedereen kan gegeven worden.

Wat doet de Katholieke Kerk verder om haar kinderen te oefenen in de zo noodzakelijke deugd van zelfverloochening of versterving?

Zij leert hen niet alleen hun driften te beheersen daar waar het toegeven aan die driften in strijd zou zijn met Gods heilige wetten; maar zij leert hen de neigingen van de zinnelijke natuur te bedwingen, zelfs daar waar geen sprake is van zonde. Zoals het gebruik van bepaald voedsel op zichzelf geen zonde is, schrijft de Katholieke Kerk toch verschillende vasten- en onthoudingsdagen voor. Waarom? O.a. om haar kinderen te leren zich te versterven, te bedwingen en hun zinnelijkheid te beheersen en daardoor makkelijker meester te blijven over hun natuurlijke opwellingen, die, als zij ook in het geoorloofde niet in toom worden gehouden, zo snel de overhand krijgen op de zwakke wil van de mensen en hem brengt naar wat verboden is.

Ja, de Katholieke Kerk is zelfs niet tevreden alleen de geboden van haar goddelijke Meester te handhaven en in alle ernst op het hart te drukken; zij moedigt haar kinderen aan zich een hogere volmaaktheid op te leggen door de beoefening van de Evangelische raden: de vrijwillige armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid, of onthouding, die Christus niet als verplichtend heeft voorgeschreven, maar wel heel erg geprezen en aanbevolen heeft. Waar bloeien en ruiken die bloemen van verheven deugd zo heerlijk als in de Katholieke Kerk? Zij, en zij alleen mag namelijk met trots wijzen op duizenden en duizenden kloosterlingen, die zich vrijwillig verplichtten die Evangelische raden na te leven, en wiens heldhaftige deugd en opofferend leven zelfs de ongelovige wereld tot haar spijt moet bewonderen.

De Katholieke Kerk heeft met de meeste zorg de H.H. Sacramenten bewaard, die haar door de goddelijke Stichter werden geschonken.

Zeker, die H.H. Sacramenten kunnen worden misbruikt, zonder voldoende voorbereiding en onwaardig worden ontvangen; maar niet naar het misbruik, maar naar het goed gebruik moet de waarde, de geschiktheid van een middel worden berekend. Welnu, iedere Katholiek – en hij kan het uit ervaring weten – zal moeten toegeven dat alleen de H. Communie en de Biecht, wanneer zij waardig en veelvuldig (zoals de Kerk verlangt) worden ontvangen, uiteraard al genoeg zijn om een brave Christen in de grootste moeilijkheden en gevaren op de weg van de deugd staande te houden, en de meest verstokte zondaar in een korte tijd in een voorbeeldig Christen te doen veranderen.

Voeg daarbij het bijwonen van de het H. Misoffer, waartoe alle Katholieken op Zon- en Feestdagen in geweten verplicht zijn en waarvoor ze elke dag gelegenheid hebben.

Ook zijn de indrukwekkende schitteringen waarmee in de Katholieke Kerk de H.H. Sacramenten worden toegediend en de openbare godsdienstoefeningen verricht, bijzonder geschikt om de harten van de gelovigen hoger op te voeren, te onthechten aan het aardse, met een diepe eerbied te bezielen voor het hemelse en bovennatuurlijke en hen aan God en godsdienst vuriger te binden.

Wat doet de Katholieke Kerk om haar Kinderen te wapenen tegen de gevaren, waaraan zij in de wereld zijn blootgesteld? Overal waar dit kan, richt zij verenigingen, broederschappen en congregaties op voor mannen en vrouwen, jongens en meisjes, voor elke leeftijd, voor iedere rang of stand. De leden van die verenigingen, – en ik wijs hier alleen maar op de St. Jozefs Gezellen-vereniging, de wijd verspreidde aartsbroederschap van de H. Familie en de talloze congregaties van de H. Maagd – verenigen zich om zelf naar ware, hechte deugd en godsvrucht te streven, door onderlinge samenwerking het voortwoekerende zedenbederf tegen te werken, en door hun stichtend woord en voorbeeld de oefening van de deugd te bevorderen.

Wat doet de Katholieke Kerk niet voor het onderwijs, voor de opvoeding van de jeugd, voor de verzorging van de wezen, van verlaten kinderen, van hulpbehoevende bejaarden, voor de verpleging van armen en zieken? Lezer, kijk eens om u heen[1]. Bijna overal vindt u, om maar iets te noemen, de zo heerlijk werkende vereniging van de H. Vincentius a Paulo. Geen stad of dorp van enige betekenis, of u vindt er scholen, een opvangplaats voor wezen, noodlijdenden en ongelukkigen. U vindt er een één of andere liefdadigheids-instelling door de Katholieken tot stand gebracht. Bedenk wel dat in ons land de Katholieken, zowel in aantallen als wat financiële middelen betreft, ver in de minderheid zijn en u zult erkennen dat de Katholieke Kerk met recht mag roemen op haar christelijke liefdadigheid.

Desondanks erken ik ronduit en graag dat, vooral in onze grotere steden, ook de andersdenkenden zulke inrichtingen van liefdadigheid bezitten. Maar staan zij op één lijn met die van de Katholieke Kerk? Ik geloof dat er genoeg grond is om dit te mogen ontkennen. Wie zijn het toch die u in onze katholieke scholen, ziekenhuizen, weeshuizen of andere inrichtingen van liefdadigheid aan het werk ziet? Bijna overal zijn het religieuzen, d.w.z. katholieke mannen of vrouwen van elke rang en stand, die hun ouders, bloedverwanten, genot van het huiselijk gezinsleven, bezittingen en alles waarvan zij in de wereld konden genieten, dapper vaarwel hebben gezegd, om zich in totale overgave te wijden aan de dienst van God en het welzijn van hun medemens. En dit niet voor een kortere of langere tijd, totdat ze weer zin hebben om naar de wereld terug te keren; nee, door de drievoudige gelofte van gehoorzaamheid, armoede en onthouding, hebben zij zichzelf opgeofferd, zonder een beloning in het zicht te hebben, behalve die, die hen hierboven wacht. Ze hebben zich helemaal vrijwillig in geweten willen binden en verplichten om hun hele leven dienstbaar te zijn voor hun lijdende medemens.

Waar vindt men zo’n belangeloze en opofferende liefde? Is dat niet een ware heldhaftigheid? Een heldhaftigheid die buiten de Katholieke Kerk niet word gevonden, een heldhaftigheid die door ongelovigen en andersdenkenden zo vaak openlijk wordt erkend, bewonderd, van verre nagebootst, maar nooit geëvenaard?

Wat doet de Katholieke Kerk niet voor de geestelijke vorming en opleiding van haar toekomstige bedienaren of priesters? Zij weerhoudt hen al op jonge leeftijd aan de gevaren van de wereld. Gedurende tien tot twaalf jaar verblijven zij binnen de muren van haar bisschoppelijke seminaries, onder leiding van bekwame en deugdzame priesters. Daar ontvangen zij niet alleen de nodige kennis en wetenschap, maar wordt ook hun karakter gevormd en worden zij gewapend tegen de moeilijkheden die hen wachten tijdens het priesterschap; ook wordt in deze jaren hun deugd voortdurend beproefd, gelouterd en gesterkt. En waarom dit alles? Zodat zij later als bedienaren van de Kerk des te geschikter zouden zijn, om door woord en voorbeeld de oefening van de deugd ook in de harten van hun medemens te bevorderen.

En later, wanneer zij als priesters werken, dan nog drukt de Kerk hen op het hart, zich vaak, indien mogelijk elk jaar, zich een tijdje terug te trekken uit de dagelijkse beslommeringen, om in stille afzondering hun onverdeelde zorg te wijden aan de belangen van hun eigen ziel, zich oprecht voor God af te vragen of zij de belofte nakomen van de heilige bediening, die op hun schouders rust.

Vertel mij eens: waar is een kerk of sekte, die aan de geestelijke vorming van haar dienaren zoveel zorg en moeite besteed? Is de opleiding die de Katholieke Kerk aan haar toekomstige priesters geeft niet geschikter om hun harten tot voorbeeldige deugd en godsdienst te vormen, dan de opleiding die de bedienaren van andere gezindten aan de hogescholen ontvangen, te midden van een, helaas, maar al te lichtzinnige omgeving?

Maar tenslotte, - aan de vruchten kent men de boom – heeft de Katholieke Kerk onder diegenen die haar leer en voorschriften trouw hebben gevolgd ook echt Heiligen voortgebracht? Zeker, en oneindig veel. Maar laten we eerst de volgende vraag beantwoorden.

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen



[1] Helaas is het hierna geschetste beeld vandaag aan de dag in het Westen niet meer zo positief en rooskleurig. Op wereldschaal en in vele eeuwen kerkgeschiedenis geldt het grotendeels nog wel.

Geen opmerkingen: