zondag 14 mei 2017

§ 46. Is de Katholieke leer over de aflaten niet dwaas en onzinnig?

Waarom? – Dan zegt men: ‘nou, omdat volgens die leer de Katholieken, als zij iets verkeerd hebben gedaan, alleen maar een gebedje of een goed werk hoeven te doen waar de Paus een aflaat aan heeft verbonden en dan is alles kant en klaar, vergeven en vergeten’. Lezer, als dat echt waar zou zijn, ben ik het helemaal met u eens, dat deze leer dwaas en onzinnig moet worden genoemd. Maar let op, ik zeg: als dat waar zou zijn, want – zou dat echt waar zijn? Om ons niet te vergissen, nemen we even een Katholieke Catechismus bij de hand. Daar vind ik op de vraag: ‘Wat is een aflaat?’ het volgende antwoord: ‘Een aflaat is de (hele of gedeeltelijke) kwijtschelding van tijdelijke straffen, die door de H. Kerk aan sommige goede werken verbonden wordt’. Ook lezen we: ‘Wordt door de aflaten ook kwijtschelding van zonde gegeven? Antwoord: Nee, nooit; want de aflaat is alleen de kwijtschelding van de tijdelijke straffen, die na de vergeving van de zonden zijn overgebleven.’

Hier zien we dus meteen
1. Dat er bij de aflaten hoe dan ook, geen sprake is van kwijtschelding of vergeving van zonden, maar van straffen, en;
2. Niet van de eeuwige, maar alleen van de tijdelijke straffen, die men, nadat de zonde en de eeuwige straf al zijn vergeven, nog bij God schuldig mocht zijn.
Hierdoor blijkt de zaak dus heel anders te zijn, dan het meestal door niet-Katholieken wordt voorgesteld.

Zo zien we dat wanneer de mens, na hij door de zonde Gods vriendschap heeft verloren, vergeving ontvangt van die zonde en zijn vriendschap met God weer wordt hersteld, niet meer bang hoeft te zijn voor de eeuwige straffen van de hel voor deze zonde, want de hel is niet voor Gods vrienden; maar hieruit volgt niet, dat daarmee ook al zijn tijdelijke straffen zijn kwijtgescholden.

Een voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van David. Hij had, zoals we weten, ernstig gezondigd. De profeet Nathan kwam hem zijn misstap even onder ogen brengen, en toen David zijn schuld bekende, en oprecht berouw toonde, gaf de profeet hem in naam van God de verzekering, dat de Heer zijn zonde had vergeven. En toch voorspelde de profeet hem tegelijkertijd dat hij om die zonde uit te boeten, nog zware, tijdelijke rampen en tegenspoed zou moeten ondervinden. Hieruit blijkt dus dat wanneer de mens gezondigd heeft vergeving kan krijgen van de belediging die hij God heeft aangedaan, en zijn liefde en vriendschap tot God weer kan hersteld worden, en toch tegelijkertijd, om die zonde uit te boeten, nog bepaalde tijdelijke straffen bij God schuldig kan zijn. Welnu, de tijdelijke straffen die soms nog overblijven nadat de zonde en de eeuwige straf al vergeven zijn, worden volgens de leer van de Katholieke Kerk, ons volledig of gedeeltelijk kwijtgescholden door de aflaten.

Als men dus beweert dat een Katholiek het buitengewoon makkelijk heeft, omdat hij alleen maar een aflaat hoeft te verdienen om vergeving van zonden te ontvangen, dan heeft men helemaal een verkeerd beeld van de leer van de Katholieke Kerk. Nee, de Katholiek moet eerst zorgen dat zijn zonde (de belediging die hij God heeft aangedaan) is uitgewist door een oprechte boetvaardigheid, door oprecht berouw en een rouwmoedig hart, en als dit is gebeurd, pas dan stelt de Kerk hem in de gelegenheid om door het verdienen van aflaten volledige of gedeeltelijke kwijtschelding  van de tijdelijke straffen te ontvangen, die hij voor zijn al vergeven zonden misschien nog schuldig is.

U zult zich misschien afvragen: ‘Maar hoe komt de Katholieke Kerk aan die macht om tijdelijke straffen kwijt te schelden?’

Die macht ontving de Kerk van Christus zelf, die tot Petrus zei: ‘Ik zal u de sleutels van het rijk der hemelen geven, en alles wat gij gebonden hebt op aarde, zal ook gebonden zijn in  de hemel, en alles wat gij ontbonden hebt op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel.’ (Matth. 16, 19)

Door deze woorden werd, zoals we al hebben gezien, aan Petrus de hoogste volmacht in de Kerk van God geschonken, omdat de sleutels het beeld zijn van de opperste macht. En om het nog duidelijker te bevestigen en te verklaren, voegt Hij hieraan toe: ‘Alles wat u zult ontbonden hebben, zal ook bij God ontbonden zijn.’ Aan de Kerk is daarom in de persoon van Petrus de macht gegeven om alle banden te verbreken die de mensen kunnen beletten om hun eeuwige bestemming te bereiken. Die banden kan men onderscheiden in: de band van de zonde/schuld en de band van de straf, die eeuwig of tijdelijk kan zijn. Nu vraag ik u: als de Kerk, zoals wij aantoonden, in het H. Sacrament van de Biecht de macht bezit om de band van de zonde en van de eeuwige straf te verbreken, zou zij dan niet de macht hebben om de veel lichtere band van de tijdelijke straffen te ontbinden, terwijl bovendien Christus nadrukkelijk zegt: ‘Al wat gij zult ontbinden, zal ontbonden zijn?’ Maar nu zij die macht dus wel moet bezitten, dan bezit zij ook de macht om aflaten te verlenen, die in niets anders bestaat dan in volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van tijdelijke straffen.

Hierbij wil ik nog opmerken dat de Kerk, wanneer zij deze macht gebruikt, normaliter een of ander werk, vaak zelfs meerdere goede werken als noodzakelijke voorwaarden stelt.

Is dit alles nu zo onbegrijpelijk, dwaas en onredelijk? Ik denk niet, lezer, dat u dit zult volhouden. Waarom blijft men dan nog altijd in de katholieke leer over de aflaten een bewijs zoeken tegen de heiligheid van de Katholieke Kerk? Omdat men – en ik geloof meestal uit onwetendheid, maar vaak ook tegen beter weten in – die leer belachelijk maakt, door ze heel anders voor te stellen dan ze werkelijk is. Maar ik durf u nu ook te vragen: pleit het niet juist voor de Katholieke Kerk als zulke oneerlijke listen nodig zijn om de heiligheid van haar geloofsleer te bestrijden?

Uit het boek: 'Waar is de Kerk van Christus' van pastoor M. van der Hagen

Geen opmerkingen: